De tenlastelegging spreekt van '[achternaam slachtoffer]', bewijsmiddel 1 van '[achternaam slachtoffer]'. Nu er geen twijfel bestaat over de identiteit van de in de tenlastelegging en bewezenverklaring genoemde persoon en nu er hieromtrent geen klacht in cassatie wordt geformuleerd laat ik deze kwestie rusten.
HR, 25-09-2012, nr. 10/05375
ECLI:NL:HR:2012:BX4990
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
25-09-2012
- Zaaknummer
10/05375
- Conclusie
Mr. Machielse
- LJN
BX4990
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:PHR:2012:BX4990, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 25‑09‑2012
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2010:BO6472
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2010:BO6472
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2010:BO6472
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHLEE:2010:BO6472
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2012:BX4990
ECLI:NL:HR:2012:BX4990, Uitspraak, Hoge Raad, 25‑09‑2012; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHLEE:2010:BO6472, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op: ECLI:NL:GHLEE:2010:BO6472, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op: ECLI:NL:GHLEE:2010:BO6472, Bekrachtiging/bevestiging
In cassatie op: ECLI:NL:GHLEE:2010:BO6472, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2012:BX4990
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑06‑2011
- Wetingang
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2012-0180
NbSr 2012/332
Conclusie 25‑09‑2012
Mr. Machielse
Partij(en)
Nr. 10/05375
Mr. Machielse
Zitting 19 juni 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1.
Het gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte op 26 november 2010 wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een werkstraf van 95 uren.
2.
Mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.
3.1
Het middel klaagt dat de bewezenverklaring in belangrijke mate op gedenatureerd bewijs steunt en het hof derhalve op onjuiste en/of ontoereikende gronden tot een bewezenverklaring is gekomen.
3.2
Ten laste van verdachte is bewezen verklaard dat:
"hij op 22 april 2007 in de gemeente Groningen met anderen, op de openbare weg, nabij Poelestraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer]1., welk geweld bestond uit het slaan en schoppen tegen het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer]."
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1. Een proces-verbaal met nummer PL01KG/07-051040 d.d. 24 april 2007 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, Distrikt Groningen/Haren (pagina 15 van een dossierproces-verbaal met nummer PL01KG/07-003595 d.d.7 mei 2007, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, District Groningen/Haren), zakelijk weergegeven
als aangifte van [slachtoffer], gedaan op 22 april 2007:
Ik doe aangifte van mishandeling deze nacht gepleegd in de Poelestraat te Groningen. Ik zag dat twee Turkse jongens en een donkere jongen in mijn richting kwamen rennen. Ik draaide me om en wilde hard wegrennen. Na enkele meters struikelde ik en viel op straat. Ik weet niet meer precies hoe het is gegaan, maar ik lag opeens in een steeg. In die steeg hebben de twee Turkse en de donkere jongen mij flink te pakken gehad. Ze hebben mij meerdere keren met kracht geschopt en geslagen. Ik voelde direct pijn. Korte tijd later hoorde ik dat er geroepen werd: "Politie, wegwezen". Ik zag kans om weer op te staan. Ik zag dat de Turkse jongen met een witte blouse nog voor mij stond. Ik zag dat de Turkse jongen met witte blouse mij weer aanviel. Ik zag en voelde dat hij mij twee harde vuistslagen tegen mijn gezicht gaf. Ik voelde dat deze goed raak waren. Ik voelde direct hevige pijn. Ik deed uit reactie mijn hoofd naar beneden en de slagen te ontwijken. Door mijn reactie liet de Turkse jongen mij los en zag ik de kans om weg te rennen.
