Einde inhoudsopgave
Vergoedingen in het Nederlandse huwelijksvermogensrecht (R&P nr. PFR9) 2024/3.3
3.3 Het begrip ‘vermogen’
Mr. drs. J.H. Lieber, datum 04-10-2023
- Datum
04-10-2023
- Auteur
Mr. drs. J.H. Lieber
- JCDI
JCDI:ADS856677:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Online geraadpleegd op 20 januari 2023 (https://gtb.ivdnt.org/iWDB/search?actie=article&wdb=WNT&id=M077102&lemmodern=vermogen&domein=0&conc=true). De Dikke Van Dale Online (geraadpleegd op 20 januari 2023) geeft bij het lemma ‘vermogen’ als derde betekenis: “geheel van iemands bezittingen aan goederen en vorderingen, hetgeen hij rijk is na aftrek van de passiva.”
Zie over afgescheiden vermogen Van Mourik & Schols, Gemeenschap (Mon. BW nr. B9) 2015/10 en de daar genoemde literatuur alsmede Breederveld, De aangepaste gemeenschap van goederen (R&P nr. PFR2) 2011/1.3. Zie ook Asser Procesrecht/Steneker 5 2019/16 over afgescheiden vermogens.
Zo heeft de wetgever bij de invoering van de regels over verrekenbedingen bewust ervan afgezien de begrippen ‘inkomsten’ en ‘vermogen’ in de wet nader aan te duiden. De omschrijving daarvan is aan de echtgenoten en de notaris overgelaten. Wel is ten aanzien van vermogen nog opgemerkt: “Het begrip vermogen omvat niet alleen een algemeenheid van goederen in de zin van een geheel van goederen en schulden die in zekere opzichten een eenheid vormen (vergelijk ook de artikelen 189 en 222 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek), maar ook individuele vermogensbestanddelen die in de huwelijkse voorwaarden nader zijn aangeduid. De waarde van vermogen slaat in het eerste geval op het saldo van de tot het vermogen behorende goederen en de daarop betrekking hebbende schulden. In het tweede geval slaat de waarde op het in de huwelijkse voorwaarden aangeduide goed zelf.” Zie Kamerstukken II 2000/01, 27 554, nr. 3, p. 11. Zie ook Lieber, GS Personen- en familierecht, artikel 1:132 BW, aant. 5.
Asser-Beekhuis I (Zakenrecht) 1985, nr. 2.
Het begrip ‘schuld’ heeft in het recht vele betekenissen. In deze civielrechtelijke context is schuld de passieve kant van een verbintenis in de zin van Boek 6 BW. Een verbintenis duidt niet alleen de rechtsbetrekking tussen schuldenaar en schuldeiser aan, maar ook de rechtsplicht van de schuldenaar tot het verrichten van een prestatie (passief element). Tegenover die rechtsplicht staat het vorderingsrecht van de schuldeiser dat een bestanddeel van diens vermogen is en in het algemeen overdraagbaar en executabel (actief element). De schuldenaar die presteren moet heeft een schuld. Tot de schulden behoren ook geldschulden (verbintenissen tot betaling van een geldsom). Zie ook Valk 2021 (T&C Vermogensrecht), inleidende opmerking Boek 6 BW, aantekening 2. Voorts: Kolkman (2006)/1.2.2.
Zo Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/73, dat het opschrift draagt: “Een vermogen bestaat uit rechten”en waarin verder is te lezen “(…) dat een vermogen, strikt genomen, altijd bestaat uit rechten”.
In de literatuur treft men ook nog andere vermogensbegrippen aan. Zo verdedigt Vegter “vermogen = goederen + verhaalsaansprakelijkheid”. Zie J.B. Vegter (1989), p. 24.
In de literatuur wel, maar dan als bestuur van gemeenschapsschulden. Zie Asser/De Boer, Kolkman & Salomons 1-II 2016/342 en De Bruijn/Huijgen & Reinhartz 2019/III.59. Zie ook Van Mourik (2012a), p. 27-28 over de gemeenschap van schulden met de vraag waarom bewind over een gemeenschappelijk vermogen waartoe slechts schulden behoren niet mogelijk zou zijn.
Lieber, GS Personen- en familierecht, artikel 1:141 BW, aant. 8: “De verrekening betreft de waarde van het vermogen en slaat op het saldo van de tot het vermogen behorende goederen en de daarop betrekking hebbende schulden. Het is aldus de waarde van het saldo van de goederen en schulden die in de verrekening is betrokken.”
Ondernemingsvermogen bestaat uit goederen en schulden waartussen een band bestaat door de bestemming daarvan, die inhoudt dat de goederen dienstbaar zijn gemaakt aan de onderneming en de schulden zijn gemaakt in het kader van die onderneming.
Zie over goodwill Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2021/4-5.
Zie Verstappen & Burgerhart (m.m.v. F.M.H. Hoens, M.L.C.C. Lückers, M.J.R. van Mourik & G.M.C.M. Staats), Handboek Scheiding deel B (2020B)/1.2.8.
