Verlofstelsels in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2017/Samenvatting:Samenvatting
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2017/Samenvatting
Samenvatting
Documentgegevens:
G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS285097:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoofdstuk 1 bevat een inleiding op het boek en een verantwoording van het onderzoek dat daaraan ten grondslag ligt. Hoewel consensus bestaat over het bestaansrecht van de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie in het Nederlandse strafrecht, kunnen deze rechtsmiddelen op diverse manieren concreet worden vormgegeven. Een belangrijke discussie over de vormgeving van gewone rechtsmiddelen betreft zogeheten verlofstelsels. Vooral sinds 1989, toen het kabinet voorstellen deed ter herziening van de rechterlijke organisatie, vindt in de (strafrechtelijke) literatuur discussie plaats over de wenselijkheid van deze verlofstelsels in hoger beroep en cassatie. In die discussie zijn twee voorvragen onderbelicht gebleven.
Enkele veroordelingen van het Koninkrijk der Nederlanden voor toepassing van het verlofstelsel in hoger beroep (art. 410a Sv) hebben de algemene vraag opgeworpen in hoeverre verlofstelsels in strafzaken onder verdragsrecht toelaatbaar zijn. Beantwoording van die vraag wordt bemoeilijkt doordat van het begrip verlofstelsel sterk uiteenlopende definities worden gehanteerd. De tweede voorvraag betreft dus de betekenis van het begrip verlofstelsel. Dit boek tracht op beide voorvragen een antwoord te geven en onderwerpt het Nederlandse strafprocesrecht daarbij aan kritische beoordeling. De hoofdvraag die in dit boek centraal staat is: in hoeverre zijn verlofstelsels in hoger beroep en cassatie in Nederlandse strafzaken met het oog op verdragsrecht toelaatbaar?
Om deze vraag te beantwoorden is onderzoek gedaan naar wetgeving, literatuur en in het bijzonder naar nationale en internationale rechtspraak (circa vierduizend uitspraken over verdragsrecht; enkele honderden uitspraken over Nederlands strafrecht). Centraal staan daarbij het recht op review van een strafrechtelijke veroordeling uit artikel 14 lid 5 IVBPR en artikel 2 Zevende Protocol EVRM (2 P7 EVRM), alsook naar het recht op een eerlijk proces uit artikel 6 EVRM. Uit het nationale (straf)recht komen primair aan bod: het in 2007 ingevoerde verlofstelsel in hoger beroep uit artikel 410a Sv, het in 2012 voor cassatie ingevoerde artikel 80a RO en de regeling omtrent de invloed van grieven en cassatiemiddelen op de ontvankelijkheid van het beroep. De bestaande literatuur behandelt de genoemde (inter)nationale regelgeving weliswaar in het algemeen – vaak summier – maar de specifieke vraag naar de toelaatbaarheid van verlofstelsels komt daarin nauwelijks aan bod.
Hoofdstuk 2 behandelt de conceptuele vraag naar de betekenis van het begrip verlofstelsel. Bezien is welke definities van dit begrip in de bestaande literatuur worden gebruikt en getracht is om te komen tot een definitie die de diverse omschrijvingen afdekt.
De omschrijving van het begrip verlofstelsel in de bestaande literatuur loopt in twee opzichten uiteen. Onenigheid bestaat ten eerste over het object van de verlofbeslissing. Beslist de rechter in een verlofstelsel over de vraag of een beroep in behandeling wordt genomen, of het (inhoudelijk) wordt beoordeeld, of op het beroep een inhoudelijke beslissing wordt gegeven, dan wel of toegang tot beroep kan worden verkregen? Onduidelijk is ten tweede of de rechter over de behandeling/beoordeling/ontvankelijkheid van het beroep beslist volgens enige verlofmaatstaf, of hij in vrijheid bepaalt of behandeling/ beoordeling zal plaatsvinden dan wel of een verlofstelsel gekenmerkt wordt door een afgescheiden en aan de reguliere behandeling van het beroep voorafgaande beslissing over de behandeling/beoordeling etc. van het beroep.
