Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 december 2021, ECLI:NL:RBZWB:2021:6262.
HR, 06-12-2024, nr. 23/03307
ECLI:NL:HR:2024:1802
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
06-12-2024
- Zaaknummer
23/03307
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Staatsrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1802, Uitspraak, Hoge Raad, 06‑12‑2024; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2023:1732
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:411
Terugverwijzing naar: ECLI:NL:GHARL:2025:6223
ECLI:NL:PHR:2024:411, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 12‑04‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1802
Beroepschrift, Hoge Raad, 24‑08‑2023
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0001
PFR-Updates.nl 2024-0250
NJ 2025/54 met annotatie van S.F.M. Wortmann
PFR-Updates.nl 2024-0106
Uitspraak 06‑12‑2024
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/03307
Datum 6 december 2024
BESCHIKKING
In de zaak van
STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid; Immigratie- en Naturalisatiedienst),
zetelende te Den Haag,
EISER tot cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: S.M. Kingma,
tegen
1. [de man] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: de man en de vrouw,
advocaat: C.G.A. van Stratum,
Belanghebbenden in hoger beroep:
1. AMBTENAAR VAN DE BURGERLIJKE STAND VAN DE GEMEENTE DEN HAAG,
2. [het kind], het kind,
3. [biologische ouder 1] en [biologische ouder 2], de biologische ouders van het kind.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de beschikking in de zaak C/02/384689 / FA RK 21-1899 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 8 december 2021;
b. de beschikking in de zaak 200.307.641/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 25 mei 2023.
De Staat heeft tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld.
De man en de vrouw hebben verzocht het beroep te verwerpen.De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 25 mei 2023 en tot terugwijzing.De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Het kind is in 2006 in Gambia geboren.
(ii) De vrouw heeft vanaf september 2019 tot eind september 2021 in Gambia verbleven. Daarna is de vrouw naar Nederland teruggekeerd.
(iii) Het kind verblijft nog steeds in Gambia.
(iv) De Kanifing Children’s Court of the Gambia heeft in januari 2021 de adoptie van het kind door de man en de vrouw uitgesproken (hierna: de adoptiebeslissing).
(v) De man en de vrouw zijn met elkaar gehuwd.
2.2
De man en de vrouw verzoeken op de voet van art. 1:26 BW, voor zover in cassatie van belang, erkenning van de adoptiebeslissing ten aanzien van de vrouw. De rechtbank1.heeft het verzoek toegewezen en, voor zover in cassatie van belang, voor recht verklaard dat de adoptiebeslissing ten aanzien van de vrouw aan de in art. 10:108 BW genoemde voorwaarden voor erkenning voldoet en daarmee van rechtswege ten aanzien van haar wordt erkend.
2.3
De Staat heeft hoger beroep ingesteld. Het hof2.heeft de Staat daarin niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat de Staat geen belanghebbende is. Het heeft, voor zover in cassatie van belang, het volgende aan dat oordeel ten grondslag gelegd.
Bij een beslissing op grond van art. 10:108 BW gaat het erom te bepalen of een buitenlandse adoptiebeslissing voor erkenning van rechtswege in aanmerking komt. Uit het systeem van de wet vloeit voort dat wanneer voldaan is aan de vereisten van art. 10:108 BW en de adoptie aldus erkend wordt, het kind van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt (art. 5b Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN)). Verkrijging van het Nederlanderschap is aldus een gevolg van de erkenning op grond van art. 10:108 BW. Dat dit Nederlanderschap de rechten en verplichtingen van de Staat raakt, maakt echter niet dat de rechten en verplichtingen van de Staat rechtstreeks bij de procedure tot erkenning van de buitenlandse adoptie zijn betrokken. Het betreft hier hooguit een indirect belang, niet een rechtstreeks belang als bedoeld in art. 798 lid 1 Rv. (rov. 5.3.5)
Bij een procedure met het verzoek tot erkenning van een buitenlandse adoptie op grond van art. 10:108 BW kunnen ten behoeve van de beslissing door de rechter verschillende instanties belast met overheidstaken betrokken worden, met ieder eigen taken ten aanzien van de controle op de zorgvuldigheid van de procedure en de beslissing. Ten eerste is de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag belanghebbende. Ten tweede is ten aanzien van de belangen van het kind de raad voor de kinderbescherming in de procedure betrokken. Tot slot is er de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om gehoord te worden. Het belang van het kind is in het wettelijk systeem bij deze instanties belegd als waarborg voor de zorgvuldigheid waar de Staat voor zegt op te komen. Dat de Staat het niet eens is met de uiteindelijke beslissing, maakt niet dat de Staat alsnog zelf kan optreden in de procedure. Ook het belang van het kind maakt dus niet dat de Staat als rechtstreeks belanghebbende beschouwd moet worden. (rov. 5.3.6)
3. Beoordeling van het middel
3.1
Volgens onderdeel A van het middel heeft het hof miskend dat de Staat in het onderhavige geval als belanghebbende moet worden aangemerkt, omdat erkenning van de adoptiebeslissing van rechtswege het Nederlanderschap tot gevolg heeft. De Staat is de meest aangewezene om, zo daartoe aanleiding is, zich in het algemeen belang te verzetten tegen toewijzing van een verzoek dat leidt tot vaststelling van het Nederlanderschap, aldus de klacht.
3.2.1
Op grond van art. 17 RWN kan, voor zover in deze zaak van belang, een ieder die daarbij onmiddellijk belang heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap. Uit art. 18 RWN, zoals dat geldt sinds 1 oktober 2023, volgt dat de minister van Justitie en Veiligheid in zo’n procedure belanghebbende is en dat de rechtbank de Staat hoort.
