Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.3.1.0
6.3.1.0 Introductie
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS498243:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Caroli 1906, p. 281.
Meijers 1947, p. 192, nr. 99 en Meijers/Vermeulen 1967, p. 185.
Cleveringa 1972, p. 1486, art. 732 lid 1, aant. 1 en Jansen 1980, p. 393.
Meijers 1947, p. 193, en Meijers/Vermeulen 1967, p. 185 (nr. 102), noemen als voorbeeld de situatie dat de beslaglegger geen feiten van gegronde vrees voor verduistering kan bijbrengen: in een dergelijk geval kan niet onder alle omstandigheden worden verlangd dat de beslagene aannemelijk maakt dat er geen gegronde vrees bestaat.
Meijers 1947, p. 193, Schenk/Blaauw & De Bruijn-Luikinga 1984, p. 136, en Cleveringa 1972, p. 1486, art. 732 lid 1, aant.1.
Cleveringa 1972, p. 1486, art. 732 lid 1, aant. 1.
Jansen (Burgerlijke Rechtsvordering III) losbladige Kluwer (1988), titel 4, art. 732 Rv, aant. 2, hierbij (onjuist) verwijzend naar Meijers 1947, Meijers/Vermeulen 1967 en het arrest Emba/Koppens (HR 30 oktober 1970, LJN AB6480, NJ 1971, 55), waarbij het op de weg van de eigenbeslaglegger had gelegen om de zekerheid of waarschijnlijkheid bij te brengen waarmee vaststelling van de omvang van het door haar gepretendeerde vorderingsrecht te verwachten is, nu de schade ‘op behoorlijk gemotiveerde wijze’ door de beslagene was betwist. Op grond van een belangenafweging prevaleert het belang van de beslagene bij opheffing. Tevens verwijzend naar Cremers 1983, p. 692-696, die voor het opheffingskortgeding een vergelijking maakt met de procedure in oppositie.
Oudelaar 1992, p. 168. Uit Recht halen: inleiding in het executie- en beslagrecht blijkt dat Oudelaar (1995) art. 705 lid 2 Rv uitlegt als een bepaling die strikt genomen slechts bedoelt te zeggen dat als een van de genoemde omstandigheden is bewezen, het beslag moet worden opgeheven.
Cremers 1983, p. 692-696.
Reehuis & Slob 1992, p. 314.
De hoofdregeling van de verdeling van de bewijslast is opgenomen in artikel 150 Rv, welke luidt: de partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, draagt de bewijslast (…), tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid of billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Alhoewel op de kort geding procedure de gewone regels van de dagvaardingsprocedure van toepassing zijn, zijn de regels van stelplicht en bewijskracht niet van toepassing verklaard.
Wanneer men oudere handboeken erop naslaat dan valt op dat de rechtspraak rond 1905 met betrekking tot de ‘bewijslast’, tegenwoordig ook wel aannemelijkheidslast genoemd, (nog) niet eenvormig was.1 Nadien verandert dit:2 wie opkomt tegen een beslag moet summierlijk ‘bewijzen’,3 waarbij van deze regel kan worden afgeweken.4 Ook de belangenafweging als factor bij beoordelingen wordt opgenomen in de standaard werken over het kort geding: veel uitspraken inzake vorderingen tot opheffing berusten op een afweging van belangen, wanneer de rechter zich niet omtrent de rechtmatigheid van de grondslag uitspreekt of wanneer hij dit wel doet doch de belangenafweging ter versterking van zijn uitspraak aanvoert, aldus Meijers.5 Van Rossum-Cleveringa voegt aan deze aannemelijkheidslastverdeling toe dat het woord ‘summierlijk’ ertoe dringt omtrent het ‘blijken’ van ‘de ondeugdelijkheid der vordering’ en ‘het onnodige van het beslag geen al te strenge eisen te stellen’6 (cursivering MM).
Jansen meende, in tegenstelling tot de visie van de meerderheid der auteurs, dat de aannemelijkheidslast op de beslaglegger dient te rusten.7 Oudelaar neemt een gelijkluidend standpunt in, naar eigen zeggen in weerwil van de wettekst, die anders lijkt te suggereren.8 Cremers las in de ontwerptekst van het nieuwe artikel 705 Rv in het kader van de herziening van het burgerlijk procesrecht in 1992 een verandering met betrekking tot de (geïmpliceerde) ‘bewijslast verdeling. De door Cremers aangevoerde bezwaren bestonden hieruit dat de verandering ‘erop neerkomt dat aan de beslaglegger tegenover de schuldenaar een machtspositie wordt verschaft die op niet veel meer dan het eigen woord van de beslaglegger berust’. De toenmalige president van de rechtbank te ’s-Hertogenbosch bepleitte dat de beslaglegger de bewijslast zou moeten dragen van de ondeugdelijkheid van het ingeroepen recht, en niet andersom: ‘als de beslaglegger op zijn woord – en op de stukken die hij gelieft te overleggen – wordt geloofd, kan van de beslagene niet in redelijkheid verlangd worden dat hij vervolgens van de ondeugdelijkheid van des beslagleggers recht of van het onnodige van het beslag zal doen blijken’.9 De parlementaire geschiedenis lijkt de nieuwe ‘bewijslast’verdeling te nuanceren: hierin wordt vermeld dat de praktische betekenis, dat de summierlijke ondeugdelijkheid in beginsel door degene die opheffing vordert summierlijk moet worden aangetoond, niet moet worden overschat10 (cursivering MM).
Ondanks deze vergoelijkende woorden was er in 2006 voor A-G Huydecoper aanleiding om de moeilijkheden bij het ongedaan maken van een conservatoir beslag weer aan de orde te stellen. Ook Huydecoper meent dat er redenen zijn om ‘op zijn minst ernstig te overwegen of niet moet worden afgeweken van de regel: wie stelt moet bewijzen’.11 De argumenten voor het standpunt dat sprake zou moeten zijn van omkering van de aannemelijkheidslast in de situatie van het opheffingskortgeding liggen steeds in de verhouding tussen beslaglegger en beslagene: de beslaglegger, die ex-parte verlof heeft verkregen om beslag te leggen, dreigt in de ogen van deze auteurs een ongewenste machtspositie te verkrijgen.