2
Een proces-verbaal met nummer PL01KG/07-051040 d.d. 22 april 2007 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2], voornoemd (pagina 18 van het onder 1. genoemde dossierproces-verbaal, zakelijk weergegeven
als verklaring van verdachte:
Ik ben op zondag 22 april 2007 omstreeks 02.30 uur naar de binnenstad van Groningen gegaan. Ik ben in de richting van een Nederlandse jongen gelopen. Toen ik vlak bij hem was rende hij hard weg via de Poelestraat in de richting van de Peperstraat. Ik ben toen achter deze jongen aangerend. Ik zag dat hij op een gegeven moment viel. [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] kwamen er toen ook bij. Ik heb toen gezien dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] slaande bewegingen naar die jongen maakte. Ik droeg afgelopen nacht een wit t-shirt.
3
Een proces-verbaal met nummer PL01KG/07-051040 d.d. 22 april 2007 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, Distrikt Groningen/Haren (pagina 17 van het onder 1. genoemde dossierproces-verbaal, zakelijk weergegeven
als verklaring van [betrokkene 3]:
Vannacht, 22 april 2007, stond ik samen met [slachtoffer] te praten op de Poelebrug te Groningen. Ik zag dat [slachtoffer] weg rende. Ik zag dat [slachtoffer] struikelde vlak bij een deur naast een etalage. Ik liep achter [slachtoffer] aan en zag dat hij in het portiekje op de grond lag. Ik zag dat er nog twee Turken en een donker getinte jongen bij [slachtoffer] waren. Ik zag dat [slachtoffer] helemaal in elkaar in een hoekje zat en door die Turken en die donker getinte jongen met kracht geschopt en geslagen werd.
4.
Een verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Groningen d.d. 30 mei 2008, zakelijk weergegeven:
In de steeg heb ik een slaande beweging gemaakt. Ik droeg een witte trui. Ik was wel bij de vechtpartij.
- U.
toont mij track 3 van de camerabeelden die zijn opgenomen tijdens de nachtelijke uren op 22 april 2007 in de Poelestaat te Groningen (DVD met nummer 07-051040), welke zich in het dossier bevindt. Ik zie op de beelden dat ik een schoppende beweging maak.
5.
Eigen waarneming van het hof van die camerabeelden waarop het hof waarneemt dat rond het tijdstip 5:56:49 de verdachte deelneemt aan een gevecht en dat de verdachte daarbij een harde, gerichte trap geeft tegen/naar een (niet op de beelden zichtbaar) persoon of object."
3.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2010 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
"De camerabeelden die zijn opgenomen in de Poelestraat te Groningen op 22 april 2007 (DVD-R met nummer 07-051040) worden ter terechtzitting getoond. De voorzitter merkt op dat op de beelden op track 3, rond het tijdstip 5:56:49, zichtbaar is dat verdachte een schoppende beweging maakt. Desgevraagd verklaart de verdachte geen opmerkingen te willen maken met betrekking tot de getoonde beelden."
3.5
De steller van het middel voert aan dat het hof met de in bewijsmiddel 5 gegeven beschrijving van zijn eigen waarneming hieraan een wezenlijk andere betekenis en inhoud heeft gegeven dan zoals beschreven in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep. Volgens de steller van het middel is het hof zijn waarneming kennelijk achteraf gaan invullen en heeft het achteraf bewijs geconstrueerd met het oog op de bewezenverklaring. Hierdoor is verdachte ten onrechte niet in de gelegenheid geweest zich over het bewijsmiddel uit te laten en is de bewezenverklaring op ondeugdelijke gronden tot stand gekomen.
3.6
Bij het beoordelen van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Wil de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel kunnen meewerken tot het bewijs, dan zal deze bij het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn gedaan. Aan deze regel ligt ten grondslag dat de rechter een eigen waarneming eerst dan aan zijn beslissing kan doen meewerken indien ook zowel de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie als de verdachte en de raadsman die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daaromtrent bij de behandeling van de zaak uit te laten.2. Hoewel in de literatuur reeds enige tijd de opvatting wordt uitgedragen dat het meer dan wenselijk is dat de rechter een door hem gedane waarneming ter terechtzitting uitdrukkelijk ter discussie stelt,3. is het naar het oordeel van de Hoge Raad in zijn algemeenheid niet vereist dat de rechter zijn eigen, bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting gedane waarneming aldaar ter sprake brengt. Niettemin is de rechter gehouden dat wel te doen, indien de procespartijen door het gebruik van die waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij daarmee geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van die waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal.4.
