Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/4.4.3.4
4.4.3.4 Doelmatigheid
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS368515:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman 1991, p. 9.
Timmerman 2005, par. 3b.
Zie ook Compendium 2013, p. 7.
Compendium 2013, p. 8 en 9.
Assink wijst in dit kader op ook HR 13 juli 2007, NJ 2007, 434 m.nt. Maeijer, JOR 2007/ 178 m.nt. Nieuwe Weme (ABN AMRO), r.o. 4.3 en HR 6 januari 2012, NJ 2012, 336 m.nt. Van Schilfgaarde JOR 2012/75 m.nt. Verburg (Imeko Holding/B&D Beheer). Ik zou ook willen wijzen op r.o. 4.4.1 van HR 9 juli 2010, NJ 2010, 544 m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2010/228 m.nt. van Ginneken (ASMI).
Meinema (Diss.), p. 17. Zij verwijst hierbij naar Duits recht.
Zie hierover ook par. 4.4.3.5.
Zie par. 4.4.3.2.
Kamerstukken 31 763, nr. 3 (MvT), p. 4.
De aandeelhoudersvergadering kan weliswaar decharge verlenen, maar dat ontslaat de bestuurders en commissarissen niet van aansprakelijkheid op de voet van art. 2:138/248 BW. Zie lid 6.
Een ander motief dat Timmerman1 in 1991 noemde om te kiezen voor dwingend vennootschapsrecht is de wens om de rechtspersoon vanuit het oogpunt van rechtsbedeling zo doelmatig mogelijk in te richten. Als voorbeeld noemt hij het feit dat de NV een rechtspersoon is. Dat vergemakkelijkt het vennootschappelijke goederenrecht in grote mate. In 2005 lijkt Timmerman2 deze gedachte iets anders te formuleren. Hij heeft het over figuren die vanuit de rechtszekerheid dwingendrechtelijk geregeld moeten worden. Daarmee doelt hij op het zogenaamde constitutieve vennootschapsrecht, dat wil zeggen de regels ten aanzien van de oprichting, omzetting, juridische fusie en splitsing van rechtspersonen.3
Assink stelt4 dat de slagkracht van vennootschappen wordt vergroot door een duidelijke bevoegdheidsverdeling over de organen. Assink5 stelt ook dat de Hoge Raad er kenbaar naar streeft om de desbetreffende attributieregels zo eenduidig mogelijk uit te leggen ter bevordering van de rechtszekerheid.
Meinema6 noemt nog een ander motief voor dwingend recht. Door standaardisatie van aandeelhoudersrechten en -plichten neemt de verhandelbaarheid van aandelen toe en daarmee de efficiency van kapitaalmarkten.7
Een doelmatigheidsmotief kan ook herkend worden in de checks and balances die de wet dwingendrechtelijk in de organisatie van de rechtspersoon heeft ingebakken. Deze checks and balances kwamen reeds ter sprake in het kader van de waarborgfunctie.8 De gedachte daarachter is dat het belang van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming beter wordt gediend, indien er sprake is van een zeker machtsevenwicht tussen bestuur en aandeelhouders (en eventueel commissarissen). Een goed voorbeeld van deze gedachte komt naar voren in de Memorie van Toelichting bij de Wet Bestuur en Toezicht9:
“De structuurregeling bevat bijzondere voorschriften voor de inrichting en bestuursstructuur van vennootschappen met een bepaalde omvang. Heeft de vennootschap deze omvang bereikt, dan wordt er vanuit gegaan dat de daarmee verbonden onderneming zozeer maatschappelijk van betekenis is dat de vrijheid van de ondernemer om de eigen structuur te kiezen, moet wijken voor het belang van de maatschappij bij goed en onafhankelijk toezicht.”
Vanwege het maatschappelijk belang van gezonde ondernemingen dwingt de wetgever af dat deze adequaat worden geleid en wordt de vrijheid van gebruikers van vennootschappen om een potje van hun eigen onderneming te maken, aan banden gelegd. Een zelfde gedachte herkent men in het feit dat bestuur en commissarissen dwingendrechtelijk zijn gehouden tot een behoorlijke taakvervulling en aansprakelijk zijn voor de schade indien zij hierin (ernstig) tekort schieten. Het staat de aandeelhoudersvergadering dus niet vrij om te bepalen dat (één of meer) bestuurders en commissarissen niet of nauwelijks verantwoordelijkheid dragen voor de gang van zaken. Prima vista lijkt het wellicht niet goed voorstelbaar dat de aandeelhouders er mee zouden instemmen dat de bestuurders en commissarissen er een potje van maken, maar dat is natuurlijk anders als deze aandeelhouders zelf ook bestuurder en/of commissaris zijn. Dat de aandeelhouders zichzelf in hun hoedanigheid van bestuurder niet uit de wind kunnen houden, maakt de vennootschap doelmatiger.10
Een andere uiting van het doelmatigheidsmotief kwam in par. 4.4.3.3 ter sprake toen het bevorderen van de partijautonomie werd besproken. In par. 4.4.3.5 komt daarvan nog een voorbeeld ter sprake.
Daarnaast zij ook nog gewezen op het dwingendrechtelijke voorschrift dat besluiten van de aandeelhoudersvergadering minstens met een volstrekte meerderheid moeten worden genomen. Als in de statuten ook voor de kleinere meerderheid gekozen zou kunnen worden, zou het kunnen voorkomen dat de vereiste meerderheid (bijvoorbeeld 40% van de stemmen) zowel voor als tegen het besluit is. Dat gebruikers van vennootschappen niet de vrijheid hebben om zich op een dergelijke manier in de nesten te werken, bevordert de doelmatigheid van vennootschappen.