Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/8:Hoofdstuk 8 Samenvatting
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/8
Hoofdstuk 8 Samenvatting
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973541:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Nederlandse civiele recht kent meerdere vormen van verlies van rechten als gevolg van inactief of inconsistent schuldeisersgedrag. Dit boek richt zich op twee specifieke verschijningsvormen van dit mechanisme: het leerstuk van rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW.
Rechtsverwerking is een oud leerstuk, dat sinds de introductie van het nieuw BW aan belang heeft ingeboet. De introductie van korte, veelal vijfjarige verjaringstermijnen hebben het rechtsonzekere leerstuk van rechtsverwerking teruggedrongen. Tegelijk heeft de wetgever in 1992 de wettelijke klachtplichten geïntroduceerd. De wettelijke klachtplichten hebben na hun introductie ongeveer tien jaar lang een vrijwel slapend bestaan geleid. Na de millenniumwisseling wisten schuldenaren de weg naar deze voor hen gunstige bepalingen steeds beter te vinden.
Rechtsverwerking in het domein van wanprestatie wordt inmiddels vrijwel volledig beheerst door deze bijzondere wetsbepalingen. De grondhouding van de rechtspraktijk en dogmatiek tegenover deze bepalingen is kritisch: men hekelt het ‘valbijlkarakter’ van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW. De Hoge Raad heeft intussen de scherpe randjes van deze plichten afgeslepen. Dat doet hij vooral door te bepalen dat de klachttermijn van art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW niet snel is geschonden als niet is gebleken van concreet nadeel aan schuldenaarszijde.
Het doel van dit onderzoek is om de geldende toepassingsvereisten van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten te evalueren. Ook onderzoek ik de verhouding tussen het leerstuk rechtsverwerking en de klachtplichten enerzijds en de korte verjaringstermijnen anderzijds.
Het vertrekpunt van dit proefschrift bestaat uit een onderzoek naar het rechtskarakter van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten in hoofdstuk 2. In de literatuur worden beide leerstukken in verband gebracht met het Duitse begrip Obliegenheit. Ik onderzoek dit begrip aan de hand van de Duitse rechtsleer, waaruit het begrip afkomstig is. De conclusie is dat een Obliegenheit in essentie een plicht voor de schuldeiser vormt om zich consistent tegenover de schuldenaar te gedragen. Schending van een Obliegenheit resulteert in een sanctie die beoogt de nadelige gevolgen van laakbaar inconsistent schuldeisersgedrag aan schuldenaarskant weg te nemen, althans het bij de schuldenaar opgewekte en gerechtvaardigde vertrouwen te beschermen. Een Obliegenheit kan daarmee als een consistentieplicht worden gezien, waarbij de sanctie een proportioneel karakter heeft. Dat sluit goed aan bij het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten en biedt aanknopingspunten voor een analyse van de huidige toepassingsvereisten van deze rechtsfiguren en het toepassingsbereik van de wettelijke klachtplichten.
Op basis van het Obliegenheit-karakter van rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten kunnen deze leerstukken vrij goed van de korte verjaringstermijnen worden onderscheiden. Anders dan eerder in de literatuur is gesuggereerd, kom ik er daarom in hoofdstuk 3 op uit dat de korte verjaringstermijnen niet als gestandaardiseerde vorm van rechtsverwerking moeten worden gezien. Verjaring behelst namelijk, anders dan rechtsverwerking en de klachtplichten, geen plicht om in actie te komen jegens de schuldenaar. Verjaring stelt slechts een sanctie op stilzitten gedurende een bepaalde tijd.
Vanuit dat onderscheid wordt in hoofdstuk 3 vervolgens onderzocht in hoeverre het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten de korte verjaringstermijnen de pas afsnijden. Dat wil zeggen: wordt een beroep op rechtsverwerking of een klachtplichtschending aangenomen binnen een lopende korte verjaringstermijn, en wat daarvan te vinden? De conclusie is, een enkele uitzondering in het domein van art. 6:89 BW daargelaten, dat de soep minder heet wordt gegeten dan hij in de literatuur wel is opgediend.