3.2.2
Art. 18 lid 1 (oud) RWN bepaalde, voor zover in deze zaak van belang, dat omtrent verzoeken zoals bedoeld in art. 17 RWN, het openbaar ministerie wordt gehoord. Ten aanzien van de vraag of de Staat belanghebbende is bij een verzoek op de voet van art. 17 RWN heeft de Hoge Raad in 1988, dus toen art. 18 lid 1 (oud) RWN nog gold, het volgende overwogen:3.
“Bij de vraag of iemand al dan niet het Nederlanderschap bezit is, reeds in verband met tal van wettelijke regelingen, het algemeen belang altijd nauw betrokken. Daarom is de Staat de meest aangewezene om, zo daartoe aanleiding is, zich in het algemeen belang te verzetten tegen toewijzing van een verzoek als in art. 17 bedoeld.
Daar komt nog bij dat ingevolge art. 19 van genoemde Rijkswet aan een onherroepelijk geworden beschikking, gegeven met toepassing van art. 17, elk met de uitvoering van enige wettelijke regeling belast orgaan gebonden is.
Tegen deze achtergrond moet de Staat worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 18 en van de art. 429f en 429h Rv, die ingevolge evengenoemde bepaling te dezen van toepassing zijn.
Weliswaar is de tussenkomst van het OM voorgeschreven en wordt daarover in de MvA op het ontwerp van de Rijkswet opgemerkt:
‘Daardoor is verzekerd dat — zo nodig — het oordeel van de administratie tot gelding kan komen. Niets belet overigens, dat in de procedure een ambtenaar van het Ministerie van Justitie als deskundige wordt gehoord’ (Bijl. Hand. II 1982–1983, 16947 (R 1181) nr. 7, p. 33),
maar dat doet aan het vorenoverwogene niet af. Het OM wordt gehoord, maar is noch vertegenwoordiger van de Staat noch belanghebbende en de in art. 18 lid 2 voorziene beroepsregeling stelt dan ook voor het OM beroep in cassatie niet open. Wat er ook verder zij van de in het citaat voorgestelde mogelijkheden om het standpunt van de Staat ter kennis van de rechter te brengen, zij zijn in ieder geval ontoereikend te achten. Bezwaarlijk kan worden aangenomen dat op die manier de Staat zou worden beknot in de mogelijkheid welke deze aan zijn eerder omschreven positie ontleent om als belanghebbende op te treden. De tekst van de wet noopt daartoe niet, evenmin als de wetsgeschiedenis, voormeld citaat daarbij inbegrepen.”
3.3.1
De verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een adoptiefkind is geregeld in de art. 5a en 5b RWN. Art. 5b RWN ziet op adopties die tot stand zijn gekomen in landen die niet zijn aangesloten bij het Haags Adoptieverdrag,4.zoals in dit geval Gambia. Ingevolge het eerste lid van deze bepaling wordt Nederlander het kind dat in het buitenland bij uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit wordt geadopteerd, indien en op het tijdstip waarop aan de volgende voorwaarden is voldaan:
a. de adoptie voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in Nederland van art. 10:108 of art. 10:109 BW, en
b. de adoptie heeft tot gevolg dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken, en
c. ten minste een der adoptiefouders is Nederlander op de dag dat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, en
d. het kind was op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig.
3.3.2
Met een verklaring voor recht op de voet van art. 1:26 BW dat een buitenlandse adoptiebeslissing aan de voorwaarden voor erkenning voldoet, zoals de rechtbank die in het onderhavige geval heeft gegeven, staat vast dat aan de voorwaarde van art. 5b lid 1, onder a RWN is voldaan. Als ook aan de overige voorwaarden van het eerste lid van art. 5b RWN is voldaan, leidt dit ertoe dat het adoptiefkind van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt.
3.4
Een verzoek tot het geven van een verklaring voor recht op de voet van art. 1:26 BW dat een buitenlandse adoptiebeslissing aan de voorwaarden voor erkenning voldoet, kan ertoe leiden dat van rechtswege de Nederlandse nationaliteit wordt verkregen (zie hiervoor in 3.3.1-3.3.2). Gelet op de bijzondere aard van deze nationaliteitsverkrijging en op het met de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit verbonden algemeen belang, moet de Staat in een dergelijke procedure als belanghebbende worden aangemerkt. Een en ander sluit aan bij de overwegingen van de Hoge Raad die leidden tot de conclusie dat de Staat belanghebbende is in een procedure op de voet van art. 17 RWN (zie hiervoor in 3.2.2), en de bestendiging daarvan in art. 18 RWN5., dat de minister van Justitie en Veiligheid als belanghebbende aanwijst (zie hiervoor in 3.2.1). Het past dan ook in het stelsel van de wet en sluit aan bij de wel uitdrukkelijk in de wet geregelde gevallen om de Staat als belanghebbende aan te merken in een procedure op de voet van art. 1:26 lid 1 BW. De rol die in art. 1:26 lid 2 BW is toebedeeld aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en het openbaar ministerie, doet aan deze zelfstandige positie van de Staat niet af.
3.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, is de Staat in deze procedure belanghebbende en kan hij dus hoger beroep instellen tegen de op de voet van art. 1:26 BW gegeven beslissing van de rechtbank. Het andersluidende oordeel van het hof geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De daartegen gerichte klachten van onderdeel A slagen.
3.6
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 mei 2023;
- verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 6 december 2024.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 06‑12‑2024
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1732.
HR 4 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8705.
Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie, ’s-Gravenhage, 29 mei 1993, Trb. 1993, 197 en Trb. 1996, 94.
Kamerstukken II 2020/21, 35688 (R2151), nr. 3, p. 6.