Na behandeling van drie onbruikbare oplossingen voor dit conceptuele probleem, is in hoofdstuk 2 een eigen definitie van het begrip verlofstelsel voorgesteld. Ten eerste is ervoor gekozen een verlofstelsel te definiëren in termen de ontvankelijkheid van een hoger beroep of beroep in cassatie. Een tweede stap is gezet door drie ‘verlofachtige’ aspecten van ontvankelijkheidsbeoordeling als zodanig centraal te stellen: inhoudelijke, vrije en afgescheiden toegangsbeoordeling. Het gaat hierbij respectievelijk om de vraag of (i) de toegang tot beroep mede wordt beoordeeld op grond van een prognose van de slagingskans van het beroep; (ii) de toegang tot beroep discretionair of volgens beoordelingsvrije criteria wordt bepaald; en (iii) de toegang tot beroep wordt behandeld of onderzocht binnen een afgescheiden procedureel kader. Ten derde is ervoor gekozen het woord ´verlofstelsel´ als homoniem te beschouwen, dat wil zeggen als een woord dat meer dan één begrip aanduidt, namelijk zowel inhoudelijke verlofstelsels als vrije verlofstelsels. In een inhoudelijk verlofstelsel wordt binnen een afgescheiden procedureel kader beslist over de ontvankelijkheid van het beroep op grond van een prognose over de slagingskans van het beroep (combinatie afgescheiden en inhoudelijke toegangsbeoordeling). In een vrij verlofstelsel wordt binnen een afgescheiden procedureel kader beslist over de ontvankelijkheid van het beroep op grond van een discretionair of beoordelingsvrij criterium (combinatie afgescheiden en vrije toegangsbeoordeling).
Op basis van deze definities kunnen in het Nederlandse strafrecht drie verlofstelsels worden onderscheiden. Ten eerste artikel 410a Sv, dat gelet op de wettelijke omschrijving een combinatie bevat van vrije en afgescheiden toegangsbeoordeling. Ten tweede artikel 80a RO, dat een combinatie van alle drie de vormen van toegangsbeoordeling lijkt te bevatten. En ten derde kunnen de verschillende regels omtrent het bezwaarvereiste in hoger beroep en cassatie als inhoudelijke, vrije en afgescheiden toegangsbeoordeling worden beschouwd.
Hoofdstuk 3 gaat in op de vraag welke eisen het mensenrecht op review van een strafrechtelijke veroordeling stelt aan rechtsmiddelen in het algemeen en verlofstelsels in het bijzonder. De voor Nederland relevante artikelen 14 lid 5 IVBPR en 2 Zevende Protocol EVRM staan daarbij centraal.
Het recht op beroep is volgens beide bepalingen van toepassing indien een persoon door een gerecht is veroordeeld voor een strafbaar feit. Onder het IVBPR moet voorts beroep openstaan tegen een veroordeling gegeven door een hogere instantie na een volledige vrijspraak in de daaraan voorafgaande instanties. Onder het EHRM is het recht op beroep op dit soort eerste veroordelingen in tweede of derde instantie niet van toepassing. Verder zijn – als gevolg van voorbehouden – excepties mogelijk voor veroordeelden die in eerste en enige instantie door een forum privilegiatum worden berecht en voor bagatelfeiten of – straffen.
Indien het recht op beroep van toepassing is, moet de veroordeling op verzoek van de veroordeelde gecontroleerd kunnen worden door een hoger gerecht. Wijziging van een veroordeling door exact dezelfde rechter telt niet als controle door een hoger gerecht. Op basis van het IVBPR en het EVRM moet een veroordeelde waarschijnlijk zowel de schuldvaststelling als de sanctieoplegging aan een hoger gerecht kunnen voorleggen. Mogelijk alleen in bijzondere gevallen mag de wetgever de omvang van het beroep beperken, bijvoorbeeld bij een bekennende verdachte (strafmaatappel).
Het recht op review vereist onder het IVBPR enerzijds geen nieuwe feitelijke beoordeling van de tenlastelegging. Een review mag worden gegeven op grond van de reeds beschikbare stukken, zonder dat nader feitenonderzoek wordt verricht. Anderzijds vereist artikel 14 lid 5 IVBPR wel dat de beroepsrechter niet alleen op juridische gronden de bestreden uitspraak beoordeelt, doch tevens het bewijs opnieuw taxeert en bovendien de procesgang in eerdere aanleg in ogenschouw neemt. Daarbij mag de beroepsrechter de bestreden in de rechtsmiddelcontrole tot uitgangspunt nemen, maar mag hij tegelijkertijd die uitspraak niet louter op grond van nieuwe informatie controleren. Hetzelfde geldt voor toetsing aan het recht. Deze toetsing mag niet tot zeer specifieke gronden worden beperkt, maar het lijkt wel toelaatbaar om in beroep alleen standpunten te behandelen die reeds in eerste aanleg zijn opgeworpen.