Vervolgens komt in hoofdstuk 4 het toepassingsbereik van de wettelijke klachtplichten aan de orde. Daarover bestaat een aantal onduidelijkheden. Mede op basis van het Obliegenheit-karakter van rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten probeer ik richtinggevende antwoorden op de openstaande vragen te formuleren.
De meeste van deze vragen zien specifiek op art. 6:89 BW. De conclusie is dat het toepassingsbereik van art. 6:89 BW zich uitstrekt tot alle verbintenissen. Art. 6:89 en 7:23 lid 1 BW zijn van toepassing op een gedeeltelijk niet-presteren, maar niet op een algeheel niet-presteren. De klachtplicht van art. 6:89 BW geldt ook bij een verbintenis strekkende tot betaling van een geldsom. Verder geldt de klachtplicht van art. 6:89 BW bij prestaties strekkende tot een niet-doen en bij voortdurende prestaties en, tot slot, in beginsel niet bij bestuurdersaansprakelijkheid. Dat laatste is slechts anders als de vordering van de vennootschap, naast art. 2:9 BW, alternatief gegrond zou kunnen worden op een tekortkoming uit een arbeids- of opdrachtovereenkomst.
Mijn bevindingen over het Obliegenheit-karakter van het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten roepen een aantal vragen op over de geldende materiële toepassingsvereisten van beide leerstukken, die ik in hoofdstuk 5 bespreek. Ik bespreek ten eerste in hoeverre in dat licht wenselijk is om rechtsverwerking aan te nemen zonder dat is gebleken van dergelijk nadeel. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is dat mogelijk. De conclusie op dit punt luidt dat rechtsverwerking op basis van gerechtvaardigd vertrouwen alleen dan niet problematisch is, wanneer ook de lat voor het aannemen van stilzwijgende afstand van recht wordt gehaald. Overigens is nadeel zo’n breed begrip, dat in casus waar rechtsverwerking vooral is gegrond op gerechtvaardigd vertrouwen, vaak toch relevant nadeel te ontwaren is. Het aantal probleemgevallen valt dus mee. Het tweede punt dat in dit hoofdstuk aan de orde komt, is of in het kader van de wettelijke klachtplichten niet te snel een onderzoeksplicht wordt aangenomen. De conclusie is van niet, onder andere omdat de Hoge Raad in dit kader drempels opwerpt bij ongelijkwaardige partijverhoudingen en gevallen met veel informatie-asymmetrie. Ten derde wordt besproken dat de Hoge Raad de scherpe randjes vooral van de wettelijke klachtplichten afslijpt door te bepalen dat de klachttermijn niet snel geschonden is wanneer niet is gebleken van nadeel aan schuldenaarszijde. Dit terwijl uit het Obliegenheit-karakter van de wettelijke klachtplichten voortvloeit dat tijdsverloop niet het beslissende element is, als wel de vraag of de schuldeiser in de gegeven omstandigheden op een specifiek moment had moeten spreken waar hij heeft gezwegen. In rechtspraak in feitelijke instanties leidt de benadering van de Hoge Raad soms tot te veel focus op de termijn. Het proportionele element van de sanctie op schending van een Obliegenheit roept tot slot de vraag op of de sanctie op schending van art. 6:89 en/of art. 7:23 lid 1 BW zonder meer rechtsverval moet zijn. De conclusie op dit punt is dat relativering van de sanctie, ondanks andersluidende opvattingen van de wetgever en Hoge Raad, wenselijk is.
Tot slot besteed ik in hoofdstuk 6 aandacht aan contractuele klachtplichten. Ik ga in op de uitleg van contractuele klachtplichten en de rol die het wettelijk kader van art. 6:89 en/of art. 7:23 lid 1 BW daar wel of niet kan spelen. Bij die analyse wordt onderscheiden tussen diverse bedingtypen en wordt per type een aantal gezichtspunten gesuggereerd voor de uitleg en toepassing daarvan.