In het normale spraakgebruik heeft het woord ‘vermogen’ verschillende betekenissen. De eerste vier betekenissen die het Woordenboek der Nederlandsche Taal geeft liggen in elkaars verlengde: “in staat of bij machte zijn tot”, gave, heerschappij en recht (met synoniemen daarvan); de vijfde betekenis is veel minder abstract: “het geheel der bezittingen (aan goederen en rechten) aan zeker pers. of vereeniging van personen behoorende, verminderd met dat der schulden”.1 De eerste betekenissen lijken op het eerste oog niet van belang voor de inhoud van het begrip ‘vermogen’ als eerste deel van het woord ‘vermogensverschuiving’. Die eerste betekenissen kunnen wel zeer goed juridisch relevant zijn. Denk bijvoorbeeld aan het vermogen om geld te verdienen – anders gezegd de verdiencapaciteit – die een rol speelt bij de bepaling van de draagkracht en behoefte bij onderhoudsverplichtingen.2 De vijfde betekenis is voor juridische oren de meest vertrouwde: de goederen en schulden van een persoon. Dat is ook de betekenis die het meest voor de hand ligt voor vermogen als eerste deel van het begrip ‘vermogensverschuiving’.
Bij een vermogensverschuiving zijn in elk geval twee vermogens betrokken waartussen zich de verschuiving voordoet. Die vermogens kunnen elk aan een andere persoon toebehoren. Eén persoon kan ook gerechtigd zijn tot meer dan één vermogen. Dat is het geval indien binnen het vermogen van een persoon afzonderlijke vermogens of zogeheten afgescheiden vermogens bestaan, waarvoor andere regels gelden dan voor dat overige vermogen, bijvoorbeeld voor de mogelijkheden tot verhaal op goederen van dat vermogen. Voorbeelden daarvan in het familievermogensrecht zijn de (ontbonden) huwelijksgemeenschap, de nalatenschap en een onder bewind gesteld vermogen.3
Het Burgerlijk Wetboek bevat geen definitie van het begrip ‘vermogen’.4 Onder vermogen pleegt de jurist drieërlei5 te begrijpen: (1) het geheel van rechten (goederen) en plichten (schulden6) die aan een persoon toebehoren; (2) alle goederen die aan een persoon toebehoren7 en (3) het verschil (‘saldo’) tussen de goederen en schulden.8 Het Burgerlijk Wetboek gebruikt het begrip ‘vermogen’ in Boek 1-6 BW op verschillende plaatsen. Het komt in elk van deze drie betekenissen voor.
Zo spreken artikel 6:127 lid 3 en artikel 6:161 lid 2 onder a BW over vorderingen en schulden die in van elkaar gescheiden vermogens vallen en gaan daarbij uit van vermogen als een geheel van goederen en schulden (betekenis (1). In artikel 3:278 lid 2 BW gaat het over voorrechten die rusten op bepaalde goederen of op alle goederen die tot een vermogen behoren. Ook hier speelt betekenis (1), omdat bedoeld zal zijn alle goederen die behoren tot een geheel van goederen en schulden.
Betekenis (2) is terug te vinden in een groot aantal bepalingen in het erfrecht. Als voorbeeld kan dienen artikel 4:184 lid 2-4 BW dat de situaties regelt waarin een erfgenaam een schuld van de nalatenschap moet voldoen ‘ten laste van zijn eigen vermogen’; daarmee kunnen alleen de goederen zijn bedoeld, want met schulden (verhaals)aansprakelijk zijn is niet mogelijk.9 In artikel 4:17 lid 3 en artikel 4:26 lid 2 BW gaat het over een meerderjarige die niet ‘het vrije beheer over zijn vermogen’ heeft. Ook hier geldt betekenis (2), omdat beheer van schulden in de wet niet voorkomt.10 In artikel 3:183 BW en artikel 672 Rv staat het net iets anders. Daar is sprake van ‘het vrije beheer over hun goederen’, waarmee hetzelfde is bedoeld als het vrije beheer over het vermogen.
Een voorbeeld van betekenis (3) is artikel 1:132 BW (oud) over het wettelijk deelgenootschap dat echtgenoten verplicht de vermeerdering van beider vermogens te delen. Deze betekenis komt ook voor in artikel 1:141 lid 3 BW.11
Om de precieze betekenis van ‘vermogen’ in een wetsbepaling vast te stellen is telkens wetsuitleg nodig.
Een vermogen heeft een waarde. Die waarde komt in het bijzonder tot uitdrukking in betekenis (3). Daar gaat het immers om het saldo van de goederen en de schulden. Om dat saldo vast te stellen is waardering van de goederen en bepaling van de omvang van de schulden nodig. Dat is niet altijd voldoende. Er kunnen andere factoren zijn die niet zijn aan te merken als goederen en schulden, maar die wel relevant zijn voor de waarde van het vermogen. Zo kan bij ondernemingsvermogen12 sprake zijn van goodwill.13 Goodwill is geen goed in de zin van artikel 3:1 BW, maar is wel relevant voor de waarde van dat vermogen. Treffend is de omschrijving als ‘waas van feitelijkheden’.14