Onder het EVRM worden aan de review in beroep nauwelijks eisen gesteld. Voorop staat volgens het EHRM de aan landen toekomende beoordelingsruimte bij de vormgeving van beroep. Beperkingen op het recht op beroep moeten volgens het kader uit de uitspraak Krombach/Frankrijk voldoen aan eisen van legaliteit, legitimiteit en waarschijnlijk ook proportionaliteit. Aan deze eisen geeft het EHRM in de praktijk echter nauwelijks betekenis. Van de circa tweehonderd zaken waarin het EHRM een klacht over artikel 2P7 EVRM heeft behandeld, is slechts in ongeveer vijftien gevallen een schending vastgesteld. Dat betrof gevallen waarin geheel geen beroep openstond, de bagateldrempel te hoog was gelegd of klachten over het zogeheten supervisory review uit onder meer Armenië.
De behandeling van het beroep wordt door het recht op review nauwelijks genormeerd. Uit artikel 14 lid 5 IVBPR vloeit een recht voort op beschikbaarheid van de uitspraak en het proces-verbaal van de vorige aanleg, maar dat recht is mogelijk alleen van toepassing indien kennisneming van dergelijke stukken voor de effectiviteit van het recht op beroep ook daadwerkelijk noodzakelijk is.
Voor de toelaatbaarheid van inhoudelijke en vrije verlofstelsels is ten slotte vooral de rechtspraak over leave to appeal systems van belang. Het CRM omschrijft leave to appeal in algemene termen als “a system not allowing for automatic right to appeal”. Net als het EHRM heeft het CRM daarbij nader beschouwd het oog op inhoudelijke en vrije toegangsbeoordeling. Het CRM aanvaardt verlofstelsels als vorm van review, mits de verlofbeoordeling daadwerkelijk een beoordeling van de inhoud van de strafzaak behelst. Alleen inhoudelijke verlofstelsels zijn dus toegelaten, en binnen dat kader moet voorts een volledige controle van de bestreden uitspraak plaatsvinden, van zowel feitelijke als juridische beslissingen en van zowel de schuldigverklaring als de straf. Dat dergelijke intensieve controle heeft plaatsgevonden, moet bovendien blijken uit een duidelijke motivering. Evenals cassatie en andere beperkingen op de controle in beroep, acht het EHRM leave to appeal zonder meer acceptabel. Ook vrije verlofbeoordeling wordt als review in de zin van artikel 2 Zevende Protocol EVRM beschouwd. Over afgescheiden toegangsbeoordeling als zodanig bestaat onder beide verdragsrechten op beroep nauwelijks jurisprudentie. Niet uitgesloten is dat de beoordeling van de toegang tot beroep aan een ander orgaan mag worden overgelaten dan de beroepsrechter zelf.
Hoofdstuk 4 betreft de normering van rechtsmiddelen en verlofstelsels door het recht op een eerlijk proces uit artikel 6 EVRM. Die bepaling lijkt ondanks tegenstrijdige rechtspraak uit het verleden thans van toepassing te zijn op verlofstelsels – voor gewone rechtsmiddelen in het algemeen is dit reeds lang duidelijk.
Voor de toelaatbaarheid van ontvankelijkheidsvereisten heeft het EHRM onder artikel 6 EVRM een jurisprudentieel beoordelingskader ontwikkeld. Sinds de zaak Golder/Verenigd Koninkrijk leest het Hof een recht op access to court in artikel 6 EVRM, welk recht ook van toepassing is op gewone rechtsmiddelen. Dat wil zeggen, als volgens nationaal recht een rechtsmiddel openstaat, dan moet dat rechtsmiddel ook daadwerkelijk toegankelijk zijn, zij het dat beperkingen toelaatbaar zijn. Restrictie van de toegang tot beroep moet uiteraard aan enkele beperkingsvoorwaarden voldoen (legitimiteit, kernrechtbescherming, proportionaliteit, legaliteit). In de praktijk wordt dit beoordelingskader nogal gereserveerd toegepast. Indien aan het legaliteitsvereiste is voldaan, volstaat het Hof vaak met een tamelijk open en terughoudende redelijkheidstoets. Aldus zijn ontvankelijkheidseisen ten aanzien van grieven, termijnen, griffierechten en verplichte procesvertegenwoordiging in beginsel aanvaardbaar, behoudens illegale of volstrekt onredelijke toepassing. De rechtspraak van het EHRM geeft in het bijzonder ook blijk van goedkeuring van inhoudelijke en vrije toegangsbeoordeling. In sommige zaken acht het Hof daarbij de omstandigheden van het geval van belang, zoals dat de toegangscriteria zijn in rechtspraak verduidelijkt, de afwijzing van toegang deugdelijk is gemotiveerd of aan toegangsweigering in cassatie twee feitelijke instanties vooraf zijn gegaan.