Conclusie 12‑04‑2024
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Kan Staat als belanghebbende ex art. 798 Rv in hoger beroep opkomen tegen beslissing rechtbank tot erkenning buitenlandse adoptie (art. 10:108 en 10:109 BW)?; nationaliteitsgevolg (art. 5b RWN); voorafgaande bestuursrechtelijke procedure inzake verkrijging machtiging voorlopig verblijf.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/03307
Zitting 12 april 2024
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid; Immigratie- en Naturalisatiedienst)
(hierna: de Staat)
tegen
1. [de man]
(hierna: de man)
2. [de vrouw]
(hierna: de vrouw)
In hoger beroep zijn als belanghebbenden aangemerkt:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [plaats] , Gambia
(hierna: de minderjarige);
- de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag;
- [biologische ouder 1] en [biologische ouder 2] , de biologische ouders van de minderjarige.
In hoger beroep is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg.
1.Inleiding
In deze zaak heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de beslissing van de Gambiaanse rechter over de adoptie van de minderjarige ten aanzien van de vrouw voldoet aan de in art. 10:108 BW genoemde voorwaarden voor erkenning en daarmee in Nederland van rechtswege ten aanzien van de vrouw wordt erkend. De Staat is van deze beschikking in hoger beroep gegaan, omdat hij het niet eens is met de erkenning van de Gambiaanse adoptiebeslissing. De Staat heeft betoogd dat hij als belanghebbende dient te worden aangemerkt. Het hof heeft de Staat niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, omdat de Staat niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van art. 798 Rv. Tegen dit oordeel komt de Staat op in cassatie.
2. Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan, kort gezegd, van de volgende feiten worden uitgegaan.1.De man en de vrouw zijn op 26 mei 2000 met elkaar gehuwd.
2.2
De minderjarige is op [geboortedatum] 2006 te Gambia geboren als kind van [biologische ouder 2] en [biologische ouder 1] .
2.3
De vrouw heeft vanaf [geboortedatum] 2019 tot eind september 2021 onafgebroken in Gambia verbleven. Op 22 september 2021 is de vrouw vanwege ernstige gezondheidsproblemen naar Nederland teruggekeerd. De minderjarige is nog steeds in Gambia.
2.4
Bij uitspraak van de Kanifing Children’s Court of the Gambia (hierna: de Gambiaanse rechtbank) van 21 januari 2021 is de adoptie van de minderjarige door de man en de vrouw uitgesproken.
2.5
Op 13 april 20212.hebben de man en de vrouw de rechtbank Zeeland-West-Brabant, voor zover in cassatie van belang, primair verzocht om de adoptiebeslissing van de Gambiaanse rechtbank te erkennen en subsidiair om de adoptie van de minderjarige door de man en de vrouw naar Nederlands recht uit te spreken.
2.6
De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag (hierna: de abs) is door de rechtbank als belanghebbende aangemerkt. Bij brief van 11 juni 2021 heeft de abs de rechtbank onder meer het volgende bericht over het aanvankelijke inleidende primaire verzoek van de man en de vrouw:
‘Gambia is niet aangesloten aan het Haags adoptieverdrag zodat de erkenning van onderhavige adoptie dus beoordeeld moet worden aan de hand van de bepalingen van titel 6 afdeling 3 van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 10:108 BW ziet toe op de erkenning van rechtswege van niet verdragsadopties, waarbij zowel het geadopteerde kind als ook de adoptieouders zowel ten tijde van het verzoek als ook ten tijde van de beslissing, hun gewone woon- en verblijfsplaats hebben in dat land, die de adoptie beslissing heeft genomen. Zover nu kan worden beoordeeld is de ABS van oordeel dat [de vrouw] te [lees: ten, A-G] tijde van het indienen van het adoptieverzoek in Gambia en ten tijde van de uitspraak daarvan, woonplaats in Gambia bezat terwijl [de man] in Nederland verbleef. De adoptie dient naar het oordeel van de ABS daarom erkent [lees: erkend, A-G] te worden op grond van art 10:109 BW. Uit het verzoekdossier blijkt niet dat aan verzoekster een beginseltoestemming is verleend zodat moet worden aangenomen dat gelet op de in dit artikel opgenomen eis, niet [aan, A-G] de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen [ter adoptie, A-G] is voldaan.’
2.7
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) is op grond van art. 810 Rv gekend in de procedure en verzocht om advies uit te brengen aan de rechtbank over het verzoek van de man en de vrouw. Bij brief van 14 juli 20213.heeft de Raad aan de rechtbank bericht dat de Raad de man en de vrouw niet heeft gescreend inzake het afgeven van een beginseltoestemming ter opname van een buitenlands kind ter adoptie. Deze screening is door Gambia uitgevoerd. De Raad heeft volgens het hof4.verder in de brief bericht dat de man en de vrouw niet voorkomen in het systeem van de Raad en dat de Raad geen advies kan geven over het verzoek nu de werkelijke verblijfplaats van de vrouw en de minderjarige zich niet in Nederland bevindt.
2.8
De rechtbank heeft de minderjarige gehoord (via een videoverbinding).
2.9
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg hebben de man en de vrouw hun verzoeken zoals vermeld onder 2.5 van deze conclusie gewijzigd in die zin dat zij verzoeken (primair) de adoptiebeslissing van de Gambiaanse rechtbank alleen ten aanzien van de vrouw te erkennen dan wel (subsidiair) de adoptie van de minderjarige naar Nederlands recht alleen ten aanzien van de vrouw uit te spreken.
2.10
De rechtbank heeft bij beschikking van 8 december 20215., voor zover in cassatie relevant, voor recht verklaard dat de adoptiebeslissing van de Gambiaanse rechtbank met betrekking tot de minderjarige ten aanzien van de vrouw aan de in art. 10:108 BW genoemde voorwaarden voor erkenning voldoet en daarmee van rechtswege ten aanzien van haar wordt erkend. De rechtbank heeft de abs gelast de in Gambia door de bevoegde buitenlandse instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte van geboorte van de minderjarige in te schrijven.
