25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/55.1:55.1 Inleiding
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/55.1
55.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. drs. D.A. Verburg, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
mr. drs. D.A. Verburg
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit is natuurlijk een knipoog naar het verhaal van Lex Michiels over tijden op zijn wekker, tijdens het symposium over 15 jaar Awb.
En liefde maakt blind; zie het citaat bovenaan deze bijdrage dat dat nog eens genuanceerd uitdrukt.
ABRvS 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, AB 2016/447 m.nt. Bröring, JB 2016/235 m.nt. Timmermans.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Tegenwoordig kies je bij de koffieautomaten van de verschillende gerechten gewoon ‘koffie’, ‘cappuccino’ of ‘espresso’, maar tot een jaar of tien geleden werkten die apparaten nog met cijfercombinaties. En de bestuursrechtneuroot zou geen goede neuroot zijn als hij daar geen Awb-artikelen aan wist te koppelen. Dus iemand vroeg aan zijn collega of hij koffie wilde en het antwoord luidde ‘herhaalde aanvraag’, combinatie 4-6 dus, en dan kreeg hij een dubbele espresso. Logisch ook wel: herhaalde aanvraag = twee keer espresso.1
Dit koffieritueel maakt al duidelijk: als je lang met een bepaalde wet werkt, ga je natuurlijk ook denken in termen van die wet.2 Ik begon te werken in de bestuursrechtspraak zo’n negen maanden voor de komst van de Awb – een gebruikelijke tijd voor een zwangerschap natuurlijk – en werk sindsdien zo’n 25 jaar met die wet. Ik heb het Awb-kind zien opgroeien, heb zijn pubertijd meegemaakt, heb zijn omvang zien toenemen en maak hem nu in zijn volwassenheid mee. Veel elementen van de Awb zijn in mijn systeem gaan zitten. Ik moet zeggen dat ik de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 26 oktober 20163 over het mogelijkerwijs toch aanmerken als bijzondere omstandigheid om af te wijken van het beleid van juist die elementen die verdisconteerd zijn in dat beleid, thuis, starend naar mijn beeldscherm, verbijsterd begroette met de woorden ‘die zag ik niet aankomen!’ De gedachte dat verdisconteerde elementen in het beleid nooit bijzondere omstandigheden konden vormen om af te wijken van dat beleid, was zo in mijn systeem gaan zitten, dat ik niet op deze gedachte was gekomen.
Ik wil in deze bijdrage twee pogingen wagen om mijn denken enerzijds en de Awb anderzijds van elkaar te scheiden. Eerst onderzoek ik wat ik conform de Awb zou doen als die hele wet er niet zou zijn (maar ik wel bestuursrechter was); dit is de vraag naar wat ik zo logisch vind dat ik er geen wettelijke bron voor nodig heb. Dan onderzoek ik wat ik anders zou doen als de Awb er niet zou zijn (maar ik wel bestuursrechter was); dit is de vraag naar de grenzen waar ik in de Awb tegen oploop. Aan het einde van deze bijdrage probeer ik een synthese te vinden: hoe leven de Awb en de bestuursrechter als gebruiker van die wet samen?