Ook aan het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het beroep – en dus naar verlofverlening – stelt het EHRM onder artikel 6 EVRM enkele eisen. Onder het vereiste van onpartijdigheid kan problematisch zijn dat een rechter uit een beroepsgerecht bij inhoudelijke verlofbeoordeling eerst een (marginaal) inhoudelijk oordeel over het beroep velt, en vervolgens deelneemt aan de inhoudelijke beslissing op het beroep. Hetzelfde geldt voor inhoudelijke toegangsbeoordeling door de rechter a quo, tegen wiens oordeel mogelijk beroep open dient te staan. Of ter voorbereiding op de behandeling van het beroep een uitspraak en proces-verbaal van de vorige instantie beschikbaar moet worden gemaakt, hangt onder artikel 6 EVRM af van een vijftal factoren, waaronder de mogelijkheid om nog na beschikbaarstelling van uitspraak en proces-verbaal grieven te formuleren. De betekenis van dit recht voor verlofstelsels hangt mede af van hoe het onderzoek naar de toegangsvoorwaarden is vormgegeven. Verder vereist het EHRM geen openbare zitting voor leave to appeal proceedings, onafhankelijk van het precieze karakter van de verlofmaatstaf. Ook stelt het EHRM nauwelijks eisen aan de motivering van verlofbeslissingen, in het bijzonder in laatste nationale instantie. Keer op keer worden klachten over de motivering van weigering van leave to appeal afgewezen, behoudens in een tweetal uitzonderlijke zaken (Hansen/Noorwegen en Bar-Bau/Polen).
Een wezenlijk verschil tussen het recht op beroep en het recht op een eerlijk proces is dat artikel 6 EVRM nauwelijks de inhoud van het onderzoek in beroep normeert. Wel garandeert artikel 6 EVRM dat de procespartijen mondeling of schriftelijk standpunten over de rechtszaak aan een gerecht kunnen overleggen, en dat een gerecht naar deze standpunten een proper examination uitvoert. In de Straatsburgse praktijk lijkt het recht op proper examination van een zaak vooral een gelegenheidsmaatstaf waarmee het Hof zijn onvrede uitdrukt over de grondigheid of de validiteit van de nationale berechting van een zaak of beroep.
Indien het EHRM een voorziening in beroep als leave to appeal kenmerkt, past het dus een betrekkelijk terughoudende toetsing toe. Die coulance heeft een keerzijde waar het de mogelijkheid betreft voor herstel van eerlijk-procesverzuimen in eerdere aanleg. In het algemeen geldt dat in hoger beroep of cassatie dergelijke verzuimen kunnen worden hersteld, ofwel door de geschonden rechten in acht te nemen, ofwel door met full jurisdiction de bestreden uitspraak te controleren dan wel een retrial uit te voeren of te gelasten. In de weinige uitspraken over herstel door leave to appeal komt het EHRM evenwel steeds tot vaststelling van een schending. Zonder naar de precieze kenmerken van de betreffende verlofstelsels te verwijzen, oordeelt het Hof dat dergelijke toegangsbeoordeling een schending van artikel 6 EVRM uit eerdere aanleg niet kan herstellen.
De ruimte die artikel 6 EVRM laat voor inhoudelijke of vrije verlofstelsels is dus in beginsel groot, maar toch ook ongewis. Schending van artikel 6 EVRM door toepassing van een verlofstelsel is wel degelijk mogelijk. Een illustratie van deze conclusie is de uitspraak van het EHRM in de zaak Lalmahomed/Nederland uit 2011. In deze uitspraak geeft het EHRM over het verlofstelsel van artikel 410a Sv in het algemeen geen oordeel. Ook over de specifieke aspecten ervan struikelt het Hof in deze uitspraak niet. Het EHRM is volgens mij in deze zaak vooral kritisch op de onredelijke uitkomst in de concrete zaak, omdat ernstige twijfel rijst over de juistheid van de veroordeling. De algemene betekenis van het oordeel van het EHRM in deze zaak lijkt daarom beperkt.