2.11
Bij beroepschrift van 7 maart 2022 heeft de Staat het hof ’s-Hertogenbosch verzocht om de beschikking van de rechtbank te vernietigen en de verzoeken van de man en de vrouw af te wijzen, met veroordeling van de man en de vrouw in de kosten van het hoger beroep, een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.
2.12
De man en de vrouw hebben verweer gevoerd, waaronder het verweer dat de Staat niet-ontvankelijk moet worden verklaard in diens hoger beroep.
2.13
De abs heeft bij brief van 13 mei 2022 aan het hof laten weten dat hij net als de Staat van oordeel is dat de onderhavige adoptie niet van rechtswege voor erkenning in aanmerking komt. Om die reden is de inschrijving destijds geweigerd. De abs acht de grieven van de Staat steekhoudend, maar refereert zich niettemin aan het oordeel van het hof.
2.14
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 september 2022, waarbij onder meer de Staat en de vrouw aanwezig waren. De man is niet op de mondelinge behandeling verschenen. Op de mondelinge behandeling is alleen het onderwerp van de ontvankelijkheid besproken.
2.15
Bij beschikking van 25 mei 2023 heeft het hof de Staat niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen (voetnoot weggelaten, A-G):
‘5.3.3. Het geschil over de ontvankelijkheid spitst zich toe op de vraag of de Staat in deze zaak belanghebbende is, want alleen dan komt aan de Staat het recht toe (…) om hoger beroep in te stellen.
5.3.4.
De rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht, in andere zaken dan scheidingszaken, wordt beheerst door afdeling 1 van titel 6 van boek 3 (artikel 798-813) Rv. Artikel 798 lid 1, eerste volzin, Rv bepaalt dat voor de toepassing van deze afdeling onder belanghebbende wordt verstaan “degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft”. Art. 798 Rv is ingevoerd per 1 april 1995, als onderdeel van de Wet tot herziening van het procesrecht in zaken van personen- en familierecht. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat artikel 798 lid 1 Rv een beperking geeft aan het belanghebbende-begrip: het woord ‘rechtstreeks’ impliceert dat een indirect belang niet voldoende is om als belanghebbende te worden aangemerkt.
De vraag wie belanghebbende is wordt aan de ene kant bepaald door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en aan de andere kant door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Alleen als het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is de betrokkene in die zaak belanghebbende.
5.3.5.
Het onderwerp in onderhavige zaak is de erkenning van een rechterlijke beslissing van een andere staat; namelijk de erkenning van de Gambiaanse adoptiebeslissing. De inhoudelijke toets van de adoptie is door de rechtbank in Gambia gedaan. De rechtbank heeft geoordeeld dat de Gambiaanse adoptiebeslissing ten aanzien van [de vrouw] voldoet aan de in artikel 10:108 BW genoemde voorwaarden en daarmee van rechtswege ten aanzien van haar wordt erkend. Daarbij heeft de rechtbank een oordeel gegeven over de gewone verblijfplaats van [de vrouw] ten tijde van de adoptieprocedure en een oordeel over de procedure in Gambia.
Anders dan de Staat betoogt worden de rechten en verplichtingen van de Staat door deze beslissing niet rechtstreeks geraakt. Bij een beslissing op grond van artikel 10:108 BW gaat het erom te bepalen of een buitenlandse adoptiebeslissing voor erkenning van rechtswege in aanmerking komt. Uit het systeem van de wet vloeit voort dat wanneer voldaan is aan de vereisten van artikel 10:108 BW en de adoptie aldus erkend wordt, de minderjarige van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt (artikel 5b Rijkswet op het Nederlanderschap). Verkrijging van het Nederlanderschap is aldus een gevolg van de erkenning ex artikel 10:108 BW (als sterke adoptie). Dat dit Nederlanderschap de rechten en verplichtingen van de Staat raakt, maakt echter niet dat de rechten en verplichtingen van de Staat rechtstreeks bij de procedure tot erkenning van de buitenlandse adoptie zijn betrokken. Het betreft hier hooguit een indirect belang, niet een rechtstreeks belang als bedoeld in art. 798 lid 1 Rv.
De verwijzing van de Staat naar het arrest Santos/Staat (Hoge Raad 4 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988: AB8705, NJ 1989/628) leidt niet tot een ander oordeel. Het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak in de Santos-zaak was het verzoek tot vaststelling van het bezit van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap, ofwel het verzoek om een beslissing over de nationaliteit. Een beslissing over nationaliteit kan er toe leiden dat de rechten en verplichtingen van de Staat rechtstreeks worden geraakt. Het onderwerp van geschil is anders in onderhavige zaak. Zoals hiervoor beschreven, gaat onderhavige zaak over erkenning van een rechterlijke beslissing van een andere staat, waarbij de rechten en verplichtingen van de Staat niet rechtstreeks zijn betrokken.
5.3.6.
De Staat heeft voorts gesteld dat hij eindverantwoordelijk is voor het waarborgen van het belang van het kind, gelet op het feit dat interlandelijke adoptie een ingrijpende gebeurtenis is. Het hof begrijpt het standpunt zo, dat de Staat meent dat in deze procedure geen goede beslissing is genomen, en als niemand daarop ingrijpt, de Staat dat als belanghebbende moet kunnen doen.
Het hof is van oordeel dat de Staat die bevoegdheid niet als belanghebbende toekomt.
Bij een procedure met het verzoek tot erkenning van een buitenlandse adoptie op grond van artikel 10:108 BW kunnen ten behoeve van de beslissing door de rechter verschillende instanties belast met overheidstaken betrokken worden, met ieder eigen taken ten aanzien van de controle op de zorgvuldigheid van de procedure en de beslissing.
