Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/VIII.A
VIII.A. DE ERFRECHTELIJKE VERBINTENIS ALS FAIT ACCOMPLI
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS408213:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In het onderzoek zijn meegenomen de landen Duitsland, Belgie, Zwitserlanden Frankrijk.
Parl. Gesch.Vast. Boek 4, p.772. Het betreft een toelichting op art. 4:123 BW (4.4.2.5a) in het verslag van het mondeling overleg tevens eindverslag. Een bepaling over 'onvoorziene omstandigheden' en de 'maatstaven van redelijkheid en billijkheid' in het erfrecht. De frase over de 'rechtsontwikkeling' in het citaat ziet weliswaar op het bepaalde in art. 6:258 BW (6.5.3.11), maar kan, nu ook de wetgever 'doorschakelt' van 'contractenrecht' naar legaat, mijns inziens eveneens 'symbolisch' gebruikt worden voor de erfrechtelijke verbintenis. De contractuele redelijkheid en billijkheid is immers niet anders dan de erfrechtelijke redelijkheiden billijkheid. De verbintenisrechtelijke wind waait overal even sterk. Ook het erfrecht profiteert mee.
Met het quasi-eenzijdige karakter van art. 7:175 lid 2 BW heeft de wetgever al de eerste stap gezet.
Hetzelfde zou ook gezegd kunnen worden van de 'andere wettelijke rechten', zijhet dat daar het alimentair karakter meer op de voorgrond staat.
Zie bijvoorbeeldart. 3:78 BWen art. 7:424 BW
Art. 4:145 lid2 BW stelt dit buiten twijfel.
Vzr. Rechtbank Arnhem 19 juni 2007, LJN BA9083, gepubliceerdop 9 juli 2007.
De centrale onderzoeksvraag luidde: wat is de ware aard van executele naar nieuw Nederlands erfrecht? Met de methode van het denken in termen van de 'erfrechtelijke verbintenis' in combinatie met de externe rechtsvergelijking1 in Hfdst. I is naar mijn mening de ware aard van executele boven komen drijven. De wetgever heeft in de parlementaire geschiedenis indirect een voorzet gegeven om erfrechtelijke vraagstukken op deze wijze te benaderen. Thans is mij dan ook duidelijk wat de wetgever, ter afsluiting van zijn hierna opgenomen overwegingen, met de uitdagende woorden: '[...] het begin kan vormen van een rechtsontwikkeling, welke zich thans niet laat voorzien' symbolisch, althans wellicht mede als opstapje naar de ontwikkeling van de erfrechtelijke verbintenis, bedoelde aan te geven:2
'Anders ligt het in het geval, dat artikel 5a beoogt te regelen. Door het legaat ontstaat een verbintenisrechtelijke verhouding, welke op een lijn moet worden gezien met de verbintenisrechtelijke verhouding, die uit een overeenkomst ontstaat. Met het oog op het contractenrecht wordt artikel 6.5.3.11 voorgesteld, waarvan de regeling in artikel 5a met het oog op de daarin geregelde materie wordt herhaald. Er zij op gewezen, dat artikel 6.5.3.11 [...] (Curs. BS).'
Zo zou inderdaad (nog) onderzocht kunnen worden in hoeverre de regels van schenking3ook op het legaat kunnen worden toegepast, de regels van koop op het legaat tegen inbreng van de waarde en zou wellicht nog een stap verder kunnen worden gegaan en de vraag worden gesteld in hoeverre de regels van 'onrechtmatige daad' een aanvulling zouden kunnen zijn op de regels met betrekking tot de legitieme portie.4 Op enig moment ontstaat dan een volledige synthese tussen Boek 4 en de overige Boeken van ons Burgerlijk Wetboek. Als de sluizen eenmaal openstaan is het verfrissende verbintenisrechtelijke water niet meer tegen te houden. Een dergelijke benadering ligt overigens in een vermogensrechtelijk stelsel, dat gebaseerd is op een gelaagde structuur,voor de hand, zij het dat deze stap vervolgens ook daadwerkelijk nog gezet dient te worden. Poortjes genoeg, ze hoeven alleen nog maar (ver genoeg) open gezet te worden.5
Het mes snijdt echter aan twee kanten. Door bijvoorbeeld onze geest te verruimen op het gebied van executele kan ook de geest verruimd worden op het gebiedvan privatieve lastgeving en het denken over vertegenwoordiging in het algemeen. Zo heeft dit onderzoek naar mijn mening uitgewezen dat het 'eigen' recht van de executeur niet op gespannen voet hoeft te staan met de aanname dat zijn handelen onmiddellijke vertegenwoordiging tot gevolg heeft.6 Dit handelen dient overigens niet, zoals in buitenlandse rechtsstelsels lijkt te gebeuren, te snel als 'wettelijke vertegenwoordiging' afgedaan te worden, aangezien deze benadering de ruimte voor de invulling van de executele door de autonome wil van erflater miskent. Het is erflater die de aftrap neemt, en de vergelijking kan dan ook worden gemaakt met de 'gevolmachtigde' die ook handelt op basis van de autonome wil van de volmachtgever en derhalve (eveneens) niet als wettelijke vertegenwoordiger is aan te merken.