Hoofdstuk 5 gaat in het bijzonder over de regels omtrent het opgeven van bezwaren als ontvankelijkheidsvereiste. Samengevat geldt tegenwoordig dat voorafgaand aan behandeling van het beroep bij schriftuur, en voor de verdachte in hoger beroep nog ter zitting, bezwaren tegen de bestreden uitspraak moeten worden opgegeven (art. 410 en 416 Sv; art. 437 Sv). De veronachtzaming van de eis (een schriftuur met) ‘grieven’ of ‘middelen’ tegen de bestreden uitspraak op te geven, moet of kan met niet-ontvankelijkverklaring van het beroep worden bestraft. Het is de verwachten dat dit vereiste in de toekomst in zowel hoger beroep als cassatie een nog belangrijkere rol zal spelen.
Voor inhoudelijke toegangsbeoordeling is het bezwaarvereiste in potentie geschikt, namelijk indien in dat vereiste niet alleen formele maar ook inhoudelijke vereisten aan de bezwaren worden ingelezen (deugdelijk; gemotiveerd; op eerste gezicht kansrijk). Noch in hoger beroep, noch in cassatie is hiervan thans sprake – buiten artikel 80a RO. Het grievenvereiste in hoger beroep en het middelenvereiste in cassatie blijven daarom in dit opzicht ruim binnen de grenzen van het verdragsrecht. Onder artikel 6 EVRM laat het EHRM namelijk toe dat nationaal recht vereist dat bezwaren in beroep voldoende precies zijn, een uiteenzetting bevatten van de relevante feiten, verwijzen naar beweerdelijk geschonden regels en een verzoek om een wenselijke uitkomst bevatten.
Vrije toegangsbeoordeling wordt mogelijk gemaakt door artikel 416 Sv, aangezien de appelrechter het hoger beroep niet-ontvankelijk ‘kan’ verklaren als niet bij schriftuur of op de zitting grieven zijn opgegeven. De vrijheid van artikel 416 Sv is weliswaar een vrijheid die zich alleen in bepaalde gevallen voordoet, namelijk indien niet of niet tijdig grieven zijn ingediend, maar binnen dat beperkte toepassingsbereik is de discretionaire ruimte voor de appelrechter nagenoeg onbeperkt. De toelatingsvrijheid van artikel 416 Sv wordt in de praktijk soms met inhoudelijke beoordeling ingevuld, maar dit gebeurt niet structureel. Indien artikel 416 Sv in termen van leave to appeal wordt bezien, is de aanvaardbaarheid van deze bepaling twijfelachtig. In hoger beroep is volgens artikel 14 lid 5 IVBPR immers inhoudelijke verlofbeoordeling vereist als van een verlofvoorziening sprake is. Het ligt volgens mij echter meer voor de hand de beleidsvrijheid van artikel 416 Sv als voor de burger positieve relativering te beschouwen van een overigens toelaatbaar bezwaarvereiste, binnen welk perspectief niet van verdragsschending sprake zal zijn.
In hoger beroep bestaat voorts de mogelijkheid het onderzoek ter zitting zeer kort en niet-inhoudelijk te laten plaatsvinden indien geen grieven zijn ingediend. Dit is niet in strijd met het recht op een eerlijk proces. Dit geldt evenzeer voor de mogelijkheid om een beroep in cassatie enkelvoudig en zonder conclusie af te doen indien niet tijdig een schriftuur met middelen van cassatie is ingediend.
Hoofdstuk 6 is geconcentreerd op de toelaatbaarheid van het verlofstelsel in hoger beroep van artikel 410a Sv. Dit verlofstelsel voorziet in schriftelijke verlofbeoordeling door één raadsheer voor een categorie van strafzaken binnen een beperkt toepassingsbereik. Na behandeling in eerste aanleg toetst de zogenoemde voorzitter of behandeling in hoger beroep in het belang van een goede rechtsbedeling is vereist. Verlofweigering heeft tot gevolg dat de strafzaak finaal is afgehandeld, verlofverlening brengt mee dat de zaak in hoger beroep aanhangig wordt gemaakt.
De open maatstaf van de goede rechtsbedeling biedt op het eerste gezicht ruimte voor vrije toegangsbeoordeling. Volgens de wetsgeschiedenis moet de verlofvoorzitter zich evenwel hoofdzakelijk afvragen of het oordeel uit eerste aanleg in hoger beroep waarschijnlijk zal worden vernietigd. Is dat het geval, dan moet verlof worden verleend. Zal het beroep naar het oordeel van de voorzitter niet-ontvankelijk worden verklaard of niet leiden tot verandering van de bestreden uitspraak, dan moet verlof in beginsel worden geweigerd. Daarnaast bestaat voor de voorzitter de ruimte om op grond van overige kenmerken van de zaak verlof te verlenen, bijvoorbeeld als de zaak bijzondere aandacht van de media heeft gekregen.