Ten eerste is de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag belanghebbende. In onderhavige procedure heeft de abs geweigerd om de adoptie en geboorteakte van de minderjarige in te schrijven in de registers, omdat de abs meende dat niet was voldaan aan de vereisten van artikel 10:108 BW; die weigering heeft geleid tot het verzoek aan de rechtbank in eerste aanleg. De abs is verschenen en gehoord in de procedure in eerste aanleg. Alhoewel de abs het op zichzelf eens is met inhoud van de grieven van de staat tegen de beslissing van de rechtbank, heeft de abs geen aanleiding gezien om hoger beroep in te stellen tegen de beslissing van de rechtbank.
Ten tweede is ten aanzien van de belangen van het kind, de raad in de procedure betrokken en heeft de raad de rechtbank in eerste aanleg geadviseerd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de raad of een organisatie in het buitenland nader onderzoek te laten doen naar de situatie van de minderjarige; uit de processtukken blijkt ook niet dat de raad hiertoe aanleiding zag.
Tot slot is er de mogelijkheid voor het openbaar ministerie om gehoord te worden. Eén van de weigeringsgronden voor erkenning zoals geformuleerd in artikel 10:108 BW is de strijd met de openbare orde. De rechtbank had de mogelijkheid om het openbaar ministerie op grond van artikel 44 Rv te vragen om te concluderen, maar heeft daartoe kennelijk geen aanleiding gezien. Evenmin heeft de raad of de abs kennelijk aanleiding gezien om het openbaar ministerie te vragen betrokken te worden in de procedure.
Het belang van het kind is in het wettelijk systeem bij deze instanties belegd als waarborg voor de zorgvuldigheid waar de Staat voor zegt op te komen. Dat de Staat het niet eens is met de uiteindelijke beslissing, maakt niet dat de Staat alsnog zelf kan optreden in de procedure. Ook het belang van het kind maakt dus niet dat de Staat als rechtstreeks belanghebbende beschouwd moet worden.
5.3.7.
Nu de Staat niet als belanghebbende is aan te merken in de zin van artikel 798 Rv, dient hij in het door hem ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.’
2.16
De Staat heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de beschikking van het hof. De man en de vrouw hebben verweer gevoerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel bevat, na een inleiding, vier onderdelen (A t/m D).
3.2
Onderdeel A klaagt dat het hof heeft miskend dat de Staat wel degelijk in een zaak als deze als belanghebbende moet worden aangemerkt en hoger beroep kon instellen. Erkenning van een buitenlandse (Gambiaanse) adoptiebeslissing heeft, zoals het hof met juistheid heeft overwogen, van rechtswege (dus: direct) het Nederlanderschap tot gevolg. Een beslissing tot erkenning komt in een geval als dit impliciet neer op een beslissing dat het Nederlanderschap is verkregen. Nu, zoals het hof ook heeft onderkend, door een beslissing over het Nederlanderschap de rechten en verplichtingen van de Staat kunnen worden geraakt, geldt dat ook voor een beslissing over de erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing op de voet van art. 10:108 BW of art. 10:109 BW. De zaak heeft daarom rechtstreeks betrekking op de rechten en verplichtingen van de Staat. Volgens het onderdeel is het algemeen belang altijd nauw betrokken bij de vraag of iemand al dan niet het Nederlanderschap bezit. Verkrijging van het Nederlanderschap betreft op zichzelf al de verlening van een recht aan de minderjarige, en brengt daarnaast rechten en verplichtingen van de Staat jegens de minderjarige mee. De Staat is de meest aangewezene om, zo daartoe aanleiding is, zich in het algemeen belang te verzetten tegen toewijzing van een verzoek dat leidt tot vaststelling van het Nederlanderschap. De beslissing van het hof is onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat de enkele omstandigheid dat deze procedure is ingestoken als een procedure over de erkenning van een adoptie en niet als een procedure op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), maakt dat de Staat niet voldoende (rechtstreeks) belanghebbende is, aldus het onderdeel.
3.3
Onderdeel B betoogt dat de voorgaande klachten in het onderhavige geval gelden, waarin de IND ook al in een bestuursrechtelijke procedure met verzoeker(s) betrokken was over deels dezelfde rechtsvragen over de mogelijkheid van erkenning van een buitenlandse adoptie. Het onderdeel verwijst naar de inleiding van de procesinleiding.6.Daarin is uiteengezet dat de man reeds op 25 mei 2020, dus vóór het starten van de onderhavige procedure, een aanvraag voor een machtiging voorlopig verblijf (hierna: mvv) voor de minderjarige heeft gedaan, met als doel ‘verblijf als adoptiekind bij [de man]’. De IND heeft deze aanvraag op 13 juli 2020 afgewezen, omdat niet was voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld in de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka). In het bijzonder was geen beginseltoestemming afgegeven door het Ministerie van Justitie en Veiligheid en ook was niet gebleken dat de afstand door de biologische ouders naar behoren was geregeld. De man heeft tegen deze afwijzing tevergeefs bezwaar gemaakt en vervolgens tevergeefs beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag. Tegen de bestuursrechtelijke uitspraak van de rechtbank Den Haag over de mvv heeft de man hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling heeft het beroep van de man verworpen bij uitspraak van 17 mei 2022.7.De procesinleiding vermeldt dat in de onderhavige procedure bij het hof deze uitspraak niet in het geding is gebracht en ook niet is besproken op de mondelinge behandeling bij het hof op 20 september 2022.