Hierna nog een enkele, afsluitende opmerking over hoe deze benadering zich, mijns inziens, verhoudt tot het erfrechtelijk gesloten stelsel van uiterste wilsbeschikkingen. Eerst een, althans wat het onderhavige onderzoek be-treft,'laatste' blik op de erfrechtelijke verbintenis.
De term 'erfrechtelijke verbintenis' heeft, het geheel overziende, drie dimensies. Op drie manieren kan zij verklaard worden:
Als denkmodel waarbij met name, maar niet alleen, regels van overeenkom-stenrecht en vertegenwoordiging op een erfrechtelijke rechtsfiguur, zoals bijvoorbeeldexecutele, kunnen worden toegepast om daarmee een zich eventueel manifesterende 'dode' erfrechtelijke hoek nader in te vullen. Dit was de rode draad van het onderhavige onderzoek. Ook al zou de gevonden ware aard geen geldend recht zijn, dan kan de benadering nog steeds dienen als denkmodel. Het erfrechtelijk 'herschrijven' van algemeen vermogensrechtelijke wetsbepalingen kan het denkproces ondersteunen.
Als 'optelsom' oftewel verzameling van 'alle' erfrechtelijke verbintenissen die uit de erfrechtelijke bron 'Boek 4' ontspringen. Denk bijvoorbeeld aan de legitieme portie, de andere wettelijke rechten, het legaat of de testamentaire last. Men zou de erfrechtelijke input in ons vermogensrecht nader in kaart kunnen - of trachten te - brengen, zij het dat verstarring door 'ordening' dient te worden voorkomen.
Symbolisch. Om hiermee aan te geven dat de muur die onder het oude Burgerlijk Wetboek en ook nog daarna tussen Boek 4 en de overige Boeken van ons vermogensrecht 'de facto' is blijven bestaan, dient te worden afgebroken. Het gebruik van woorden als 'erfrechtelijke verbintenis' is bedoeld om dit proces te stimuleren en te versnellen. Het schemergebied eenzijdige erfrechtelijke rechtshandelingen en overeenkomsten kan zo geheel ontsloten worden.
Wie nog steeds moeite heeft met de term erfrechtelijke verbintenis doet er goed aan het, in de dagen dat ik deze slotbeschouwing schreef, gewezen vonnis van de Voorzieningenrechter te Arnhem tot zich te nemen.7 Toeval bestaat niet. De rechter moest in het licht van art. 49 van de Wet op het notarisambt onderzoeken of onder een erfrechtelijke aanspraak voortvloeienduit de wet ook een aanspraak (lees: verbintenis) uit een herroepen uiterste wilsbeschikking kon vallen.
Vanzelfsprekendmoest eerst het karakter van een uiterste wilsbeschikking ontrafeldworden:
'Het karakter van de uiterste wilsbeschikking wordt gekenmerkt door de eenzijdigheid en de werking na overlijden. Blijkens de MvA, nr. 6 , p. 21. Parl. Gesch. Vast, p. 217 wordt een rechtsbetrekking na overlijden beoogd. Tijdens het leven worden geen rechtsbanden geschapen tussen testateur en degene die de testateur wenst te bevoordelen. Kortom: er bestaat tijdens leven geen enkele binding [...]. Hieruit vloeit naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter voort dat het in een testament benoemdzijn tot erfgerechtigde op zichzelf nog geen aanspraak of recht op de erfenis geeft. Die aanspraak ontstaat pas op het moment van het overlijden van de erflater.'
De conclusie was dan ook dat 'een aanspraak uit een herroepen testament (uiterste wilsbeschikking)' niet onder de regeling van art. 49 Wna (inzage in het testament) viel. Uit het feit dat degenen die slechts een 'voorwaardelijke' testamentaire aanspraak hebben, geen recht hebben op inzage in de uiterste wilsbeschikking (anders dan in hun hoedanigheid van versterferfgenamen) blijkt duidelijk het 'geheime', besloten karakter van een in een notariele akte neergelegde uiterste wilsbeschikking.
Let wel: de rechter heeft niet gezegd dat er geen erfrechtelijke verbintenissen bestaan, maar alleen wanneer zij ontstaan: eerst op het moment van overlijden. Dit is het moment waar erfrecht en overeenkomstenrecht elkaar (dreigen te) raken. Wie daarover nog twijfelt, raadpleegt nogmaals art. 4:143 BW.
Daar wordt voor een executele de grens getrokken: 'aanvaarding van zijn benoeming na overlijden.' Het is niet voor niets dat de wetgever daar het geheim van de 'erfrechtelijke verbintenis' openbaart. De executeur mag niet alleen het door erflater in hem gestelde vertrouwen nog niet tijdens leven omzetten in een verbintenis, maar nog belangrijker, erflater hoeft dit vertrouwen tijdens leven nog niet te laten blijken. De spanning is op de grens altijd om te snijden en op de grens wordt nog wel eens een'hek'geplaatst. Zo geschiedde in art. 4:143 BW. Ik breng in herinnering de erflater die 'zijn notaris' tijdens het passeren van de uiterste wilsbeschikking vraagt of hij zijn nalatenschap wenst af te wikkelen. Overeenkomst of uiterste wilsbeschikking? Het enkele feit dat binding later tot totstandkomt, maakt de op de rechtsverhouding toepasselijke regels toch niet (heel) anders, zeker niet in een tijd waar (vermogensrechtelijke) 'grenzen' steeds meer opengaan.