Onder het recht op beroep is het verlofstelsel van artikel 410a Sv problematisch omdat de beoordeling van verlof tot hoger beroep strikt inhoudelijk moet zijn. Volgens artikel 14 lid 5 IVBPR moet verlofbeoordeling in hoger beroep zowel de inhoud als de totstandkoming van de bestreden uitspraak betreffen, en moet deze beoordeling gebaseerd kunnen worden op stukken uit de vorige aanleg, inclusief een vonnis. Op grond van het open wettelijke verlofcriterium van artikel 410a Sv en de vaak door de verlofrechter gegeven standaardmotivering wordt evenwel uit verlofbeschikkingen in beginsel niet duidelijk dat de verlofbeoordeling inhoudelijk van aard is geweest. Aanvullende motivering kan twijfels hierover wegnemen, maar het verlofcriterium zelf duidt veeleer op vrije toegangsbeoordeling. De oordelen van het CRM in de zaken Mennen/Nederland en Timmer/Nederland betreffen zo bezien waarschijnlijk geen uitzonderlijke gevallen, maar raken de kern van het verlofstelsel van artikel 410a Sv.
Onder het recht op een eerlijk proces is het verlofstelsel van artikel 410a Sv eveneens problematisch. Hoewel het EHRM het aanwezigheidsrecht voor verlofbeoordeling abstract beoordeelt en daarop steevast uitzonderingen toelaat, moet verlofbeoordeling wel voldoende grondig zijn en voorzien zijn van een adequate motivering. Dit betreft nogal casuïstische vereisten, maar de zaak Lalmahomed/Nederland laat zien dat het verlofstelsel in hoger beroep in dit opzicht kwetsbaar is.
Kernachtig geformuleerd is het verlofstelsel in hoger beroep vanuit verdragsrechtelijk oogpunt precies verkeerd vormgegeven: summiere procedurele waarborgen zijn gekoppeld aan een waarschijnlijk inhoudelijk bedoeld maar open in de wet geformuleerd verlofcriterium. Wat in hoger beroep juist nodig is, is strikt inhoudelijke verlofbeoordeling met een daarop afgestemde zorgvuldige en eerlijke procedure.
Hoofdstuk 7 betreft het in 2012 voor cassatie ingevoerde artikel 80a RO. Bij de totstandkoming van artikel 80a RO heeft de wetgever de bepaling nadrukkelijk niet als verlofstelsel betiteld. Gesproken werd van een ‘selectiemechanisme’ of ‘selectie aan de poort’. In de terminologie van dit boek kan artikel 80a RO wel degelijk als verlofstelsel worden gekwalificeerd. Het artikel voorziet namelijk in de combinatie van inhoudelijke dan wel vrije toegangsbeoordeling met afgescheiden toegangsonderzoek.
Artikel 80a RO geeft aan de Hoge Raad de mogelijkheid een cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren indien de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden. Over het karakter van de verlofbeoordeling is de wetsgeschiedenis verre van duidelijk. Dit betekent dat enige toepassing van artikel 80a RO niet snel in strijd komt de met de geopenbaarde bedoelingen van de wetgever. Deze ruimte heeft de Hoge Raad in de overzichtsarresten van 2012 en 2016 in zekere zin ook erkend. De Hoge Raad behoudt zich voorts de mogelijkheid voor het toepassingsbereik van artikel 80a RO door de jaren heen te veranderen.
Van klachten die niet tot cassatie kunnen leiden is volgens de overzichtsarresten in elk geval sprake indien deze klachten ten eerste de kenmerken van het rechtsmiddel cassatie miskennen of indien ten tweede geen cassatiegrond van toepassing is. Onvoldoende belang bij cassatie bestaat ten eerste als het cassatieberoep is gericht tegen een beslissing die degene die het beroep heeft ingesteld niet belast. Of onvoldoende belang bestaat bij het beroep in de zin van artikel 80a RO komt in de rechtspraak ten tweede en vooral aan op de vraag of de insteller van het beroep in wezen niet voldoende rechtens te respecteren belang had bij vernietiging van de bestreden uitspraak en bij een eventuele nieuwe behandeling na de terug- of verwijzing van de zaak. Relevante subcriteria lijken onder meer de subsidiariteit van het cassatieberoep, rechtsverwerking, de vraag of van nadeel sprake is, de vraag of een wezenlijk of significant andere uitkomst bereikt zal worden door nieuwe feitelijke behandeling (proportionaliteit van het cassatieberoep) en de vraag of de cassatieschriftuur een toelichting op het belang bij behandeling in cassatie bevat. Bij dit alles is het wettelijk vereiste van klaarblijkelijkheid van betrekkelijk belang.