3.4
De beide onderdelen lenen zich voor gezamenlijke behandeling, waarbij ik het volgende vooropstel. In de algemene regeling voor verzoekschriftprocedures in Boek 1, titel 3 Rv, is niet nader bepaald wie tot de groep van belanghebbenden behoren. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt het antwoord op de vraag wie tot belanghebbenden zijn te rekenen, afgeleid uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen.8.Daarbij zal een rol spelen in hoeverre de betrokkene door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang, of in hoeverre hij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.9.Met betrekking tot de rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht (met uitzondering van echtscheidingszaken) bepaalt art. 798 Rv dat onder belanghebbende moet worden verstaan ‘degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft’.10.Daarmee heeft de wetgever de in beginsel ruime kring van belanghebbenden bij deze procedures enigszins willen inperken. Niet iedereen die pretendeert een belang in de zin van betrokkenheid bij (sympathie voor) de zaak te hebben, zal in de procedure als belanghebbende worden erkend. De zaak moet rechtstreeks betrekking hebben op zijn rechten en verplichtingen, een indirect belang is niet voldoende.11.
3.5
Welke persoon of instelling als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv.12.
3.6
Voor het kunnen instellen van hoger beroep door een belanghebbende is niet vereist dat hij in eerste aanleg is verschenen.13.De appelrechter dient ambtshalve te beoordelen of een betrokkene in hoger beroep belanghebbende is in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv. Daarbij is de appelrechter niet gebonden aan het oordeel dienaangaande van de rechter in eerste aanleg.14.
3.7
Op grond van de genoemde maatstaf geldt dat de Staat normaliter in civielrechtelijke procedures die betrekking hebben op de erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing niet als belanghebbende dient te worden aangemerkt. De erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing op de voet van art. 10:108 BW of art. 10:109 BW leidt tot de aanvaarding van familierechtelijke betrekkingen tussen adoptiefouders en hun adoptiefkind en heeft niet rechtstreeks betrekking op de rechten en verplichtingen van de Staat. Art. 10:108 BW en art. 10:109 BW hebben geen betrekking op de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit van het adoptiefkind. De verkrijging van rechtswege van de Nederlandse nationaliteit door een adoptiefkind is geregeld in art. 5a en 5b RWN. Art. 5a RWN heeft betrekking op de adopties die zijn uitgesproken door een buitenlandse bevoegde autoriteit in overeenstemming met het Haags Adoptieverdrag, terwijl art. 5b RWN ziet op de adopties die in niet-verdragslanden, zoals in dit geval in Gambia, tot stand zijn gekomen. Dat de erkenning van een Gambiaanse adoptie door de Nederlandse rechter een nationaliteitsgevolg met zich kan brengen indien is voldaan aan de voorwaarden van art. 5b RWN15.betreft dan ook een indirect belang en is op zichzelf genomen niet voldoende om de Staat als belanghebbende in zo’n erkenningsprocedure aan te merken. Net zo min als de Staat bijvoorbeeld als belanghebbende kan optreden in een civielrechtelijke procedure waarin erkenning wordt gevraagd van de in het buitenland tot stand gekomen erkenning van een kind door een Nederlander. Ook zo’n erkenning kan nationaliteitsgevolg hebben, maar dit gevolg betekent op zichzelf nog niet dat de Staat een direct belang bij de civielrechtelijke erkenningsprocedure heeft.
3.8
In dit geval heeft de Staat echter in het beroepschrift bij het hof erop gewezen dat de Staat reeds in bestuursrechtelijke procedures met de man en de minderjarige betrokken is geweest. Uit het beroepschrift en productie 4 daarbij blijkt dat reeds vóór het aanhangig zijn van de onderhavige procedure en gedurende deze procedure, tussen de man en de minderjarige enerzijds en de Staat anderzijds uitvoerig is geprocedeerd over verblijf in Nederland van de minderjarige. Zo heeft de rechtbank Den Haag op 15 september 2021 uitspraak gedaan over het beroep op de afwijzing door de Staat van de aanvraag van de man tot het verlenen van een mvv aan de minderjarige voor het doel ‘Verblijf als adoptiekind bij [de man]’.16.De rechtbank heeft dit beroep ongegrond verklaard, waarbij de rechtbank (onder meer) in rov. 5 heeft overwogen dat de huidige zaak een bestuursrechtelijke zaak is ‘waarin de aanvraag voorligt voor een mvv met als doel adoptie van eiser door [de man] in Nederland’. Verder heeft de rechtbank overwogen:
‘Het is niet aan verweerder, of de bestuursrechter, om te beoordelen of een adoptie in Nederland kan worden erkend zonder dat aan alle vereisten voor adoptie is voldaan. De adoptie moet daarom, om erkend te worden, beoordeeld worden door de burgerlijke rechter. Ter zitting heeft gemachtigde van eiser dit ook erkend en hij heeft inmiddels een verzoek om erkenning van de buitenlandse adoptie bij de burgerlijke rechter ingediend.’
3.9
Hoewel het doel van de bestuursrechtelijke procedure en die van de civielrechtelijke procedure verschillend is, bestaat tussen beide procedures in deze zaak een nauw verband. De Staat is partij geweest in de bestuursrechtelijke procedures over de aanvraag van een mvv en is daardoor zo nauw betrokken bij het onderwerp dat in de onderhavige civielrechtelijke procedure wordt behandeld, dat daarin voor de Staat een direct belang is gelegen om in die procedure te verschijnen. Het onderwerp van deze zaak leidt ertoe dat de rechten en verplichtingen waarop de Staat zich beroept rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, in die zin dat ook de civielrechtelijke procedure tot gevolg kan hebben dat de minderjarige rechtmatig in Nederland zal kunnen verblijven (via de weg van de erkenning van de Gambiaanse adoptiebeslissing, waardoor niet alleen familierechtelijke betrekkingen tussen adoptiefouder(s) en adoptiefkind ontstaan, maar ook op grond van art. 5b RWN van rechtswege het Nederlanderschap wordt verkregen). Ik meen dan ook dat de Staat als belanghebbende in deze zaak kan worden aangemerkt en dat de daarop gerichte klachten van de beide onderdelen doel treffen.