3.7
Uitgangspunt moet dus zijn dat de procespartijen niet onverhoeds mogen worden geconfronteerd met resultaten van waarnemingen die buiten hen om hebben plaatsgevonden5. en ter terechtzitting daarom de mogelijkheid moet bestaan om te debatteren over wat is waargenomen.6. Dat de conclusie uit de eigen waarneming van de rechter uiteindelijk in raadkamer wordt getrokken, staat er immers niet aan in de weg dat gelegenheid tot discussie wordt geboden betreffende een rechterlijke hypothese over wat te zien is op de getoonde beelden.7.
3.8
In onderhavige zaak heeft het hof dit uitgangspunt miskend. De voorzitter van het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep namelijk - slechts - opgemerkt dat op de getoonde camerabeelden zichtbaar is dat verdachte een schoppende beweging maakt, waarop verdachte de gelegenheid is geboden zich daaromtrent, dus over die beschrijving van de beelden, uit te laten. Voor verdachte en zijn raadsman heeft echter niet de mogelijkheid bestaan de eigen waarneming van het hof zoals die uiteindelijk voor het bewijs is gebezigd, namelijk dat verdachte deelnam aan een gevecht en daarbij een harde, gerichte trap gaf tegen/naar een (niet op de beelden zichtbaar) persoon of object, te betwisten. Die waarneming is ter terechtzitting immers niet als zodanig ter sprake gebracht. Naar mijn oordeel is hierdoor sprake van de situatie dat verdachte door het gebruik voor het bewijs van laatstgenoemde waarneming, die niet een puur feitelijke beschrijving inhoudt van hetgeen op de beelden te zien is maar juist een sterk kwalificatieve waardering daarvan die veel verder gaat dan de ter terechtzitting verwoorde "schoppende beweging",8. is verrast aangezien hij daarmee geen rekening hoefde te houden gelet op hetgeen ter terechtzitting was besproken. Het middel is dan ook terecht voorgesteld.
3.9
Niettemin meen ik dat in onderhavige zaak kan worden afgezien van cassatie. Anders dan de steller van het middel zie ik namelijk niet in dat de bewezenverklaring in belangrijke mate zou steunen op de eigen waarneming van het hof. Integendeel, ook wanneer wordt afgezien van de eigen waarneming van het hof kan het bewezenverklaarde uit bewijsmiddelen 1 tot en met 4 worden afgeleid. Bewijsmiddel 5 is naar mijn inzicht dan ook overbodig en van zodanig ondergeschikte betekenis dat de bewijsmotivering ook zonder dit onderdeel toereikend is. De schending door het hof van de rechtsregels ten aanzien van het hanteren van de eigen waarneming hoeft dan ook niet tot cassatie te leiden.9.
4.
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
5.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 25‑09‑2012
HR 29 augustus 2006, LJN: AX6414, NJ 2007, 134 m.nt. Reijntjes, r.o. 3.6; HR 15 december 2009, LJN: BJ2831, NJ 2011, 78 m.nt. Reijntjes, r.o. 3.5.2.
Zie o.a. Fokkens, Bewijzen in het strafrecht, 1984, p. 47-48; Melai/Groenhuijsen e.a., Wetboek van Strafvordering, aant. 6.1 bij art. 340 Sv; Minkenhof/Reijntjes, Nederlandse strafvordering, 2009, p. 387; D. Emmelkamp en G.H. Meijer, De nuances tussen zwart en wit, NJB 2010, 319, par. 2.3; T. Kooijmans, Bewijzen door de strafrechter, in: Ars Aequi juli/augustus 2010, p. 459; Nijboer, Strafrechtelijk bewijsrecht, 2011, p. 179.
