Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/24.4.3
24.4.3 Wet Digitale Overheid
F. Çapkurt, prof. mr. Y.E. Schuurmans, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
F. Çapkurt, prof. mr. Y.E. Schuurmans
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Consultatieversie Wet modernisering elektronisch verkeer, p. 8 (MvT).
Het voorontwerp voor een wijziging van afdeling 2.3 is in 2016 in internetconsultatie gegaan, zie https://www.internetconsultatie.nl/wet_modernisering_elektronisch_bestuurlijk_verkeer/details. In 2017 is de Raad van State om advies gevraagd; het wetsvoorstel is op moment van schrijven nog niet bij de Tweede Kamer ingediend.
Art. 2:14, lid 2 Awb Consultatieversie Wet modernisering elektronisch verkeer.
Zie voor bespreking en andersoortige kritiek o.a. P.E.M. Franssen, ‘De Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer’, Praktisch Bestuursrecht 2016, afl. 4; A.M. Klingenberg, ‘De Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer; op weg naar moderne overheidscommunicatie?’, Computerrecht 2017/99, afl. 3, p. 145-151; en het verslag van de VAR studiemiddag van Marga Groothuis & Rianne Jacobs, ‘Modernisering van het elektronisch bestuurlijk verkeer’, NTB 2016/30, p. 228-234.
Aardig is om eens te kijken in het voorstel tot een Europese Awb, waarin het belang van behoorlijk functionerende websites meer is doordacht. Zie art. 28, neergelegd in Resolutie 2016/2610(RSP). Bestuursorganen hebben de taak om zoveel als mogelijk op speciaal daarvoor ontworpen websites up-to-date online-informatie over administratieve procedures te verstrekken. In art. 28 wordt verder ingevuld welke online informatie een bestuursorgaan minimaal dient te verstrekken, zoals een korte beschrijving van de belangrijkste wettelijke eisen, juridische stappen, een link naar toepasselijke regelgeving en webformulieren waarvan gebruik kan worden gemaakt. Het artikel laat zien dat bij regeling van de generieke digitale infrastructuur heel goed rechten van de burger kunnen worden opgenomen. Zo bevat het voorstel tot art. 28, lid 3, de regel dat informatie op websites op duidelijke en eenvoudige wijze moet worden gepresenteerd en dat alle informatie zonder vergoeding toegankelijk moet zijn.
Kamerstukken II, 2017/18, 34972 (Wet Digitale Overheid, eerder ‘Wet Generieke Digitale Infrastructuur’ genoemd), ingediend op 19 juni 2018. De Wet zal, net als de Awb, in tranches tot stand komen.
Zie Kamerstukken II, 2017/18, 34972, 3, par. 8.1. Die dienstverlening kan het bestuursorgaan dan alleen aanbieden met gebruik van op grond van de WDO toegelaten identificatiemiddelen. ‘Het aanwijzen van een betrouwbaarheidsniveau kan worden aangemerkt als een invulling van de bevoegdheid van art. 2:15, tweede lid, Awb om aan het gebruik van een kanaal nadere eisen te stellen.’
En voor bij Besluit aangewezen andere organisaties, Kamerstukken II, 2017/18, 34972, 3, par. 3.4.
Die randvoorwaarden volgens deels uit de AVG, waarop de Wet Digitale Overheid is afgestemd. Op basis van art. 15 AVG hebben burgers recht op rectificatie en verwijdering van persoonsgegevens. Hoe dat zijn beslag zal krijgen, moet nog volgen uit uitvoeringsregelgeving, zie Kamerstukken II, 2017/18, 34972, 3, par. 4.
Zie ook het Advies van de Raad van State, Kamerstukken II, 2017/18, 34972, A, p. 5. Ook Zwenne & Schmidt 2016, p. 307-385 zien dit als een van de meest kwetsbare punten voor de digitaliserende overheid.
De wetgever is zich er wel van bewust dat de digitale overheid om nadere regulering vraagt. Die digitalisering wordt omarmd, nu zij ‘kansen biedt voor het verbeteren van het gebruiksgemak, de verhoging van de doelmatigheid van de verwerking van gegevens, de vermindering van administratieve lasten en de besparing van kosten’.1 Regulering vindt plaats binnen de Awb in afdeling 2.3 en buiten de Awb in het wetsvoorstel Wet Digitale overheid.
Het voorontwerp2 van afdeling 2.3 geeft burgers het recht op elektronische communicatie met de overheid.3 Daarnaast krijgt de overheid ruimere mogelijkheden om voor enkel digitale bekendmaking te kiezen, namelijk in het geval een besluit niet tot een of meer belanghebbenden is gericht.4Afdeling 2.3 Awb concentreert zich volledig op de individuele communicatie tussen belanghebbende en bestuursorgaan. Juist daar zien wij een substantieel knelpunt.5 Binnen de digitale en datagedreven overheid verwachten wij dat generieke informatievoorziening via websites6 en andersoortige applicaties aan belang zal winnen, wat individuele communicatie tussen ambtenaar en burger per email of berichtenbox minder nodig maakt. Die generieke digitale infrastructuur blijft buiten de Awb.
Het wetsvoorstel ‘Wet Digitale Overheid’7 (WDO) richt zich niet tot burgers en bedrijven, maar tot bestuursorganen die verplicht worden met bepaalde open standaarden te werken en identificatiemiddelen te accepteren. De wet is niet van toepassing op al het elektronisch berichtenverkeer van afdeling 2.3 Awb, maar meer specifiek op elektronische dienstverlening waarvoor een betrouwbaarheidsniveau substantieel of hoog geldt.8 Lastig is dat wederom het toepassingsbereik afwijkt van de Awb; de WDO geldt in beginsel alleen voor a-bestuursorganen.9 Zo ontstaat een gedifferentieerd kader voor de regulering van data in het publieke domein. Doordat de WDO zich primair tot bestuursorganen richt, wordt weinig doordacht in welke mate burgers aanspraak kunnen maken op bepaalde digitale diensten en wat daarbij belangrijke randvoorwaarden zijn.10 Zo geeft artikel 10 WDO aan dat de gebruiker van een toegelaten identificatiemiddel alle nodige maatregelen moet treffen om misbruik te voorkomen, maar hoe hij zijn rechtspositie veilig kan stellen en misbruik moet redresseren, blijft ongeregeld.11 De beperking van afdeling 2.3 Awb tot individueel berichtenverkeer maakt dat de Awb weinig richtinggevend zal zijn voor de digitale relatie tussen burger en bestuur. Die wordt mede vormgegeven door de WDO, maar in die wet krijgt de positie van de burger weinig aandacht.