Het onderzoek naar artikel 80a RO wijkt op een aantal punten van de reguliere cassatieprocedure af. Afgezien kan worden van het nemen van een conclusie, de reactie daarop door procespartijen en de mondelinge of schriftelijke toelichting op de schriftuur. Ook wat betreft kennisneming van stukken bestaat verschil. Bij 80a-afdoening hoeft geen kennis te worden genomen van een incidenteel beroep of de schriftuur van de benadeelde partij. Enkele raadpleging van de schriftuur van de insteller van het beroep – waarin bovendien onder omstandigheden een toelichting op het belang moet worden opgenomen – is soms voldoende. Bovendien is het toepassingsbereik van de mogelijkheid tot verkort motiveren met artikel 80a RO verruimd ten opzichte van artikel 81 RO.
Het recht op beroep uit artikel 14 lid 5 IVBPR en artikel 2P7 EVRM is voor de meeste beroepen in cassatie niet van belang. Beide verdragsbepalingen garanderen immers slechts eenmalig beroep tegen een veroordeling, terwijl aan een beroep in cassatie in Nederland in de meeste gevallen hoger beroep vooraf gaat. Dit is anders indien rechtstreeks tegen een rechtbankvonnis cassatie wordt ingesteld en indien na een vrijspraak in eerste aanleg voor het eerst in hoger beroep een veroordeling wordt uitgesproken. In deze gevallen fungeert de Hoge Raad immers als eerste beroepsinstantie tegen een veroordeling. En volgens artikel 14 lid 5 IVBPR moet tegen elke eerste veroordeling beroep openstaan, ongeacht in welke instantie deze is gegeven.
Een schending van artikel 6 EVRM zou voorts kunnen plaatsvinden in gevallen waarin de Hoge Raad artikel 80a RO toepast terwijl de redelijke termijn voor afhandeling van een strafzaak in het geding is. Indien het EHRM het niet nemen van een conclusie van het parket opvat als een impliciet advies over afdoening van het cassatieberoep valt schending van het equality of arms-beginsel niet uit te sluiten. Twijfel kan ook bestaan over de aanvaardbaarheid van het toelichtingsvereiste onder artikel 80a RO. Tot slot geldt voor leave to appeal proceedings weliswaar dat het EHRM het motiveringsvereiste terughoudend beoordeelt, maar in de toelichting op artikel 80a RO is het karakter van die bepaling als verlofstelsel juist uitdrukkelijk ontkend. Vooral in zaken waarin het oordeel over de schuld van de verdachte in redelijkheid kan worden betwijfeld, is daarom niet ondenkbaar dat het EHRM een schending vaststelt van het motiveringsvereiste of de eis van proper examination.
Hoofdstuk 8 bevat de conclusies van het onderzoek, aangevuld met enkele aanbevelingen en beschouwingen. Steeds is hierbij uitgegaan van de begripsbepaling uit hoofdstuk 2 van dit boek.
Met inachtneming van enkele voorbehouden kunnen uit het verdragsrecht voor Nederland zes algemene conclusies worden getrokken: (1) in hoger beroep kan alleen inhoudelijke verlofbeoordeling worden aanvaard; (2) in cassatie is in beginsel zowel een inhoudelijk als een vrij verlofstelsel acceptabel. Dit is alleen anders indien na vrijspraak in eerste aanleg de verdachte voor het eerst in hoger beroep wordt veroordeeld, omdat het recht op beroep uit artikel 14 lid 5 IVBPR ook van toepassing is na een eerste veroordeling in hoger beroep; (3) indien een inhoudelijk verlofstelsel van toepassing is, moet de inhoudelijke beoordeling van het beroep worden waargemaakt (beschikbaarheid stukken; motivering etc.); (4) aan de toepassing van een vrij verlofstelsel stelt het verdragsrecht nauwelijks eisen – mits niet in hoger beroep toegepast; (5) overdracht van verlofbeoordeling aan een bijzondere kamer van het beroepsgerecht, de iudex a quo of niet-rechterlijke ambtenaren (afgescheiden toegangsbeoordeling) is beperkt toelaatbaar; (6) de verlofrechter dient verlof te verlenen indien in de vorige aanleg het recht op een eerlijk proces niet in acht is genomen.