HR 15 december 2009, LJN: BJ2831, NJ 2011, 78 m.nt. Reijntjes, r.o. 3.5.3.
Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 2011, p. 681.
Minkenhof/Reijntjes t.a.p.
Vgl. par. 45 van de conclusie van mijn ambtgenoot Jörg voor HR 17 november 2009, LJN: BI2315.
Zie Corstens/Borgers t.a.p. en par. 44 van de conclusie van mijn ambtgenoot Jörg t.a.p. voor het onderscheid tussen waarnemen versus oordelen.
Vgl. HR 1 juni 1976, LJN: AB6863, NJ 1977, 42; HR 4 januari 2000, LJN: ZD1699 (nr. 113.066, niet gepubliceerd); HR 7 februari 2006, LJN: AU8289; HR 25 april 2006, LJN: AV6192; HR 13 februari 2007, LJN: AZ5473 (81 RO) en par. 4.11.7 van de daaraan voorafgegane conclusie van mijn voormalig ambtgenoot Bleichrodt; HR 20 maart 2012, LJN: BV3442; HR 13 april 2012, LJN: BV5571.
Uitspraak 25‑09‑2012
Inhoudsindicatie
Eigen waarneming Hof. HR stelt eerdere overwegingen t.a.v. de eigen waarneming uit HR LJN AX6414 en LJN BJ2831 voorop. Door het tot het bewijs bezigen van zijn waarneming heeft het Hof aan de videobeelden geen wezenlijk andere betekenis gegeven; voorts heeft het Hof zijn waarneming ter terechtzitting meegedeeld. In het licht van de door de verdachte in eerste aanleg afgelegde en tot bewijs gebezigde verklaring - inhoudende dat hij op de camerabeelden ziet dat hij een schoppende beweging maakt - kan de verdediging niet door de overeenkomstige waarneming van het Hof zijn verrast.
Partij(en)
25 september 2012
Strafkamer
nr. S 10/05375
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden van 26 november 2010, nummer 24/001471-08, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, ten tijde van de betekening van de aanzegging uit anderen hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Flevoland, locatie Almere-Binnen" te Almere.
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het middel
2.1.
Het middel klaagt dat het Hof een eigen waarneming voor het bewijs heeft gebezigd waarop de verdediging niet heeft kunnen reageren.
2.2.1.
Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij op 22 april 2007 in de gemeente Groningen met anderen, op de openbare weg, nabij de Poelestraat, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het slaan en schoppen tegen het hoofd en/of lichaam van [slachtoffer]."
2.2.2.
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
"1.
Een proces-verbaal met nummer PL01KG/07-051040 d.d. 24 april 2007 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, Distrikt Groningen/Haren (pagina 15 van een dossierproces-verbaal met nummer PL01KG/07-003595 d.d. 7 mei 2007, op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, District Groningen/Haren), zakelijk weergegeven als aangifte van [slachtoffer], gedaan op 22 april 2007:
Ik doe aangifte van mishandeling deze nacht gepleegd in de Poelestraat te Groningen. Ik zag dat twee Turkse jongens en een donkere jongen in mijn richting kwamen rennen. Ik draaide me om en wilde hard wegrennen. Na enkele meters struikelde ik en viel op straat. Ik weet niet meer precies hoe het is gegaan, maar ik lag opeens in een steeg. In die steeg hebben de twee Turkse en de donkere jongen mij flink te pakken gehad. Ze hebben mij meerdere keren met kracht geschopt en geslagen. Ik voelde direct pijn. Korte tijd later hoorde ik dat er geroepen werd: "Politie, wegwezen". Ik zag kans om weer op te staan. Ik zag dat de Turkse jongen met een witte blouse nog voor mij stond. Ik zag dat de Turkse jongen met witte blouse mij weer aanviel. Ik zag en voelde dat hij mij twee harde vuistslagen tegen mijn gezicht gaf. Ik voelde dat deze goed raak waren. Ik voelde direct hevige pijn. Ik deed uit reactie mijn hoofd naar beneden om de slagen te ontwijken. Door mijn reactie liet de Turkse jongen mij los en zag ik de kans om weg te rennen.