3.10
Onderdeel C is gericht tegen rov. 5.3.6 van de bestreden beschikking. Dit onderdeel is slechts ‘volledigheidshalve’ door de Staat aangevoerd. Nu de beschikking van het hof niet in stand kan blijven om de redenen die ik bij de bespreking van de onderdelen A en B heb genoemd, behoeft onderdeel C geen behandeling.
3.11
Onderdeel D bevat nog de voortbouwende klacht dat gegrondbevinding van één of meer van de voorgaande klachten tevens rov. 5.3.7 en het dictum vitieert. Bij het slagen van de klachten van voorgaande onderdelen, slaagt ook deze klacht.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 25 mei 2023 en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 12‑04‑2024
Zie de bestreden beschikking van het hof ’s-Hertogenbosch van 25 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1732, RFR 2023/113, rov. 4.1.
Ontvangen door de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 15 april 2021.
In rov. 4.4 van de beschikking van het hof staat per abuis 4 juni 2021.
Zie rov. 4.4 van de beschikking van het hof.
Naar nr. 2.2, 2.7, 3.14 en 3.15 van de inleiding.
HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387, NJ 1992/149, m.nt. J.M.M. Maeijer, rov. 4.2.
Zie onder meer HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3636, NJ 2016/172, m.nt. F.M.J. Verstijlen, rov. 4.3.1.
Zie ook Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3 (MvT), p. 8: ‘In de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure zal het begrip belanghebbende, als het een zaak van personen- en familierecht betreft, op de wijze als in artikel 798 lid 1 is bepaald, moeten worden geïnterpreteerd.’
Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3 (MvT), p. 6-7. Zie over het begrip ‘belanghebbende’ van art. 798 Rv ook uitvoerig de conclusie van A-G Lückers (ECLI:NL:PHR:2022:45) vóór HR 17 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:873, RvdW 2022/616; conclusie A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2021:1059) vóór HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:622, NJ 2022/176; conclusie A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2021:324) vóór HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:950, NJ 2021/257, m.nt. S.F.M. Wortmann; conclusie A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2018:113) vóór HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463, NJ 2018/268, m.nt. S.F.M. Wortmann; conclusie A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2018:162) vóór HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:488, NJ 2018/267, m.nt. S.F.M. Wortmann.
HR 22 april 2022, reeds aangehaald, rov. 3.1.2.
Zie ook onder 2.4 en 2.22 van de conclusie van A-G De Bock (ECLI:NL:PHR:2018:113) vóór HR 30 maart 2018, reeds aangehaald.
HR 30 maart 2018, reeds aangehaald, rov. 3.5, onder verwijzing naar Kamerstukken II 1991-1992, 22 487, nr. 3, p. 12.
Art. 5b RWN bepaalt onder meer dat het kind dat in het buitenland bij uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit wordt geadopteerd Nederlander wordt, indien (a) de adoptie voldoet aan de voorwaarden voor erkenning in Nederland van art. 10:108 BW of art. 10:109 BW; (b) de adoptie tot gevolg heeft dat de voordien bestaande familierechtelijke betrekkingen worden verbroken; (c) ten minste een der adoptiefouders Nederlander is op de dag dat de uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen; en (d) het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was.
Rb. Den Haag 15 september 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:16477.
Beroepschrift 24‑08‑2023
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 2511 EK DEN HAAG |
Datum indiening: | 24 augustus 2023 |
Partijen en advocaten
Verzoeker tot cassatie
Naam: | de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid; Immigratie- en Naturalisatiedienst) (‘de Staat (de IND)’) |
Met zetel te: | Den Haag |
Advocaat bij de Hoge Raad: | S.M. Kingma, die door verzoeker als zodanig wordt aangewezen om hem in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. Bezuidenhoutseweg 57 2594 AC DEN HAAG |
Verweerders in cassatie
Naam: | 1. [de man] (‘[de man]’) en 2. [de vrouw] (‘[de vrouw]’), beiden (voor zover bekend uit de processtukken) wonende te [woonplaats] aan het [adres] |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | mr. P.J. van den Hoogen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Paradijsweg 42A 5611 KP EINDHOVEN |
Tevens zijn door het hof als belanghebbende aangemerkt:
- •
de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag (die per brief aan het hof haar standpunt ter kennis heeft gebracht, zie rov. 4.3 van de bestreden beschikking)
- °
Spui 70, 2511 BT DEN HAAG / Postbus 12620, 2500 DL DEN HAAG
- •
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats], Gambia (‘de minderjarige’);
- •
[biologische ouder 1] en [biologische ouder 2], de biologische ouders van de minderjarige.
Bestreden beschikking
Instantie: | Gerechtshof 's‑Hertogenbosch |
Datum: | 25 mei 2023 |
Zaaknummer: | 200.307.641/01 |
1. Kern van de zaak
1.1
De adoptie van een minderjarige in het buitenland bij uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit kan van rechtswege ertoe leiden dat de minderjarige het Nederlanderschap verkrijgt. Aan de erkenning van die adoptie — en daarmee: de verkrijging van het Nederlanderschap (en daarmee: het recht op toelating tot Nederland) — stelt de wet verschillende vereisten. In die context stelt dit cassatieberoep de volgende (rechts)vraag aan de orde:
Kan de Staat (de IND) in hoger beroep opkomen tegen een declaratoire beschikking tot erkenning van een adoptie die van rechtswege leidt tot verkrijging van het Nederlanderschap (en daarmee: tot recht op toelating tot Nederland), als de Staat meent dat aan de vereisten voor die erkenning niet is voldaan?
1.2
Beantwoording van deze rechtsvraag door uw Raad is niet alleen van belang voor de rechtszekerheid, maar ook voor de rechtseenheid, nu de vraag door appelrechters verschillend wordt beantwoord.
