Hof Den Haag, 08-02-2024, nr. 22-003018-22
ECLI:NL:GHDHA:2024:2923
- Instantie
Hof Den Haag
- Datum
08-02-2024
- Zaaknummer
22-003018-22
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHDHA:2024:2923, Uitspraak, Hof Den Haag, 08‑02‑2024; (Hoger beroep)
Cassatie: ECLI:NL:HR:2026:151
Uitspraak 08‑02‑2024
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan diefstal d.m.v. braak. Gepubliceerd naar aanleiding arrest van de Hoge Raad.
Rolnummer: 22-003018-22
Parketnummer: 10-732027-19
Datum uitspraak: 8 februari 2024
TEGENSPRAAK
Gerechtshof Den Haag
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 oktober 2022 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1973,
adres: [woonadres] , [woonplaats] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Procesgang
In eerste aanleg is het aan de verdachte tenlastegelegde bewezenverklaard en bepaald dat aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vordering van de benadeelde partij.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde
De verdachte is door rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 2 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is thans nog tenlastegelegd dat:
1.hij op of omstreeks 26 januari 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een bedrijfspand ( [bedrijfspand] ) (gevestigd aan de [adres] te Rotterdam) goederen, te weten:
-(twaalf) pinpassen,
-(vier) laptop's,
-een kluis, met daarin pincodes en/of een contant geldbedrag (van 17.500,-) en/of een Ledgar Nano en/of (drie) Trecor Wallets en/of waardevolle in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde, te weten aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Vordering van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd met uitzondering van de beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij.
Beoordeling van het vonnis
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven alleen al omdat het hof tot een (deels) andere bewezenverklaring komt dan de eerste rechter.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1. hij op of omstreeks 26 januari 2018 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een bedrijfspand ( [bedrijfspand] ) (gevestigd aan de [adres] te Rotterdam) goederen, te weten:
-(twaalf) pinpassen,
-(vier) laptop's,
-een kluis, met daarin pincodes en/of een contant geldbedrag (van 17.500,-) en/of een Ledgar Nano en/of (drie) Trecor Wallets en/of waardevolle papieren, in elk geval enig goed, die geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorden te weten aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Nadere bewijsoverweging
Anders dan de verdediging acht het hof de relatief scherpe camerabeelden voldoende duidelijk om tot een betrouwbare vergelijking en herkenning te komen. Op die beelden is de verdachte ook goed in het gezicht te zien. Dit brengt mee dat het hof de gemotiveerde herkenningen door de verbalisanten voldoende betrouwbaar acht om deze, in samenhang met het overige bewijs, voor het bewijs te kunnen gebruiken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich, met twee medeverdachten, schuldig gemaakt aan een georganiseerde bedrijfsinbraak waarbij kostbare spullen zijn weggenomen. Met deze handelwijze heeft de verdachte niet alleen ergernis en overlast, maar ook forse financiële schade voor de gedupeerde veroorzaakt. Bovendien dragen feiten als het onderhavige bij aan gevoelens van onveiligheid in de samenleving.
Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 januari 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.
In beginsel rechtvaardigt een dergelijk feit, mede gelet op de LOVS-richtlijnen voor recidiverende daders, de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden.
Het hof stelt evenwel vast dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, nu de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden met bijna 23 maanden.
Vanwege deze overschrijding van de redelijke termijn, en rekening houdend met artikel 63, zal het hof dan ook – in plaats van de hiervoor overwogen gevangenisstraf – een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 2 maanden.
Een schuldigverklaring zonder straf of maatregel, zoals door de rechtbank is bepaald, doet, niettegenstaande de (mate van) overschrijding van de redelijke termijn en de toepasselijkheid van genoemd artikel 63, onvoldoende recht aan de ernst van het feit en de hierdoor veroorzaakte schade.
Vordering tot schadevergoeding [bedrijf 2]
In het onderhavige strafproces heeft [bedrijf 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 bewezenverklaarde tenlastegelegde, tot een bedrag van € 95.124,83.
In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag € 95.124,83.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 32,624,83 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.
Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 17.624,83 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag hoofdelijk worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening.
Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.
Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Proceskosten
Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 2]
Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 17.624,83 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de hoofdelijke verplichting opleggen dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente, aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1] .
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor overwogen.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.
Vordering van de benadeelde partij [bedrijf 2]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van
€ 17.624,83 (zeventienduizend zeshonderdvierentwintig euro en drieëntachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader(s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [bedrijf 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 17.624,83 (zeventienduizend zeshonderdvierentwintig euro en drieëntachtig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 120 (honderdtien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte of zijn mededader(s) aan een van beide betalingsverplichtingen hebben voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 27 januari 2018.
Dit arrest is gewezen door mr. W.J. van Boven, mr. H.C. Plugge en mr. J.M. van der Klooster, in bijzijn van de griffier mr. R. Dieteren.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 februari 2024.
De voorzitter en de jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.