2.
Een proces-verbaal met nummer PL01KG/07-051040 d.d. 22 april 2007 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 2], voornoemd (pagina 18 van het onder 1. genoemde dossierproces-verbaal, zakelijk weergegeven als verklaring van verdachte:
Ik ben op zondag 22 april 2007 omstreeks 02.30 uur naar de binnenstad van Groningen gegaan. Ik ben in de richting van een Nederlandse jongen gelopen. Toen ik vlak bij hem was rende hij hard weg via de Poelestraat in de richting van de Peperstraat. Ik ben toen achter deze jongen aangerend. Ik zag dat hij op een gegeven moment viel. [Betrokkene 1] en [betrokkene 2] kwamen er toen ook bij. Ik heb toen gezien dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] slaande bewegingen naar die jongen maakte. Ik droeg afgelopen nacht een wit t-shirt.
3. Een proces-verbaal met nummer PL01KG/07-051040 d.d. 22 april 2007 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van Regiopolitie Groningen, Distrikt Groningen/Haren (pagina 17 van het onder 1. genoemde dossierproces-verbaal, zakelijk weergegeven als verklaring van [betrokkene 3]:
Vannacht, 22 april 2007, stond ik samen met [slachtoffer] te praten op de Poelebrug te Groningen. Ik zag dat [slachtoffer] wegrende. Ik zag dat [slachtoffer] struikelde vlak bij een deur naast een etalage. Ik liep achter [slachtoffer] aan en zag dat hij in het portiekje op de grond lag. Ik zag dat er nog twee Turken en een donker getinte jongen bij [slachtoffer] waren. Ik zag dat [slachtoffer] helemaal in elkaar in een hoekje zat en door die Turken en die donker getinte jongen met kracht geschopt en geslagen werd.
4. Een verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Groningen d.d. 30 mei 2008, zakelijk weergegeven:
In de steeg heb ik een slaande beweging gemaakt. Ik droeg een witte trui. Ik was wel bij de vechtpartij.
- U.
toont mij track 3 van de camerabeelden die zijn opgenomen tijdens de nachtelijke uren op 22 april 2007 in de Poelestraat te Groningen (DVD met nummer 07-051040), welke DVD zich in het dossier bevindt. Ik zie op de beelden dat ik een schoppende beweging maak.
5. Eigen waarneming van het hof van die camerabeelden waarop het hof waarneemt dat rond het tijdstip 5:56:49 de verdachte deelneemt aan een gevecht en dat de verdachte daarbij een harde, gerichte trap geeft tegen/naar een (niet op de beelden zichtbaar) persoon of object."
- 2.3.
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:
"De camerabeelden die zijn opgenomen in de Poelestraat te Groningen op 22 april 2007 (DVD-R met nummer 07-051040) worden ter terechtzitting getoond. De voorzitter merkt op dat op de beelden op track 3, rond het tijdstip 5:56:49, zichtbaar is dat verdachte een schoppende beweging maakt. Desgevraagd verklaart de verdachte geen opmerkingen te willen maken met betrekking tot de getoonde beelden."
- 2.4.
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Wil de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel kunnen meewerken tot het bewijs, dan zal deze, naar art. 340 Sv voorschrijft, bij het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn gedaan, zodat ook zowel de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie als de verdachte en de raadsman die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daaromtrent bij de behandeling van de zaak uit te laten (vgl. HR 29 augustus 2006, LJN AX6414, NJ 2007/134). Het is in zijn algemeenheid niet vereist dat de rechter zijn eigen, bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting gedane waarneming aldaar ter sprake brengt. Niettemin is de rechter gehouden dat wel te doen, indien de procespartijen door het gebruik van die waarneming voor het bewijs zouden worden verrast omdat zij daarmee geen rekening behoefden te houden. Of daarvan sprake is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals het procesverloop, de aard van de waarneming en het verband van die waarneming met het voorhanden bewijsmateriaal (vgl. HR 15 december 2009, LJN BJ2831, NJ 2011/78).
