GS Personen- en familierecht, art. 1:255 BW, aant. 6.1:6.1 Geen vrijwillige hulpverlening (meer) mogelijk
GS Personen- en familierecht, art. 1:255 BW, aant. 6.1
6.1 Geen vrijwillige hulpverlening (meer) mogelijk
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. dr. K.A.M. van der Zon, actueel t/m 11-03-2025
Actueel t/m
11-03-2025
Tijdvak
01-08-2016 tot: -
Auteur
mr. dr. K.A.M. van der Zon
Vindplaats
GS Personen- en familierecht, art. 1:255 BW, aant. 6.1
Het gezag van ouders moet alleen dan beperkt kunnen worden als de ontwikkelingsbedreiging van het kind niet op minder ingrijpende wijze kan worden weggenomen. Slechts voor het geval dat op basis van medewerking en overleg geen of geen voldoende verbetering is of kan worden bereikt, zal de mogelijkheid moeten bestaan om, zo nodig tegen de wil van de ouders, in te grijpen in het belang van de minderjarige, (Kamerstukken II 1993/94, 23003, 3, p. 11). Dit betekent dat de Raad voor de Kinderbescherming in zijn verzoek moet aangeven welke andere middelen tevergeefs zijn aangewend om de bedreiging ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
GS Personen- en familierecht, art. 1:255 BW, aant. 6.1
6.1 Geen vrijwillige hulpverlening (meer) mogelijk
mr. dr. K.A.M. van der Zon, actueel t/m 11-03-2025
11-03-2025
01-08-2016 tot: -
mr. dr. K.A.M. van der Zon
GS Personen- en familierecht, art. 1:255 BW, aant. 6.1
Personen- en familierecht / Gezag en omgang
Personen- en familierecht / Kinderbescherming
ondertoezichtstelling
Burgerlijk Wetboek Boek 1 artikel 255
Het gezag van ouders moet alleen dan beperkt kunnen worden als de ontwikkelingsbedreiging van het kind niet op minder ingrijpende wijze kan worden weggenomen. Slechts voor het geval dat op basis van medewerking en overleg geen of geen voldoende verbetering is of kan worden bereikt, zal de mogelijkheid moeten bestaan om, zo nodig tegen de wil van de ouders, in te grijpen in het belang van de minderjarige, (Kamerstukken II 1993/94, 23003, 3, p. 11). Dit betekent dat de Raad voor de Kinderbescherming in zijn verzoek moet aangeven welke andere middelen tevergeefs zijn aangewend om de bedreiging ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.