In het verlengde van deze conclusies is betoogd is dat ratificatie van het Zevende Protocol bij het EVRM wenselijk is en eventueel met een voorbehoud gepaard kan gaan. Voorts is het volgens mij wenselijk dat het EHRM de toepassing van verlofstelsels minder abstract gaat beoordelen en net als het CRM onderscheid gaat maken tussen inhoudelijke en vrije verlofstelsels. De rechtspraak van het EHRM over het vereiste van een openbare zitting in beroep laat zien dat het EHRM het karakter van een rechtsmiddel gerust meer concreet kan beoordelen, en dit lijkt mij gelet op de tekst en ratio van artikel 2P7 EVRM ook wenselijk.
Het verlofstelsel in hoger beroep is gelet op het verdragsrecht in verschillende opzichten problematisch vormgegeven. Hoewel is aangekondigd dat het verlofstelsels van artikel 410a Sv zal worden afgeschaft, is dit verlofstelsel eventueel na ingrijpen van de wetgever wel te redden. Daarnaast is in discussiestukken over de modernisering van het hoger beroep geopperd om aan het voorgestelde grievenstelsel in hoger beroep de mogelijkheid te koppelen voor vereenvoudigde afdoening van appellen met evident ongegronde grieven. In de ogen van het EHRM en het CRM kwalificeert zo’n voorziening waarschijnlijk als leave to appeal. Mits omkleed met voldoende waarborgen is vereenvoudigde afdoening van evident ongegronde appelgrieven onder het verdragsrecht acceptabel, ook voor zware strafzaken. Bepleit is dat, indien zo’n verlofstelsel ingevoerd wordt, onderscheid wordt gemaakt tussen pleitbaar en onpleitbaar ongegronde beroepen, zodat de weigering van verlof een signaalfunctie heeft richting repeat players zoals advocaten en functionarissen van het openbaar ministerie.
Anders dan in hoger beroep kan de Hoge Raad problemen die het verlofstelsel van artikel 80a RO mogelijk opwerpt onder het verdragsrecht met enkele voor de hand liggende maatregelen zelf voorkomen of oplossen. Wetwijziging lijkt mij evenwel in drie gevallen wenselijk. Ten eerste verdient een systeem van facultatief concluderen door het parket bij de Hoge Raad aanbeveling. Ten tweede dient de wetgever de verhouding tussen 80a-afdoe-ning en de reguliere cassatieprocedure duidelijker te markeren en ten derde verdienen de ontvankelijkheidsmaatstaven van artikel 80a RO verduidelijking voor wat betreft de rol van belangen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Omdat de toepasselijkheid van het verdragsrecht op cassatie grotendeels kan worden uitgesloten, bestaat de mogelijkheid het verlofstelsel van artikel 80a RO in cassatie aanzienlijk uit te breiden.
Of dergelijke uitbreiding wenselijk is, in hoger beroep of cassatie, is niet een vraag die in dit boek centraal heeft gestaan. Toch is aan deze normatieve vraag in het slothoofdstuk beperkt aandacht besteed, waarbij vooral de vraag naar de effectiviteit van verlofstelsels centraal heeft gestaan. De gedachte achter verlofstelsels in Nederland en het buitenland is dat een verlofstelsel gerechten in staat stelt om ‘onwaardige’ beroepen vereenvoudigd met toegangsweigering af te doen, zodat als gevolg daarvan meer tijd kan worden besteed aan beroepen die ‘ertoe doen’. Tegen deze achtergrond komt dus de vraag op of verlofstelsels kunnen bijdragen aan werklastverlichting. Op het eerste gezicht is een bevestigend antwoord aannemelijk, omdat bij weigering van verlof de bewerkelijkheid van een zaak immers geringer is. Hierbij kunnen echter twee kanttekeningen worden geplaatst, die mogelijk ook gelden voor de artikelen 410a Sv en 80a RO. Ten eerste loopt een verlofstelsel waarin de verlofprocedure sterk is afgescheiden van de reguliere procedure het risico de totale werklast te verzwaren. De bewerkelijkheid per zaak van verlofweigering is weliswaar laag, maar na verlofverlening kan de bewerkelijkheid juist toenemen, en daarmee de totale werklast. Ten tweede kunnen verlofstelsels de didactische werking van de cassatierechtspraak ten opzichte van zowel de advocatuur als de feitenrechtspraak onder druk zetten, waardoor de instroom aan beroepen toeneemt.