- 2.5.
Het Hof heeft, door tot het bewijs bezigen van zijn waarneming als onder 2.2.2 sub (5) weergegeven, aan de videobeelden geen wezenlijk andere betekenis gegeven dan als weergegeven onder 2.3. Ter terechtzitting heeft het Hof zijn waarneming als onder 2.3 weergegeven, meegedeeld. In het licht van de door de verdachte in eerste aanleg afgelegde en onder 2.2.2 sub (4) tot bewijs gebezigde verklaring - inhoudende dat hij op de camerabeelden ziet dat hij een schoppende beweging maakt - kan de verdediging niet door de overeenkomstige waarneming van het Hof zijn verrast.
- 2.6.
Het middel, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve.
- 3.
Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en N. Jörg, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 25 september 2012.
Beroepschrift 24‑06‑2011
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Kamer voor Strafzaken
Postbus 20303
2500 EH 's‑Gravenhage
Namens verzoeker, [verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1076 te [geboorteplaats] ([land]), draag ik het volgende cassatiemiddel voor tegen het arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, uitgesproken op 26 november 2010, onder parketnummer 24-001471-08, waarbij verzoeker wegens ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen’ is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden (proeftijd 2 jaren) en tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 95 uren:
Middel:
Er is sprake van schending van het recht en / of van verzuim van vormen, zoals bedoeld in artikel 79 RO. De bewezenverklaring steunt in belangrijke mate op gedenatureerd bewijs. De in de bewijsmiddelen onder punt 5 opgenomen eigen waarneming van het hof komt niet overeen met de weergave van die waarneming in het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep, terwijl het gebezigde bewijsmiddel (zoals dat in het arrest is weergegeven) evenmin overeenkomt met de beelden waarnaar wordt verwezen. Er kleeft hierdoor een wezenlijk gebrek aan de onderbouwing van de bewezenverklaring. Het hof is derhalve op onjuiste en / of ontoereikende gronden tot een bewezenverklaring gekomen.
Het hof heeft de eigen waarneming van de op de zitting getoonde camerabeelden redengevend geacht voor het bewijs. De (in de bewijsoverweging in het arrest opgenomen) gevolgtrekking dat verzoeker een harde, gerichte trap heeft gegeven tegen / naar een persoon of object, is kennelijk op deze waarneming gebaseerd. Uit de weergave van de waarneming van het hof in het proces-verbaal van de zitting en uit de beelden die op de gegevensdrager die zich in het dossier bevindt zijn vastgelegd en die ten grondslag hebben gelegen aan de eigen waarneming van het hof, blijkt ondubbelzinnig dat het hof bij de weergave van de eigen waarneming in het arrest, aan de weergave een andere betekenis en inhoud heeft gegeven. Op de beelden is beslist niet te zien dat verzoeker deelnam aan een gevecht en dat hij daarbij een harde, gerichte trap tegen / naar een persoon of object heeft gegeven.
Toelichting:
Het hof heeft de bewezenverklaring o.a. doen steunen op de eigen waarneming van de op de zitting getoonde camerabeelden. Ter zitting heeft de voorzitter naar aanleiding van deze beelden opgemerkt ‘dat op de beelden op track 3, rond het tijdstip 5:56:49 zichtbaar is dat verdachte een schoppende beweging maakt’. Verzoeker had naar aanleiding van deze opmerking geen opmerkingen met betrekking tot de getoonde beelden. Eerder had hij gezegd dat hij ‘een beweging van ophouden’ had gemaakt, die gericht was tegen een van de medeverdachten ([medeverdachte 1]). De raadsman voegde hier in zijn pleidooi nog aan toe dat de beelden van slechte kwaliteit zijn en dat hij niet ziet dat zijn cliënt een schoppende beweging maakt.
Onder deze omstandigheden is het onbegrijpelijk dat het hof als eigen waarneming tot het bewijs bezigt dat ‘rond het tijdstip 5:56:49 de verdachte deelneemt aan een gevecht en dat de verdachte daarbij een harde, gerichte trap geeft tegen / naar een (niet op de beelden zichtbaar) persoon of object’. Het hof is hier kennelijk de eigen waarneming gaan ‘invullen’ met het oog op de bewezenverklaring. Het maken van een niet nader omschreven ‘schoppende beweging’, wordt als bewijsmiddel plotseling en onaangekondigd omschreven als het ‘deelnemen aan een gevecht’ en een ‘harde, gerichte trap tegen of naar een persoon of object’. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat een dergelijke interpretatie van de waarneming niet strookt met de eerdere, ter zitting gegeven zakelijke weergave van de eigen waarneming. Hierdoor is verzoeker ten onrechte niet in de gelegenheid geweest zich over het bewijsmiddel uit te laten.
In HR 15 december 2009, LJN BJ2831 heeft Uw Raad o.m. het volgende overwogen:
‘3.5.2.
(…) Wil de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel kunnen meewerken tot het bewijs, dan zal deze naar artikel 340 Sv voorschrijft, bij het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn gedaan, zodat ook zowel de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie als de verdachte en de raadsman die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daaromtrent bij de behandeling van de zaak uit te laten.
3.5.3.
Het is in zijn algemeenheid niet vereist dat de rechter zijn eigen, bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting gedane waarneming aldaar ter sprake brengt.’
Verzoeker wil hier graag aan toevoegen dat wanneer de rechter zijn eigen, bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting gedane waarneming aldaar ter sprake brengt, het vanzelfsprekend moet zijn dat hetgeen door die rechter ter sprake wordt gebracht niet wezenlijk mag verschillen van hetgeen later door diezelfde rechter als eigen waarneming tot het bewijs wordt gebezigd.
In de onderhavige zaak heeft het hof de waarneming in andere woorden ter sprake gebracht dan de woorden waarmee die waarneming uiteindelijk door het hof voor het bewijs werd gebruikt. Het verschil gaat echter wezenlijk verder dan louter een verschil in woordkeuze. Door de andere weergave heeft de eigen waarneming een wezenlijk andere betekenis en inhoud gekregen. Een niet nader omschreven ‘schoppende beweging’ (die door verzoeker werd aangeduid als ‘een beweging van ophouden’ die was gericht tot een medeverdachte), werd hierdoor een ‘harde, gerichte trap’ en niet nader omschreven handelen, werd ‘deelnemen aan een gevecht’.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het hof achteraf bewijs heeft geconstrueerd, waarop de verdediging niet heeft kunnen reageren (omdat haar een andere ‘waarneming’ werd voorgehouden). De bewezenverklaring is hierdoor op ondeugdelijke gronden tot stand gekomen.
Hier komt bij dat de onder de bewijsmiddelen opgenomen ‘eigen waarneming’ niet strookt met de beelden zoals die in het dossier zijn opgenomen en door het hof zijn bekeken. Op die beelden — die, zoals gezegd, op de zitting zijn getoond — is niet te zien dat verzoeker ‘deelneemt aan een gevecht’ en evenmin dat hij ‘een harde, gerichte trap geeft tegen / naar een persoon of object’.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. J. Boksem, advocaat te Leeuwarden, kantoorhoudende te Leeuwarden, aan de Ossekop 11 (Postbus 324, 8901 BC), die bij deze verklaart tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker.
Leeuwarden, 24 juni 2011
J. Boksem