‘Anders dan in deze zaak, werd de Staat in vergelijkbare procedures bij andere gerechtshoven wél ontvankelijk geacht in zijn hoger beroep. Zie:
- •
Hof Leeuwarden 16 december 2005, ECLI:NL:GHLEE:2005:AV0550;
- •
Hof Den Haag 18 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:4005.’
2. Procesverloop
2.1
Het gaat in deze zaak om de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de Staat (de IND) tegen de beschikking van 8 december 2021 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, gegeven op een verzoek van [de man] en [de vrouw] van 13 april 2021, ingekomen op 15 april 2021. Dat verzoek (kennelijk: op de voet van art. 1:26 BW) strekt onder meer tot de erkenning van een in Gambia op 25 mei 2020 uitgesproken adoptiebeslissing van de Kanifing Children's Court over — de destijds 14-jarige — [de minderjarige] (‘de minderjarige’).
2.2
Op dat moment liep er al een bestuursrechtelijke procedure over (onder meer) het voldoen aan de voorwaarden van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka).1. Op 25 mei 2020, nadat [de man] en [de vrouw] door de rechter in Gambia tot pleegouders van de minderjarige waren benoemd, heeft [de man] een aanvraag voor een machtiging voorlopig verblijf (mvv) voor de minderjarige gedaan, met als doel ‘verblijf als adoptiekind bij [de man]’. Op 13 juli 2020 heeft de IND deze aanvraag afgewezen, omdat niet was voldaan aan de voorwaarden die zijn gesteld in de Wobka.2. In het bijzonder was geen beginseltoestemming afgegeven door het Ministerie van Justitie en Veiligheid en was het ook niet waarschijnlijk dat dat zou gebeuren, gelet op de leeftijd van de pleegouders, mede in relatie tot de leeftijd van de minderjarige. Daarnaast was niet gebleken dat de afstand door de biologische ouders naar behoren was geregeld. [de man] heeft tevergeefs bezwaar gemaakt, en vervolgens tevergeefs beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag.
2.3
Bij beslissing van 19 januari 2021 heeft de rechter in Gambia de adoptie uitgesproken van de minderjarige door [de man] en [de vrouw] gezamenlijk.3.
2.4
Op 14 april 2021 heeft [de vrouw] verzocht aan de ambtenaar van de burgerlijke stand (abs) te Den Haag om de geboorteakte van de minderjarige in te schrijven. Dit is bij besluit van 23 april 2021 geweigerd,4. omdat van erkenning van de adoptie van rechtswege op de voet van art. 10:108 BW geen sprake kon zijn, nu de minderjarige was geadopteerd door [de man] en [de vrouw] samen, maar [de man] ten tijde van de adoptie niet in Gambia woonde. Daarnaast was [de vrouw] niet in het bezit van een beginseltoestemming afgegeven door het Ministerie van Justitie en Veiligheid.5.
2.5
Op 15 april 2021 zijn [de vrouw] en [de man] de onderhavige procedure begonnen met het verzoek aan de rechtbank Zeeland-West Brabant om in een declaratoir (onder meer) de Gambiaanse adoptiebeslissing te erkennen. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 11 november 2021 hebben zij hun verzoek gewijzigd, waarbij zij de rechtbank primair hebben verzocht de Gambiaanse adoptiebeslissing te erkennen alleen ten aanzien van [de vrouw].
2.6
De rechtbank heeft bij beschikking van 8 december 2021 dat verzoek — alleen ten aanzien van [de vrouw] — toegewezen. Volgens de rechtbank is ten aanzien van [de vrouw] aan de in artikel 10:108 BW genoemde voorwaarden voor erkenning van de adoptiebeslissing voldaan en moet de beslissing daarom ten aanzien van haar van rechtswege in Nederland worden erkend. De Staat (de IND) is van deze beschikking op de hoogte gekomen en heeft hoger beroep ingesteld. In dat hoger beroep is hij niet-ontvankelijk verklaard. Daar komt de Staat met dit cassatieberoep tegen op.
2.7
[de man] had intussen ook hoger beroep ingesteld tegen de bestuursrechtelijke uitspraak van de rechtbank Den Haag over de mvv.6. Daarin voerde hij aan dat onder art. 14 lid 1 Wobka een uitzondering gemaakt kon worden op het vereiste van het beschikken over beginseltoestemming, dat bepaalt:
‘De bepalingen van deze wet blijven buiten toepassing indien het buitenlandse kind, na opneming door aspirant-adoptiefouders in een periode waarin zij hun gewone verblijfplaats in het buitenland hebben, door hen gedurende ten minste een jaar aldaar is verzorgd en opgevoed en de verzorging en opvoeding van dat kind na binnenkomst in Nederland door hen zal worden voortgezet.’
2.8
[de man] voerde aan dat deze verzorging — door [de vrouw] — had plaatsgevonden. Bij uitspraak van 17 mei 2022 heeft de Afdeling — die blijkens haar uitspraak ervan op de hoogte was dat de Staat hoger beroep had ingesteld in de civiele procedure tegen de erkenning — het hoger beroep van [de man] echter verworpen. Deze uitspraak is niet in het geding gebracht in deze procedure, en is ook niet ter zitting bij het hof besproken; ter zitting is het alleen over de ontvankelijkheid van de Staat gegaan. De uitspraak is wel gepubliceerd door de Afdeling, onder nummer ECLI:NL:RVS:2022:1411. De Afdeling overweegt hierin dat de door [de man] bedoelde uitzondering niet op gaat, omdat de adoptie in Gambia niet alleen ten aanzien van [de vrouw], maar ten aanzien van [de vrouw] en [de man] gezamenlijk als adoptiefouders is uitgesproken:
‘2.2.
De staatssecretaris heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat artikel 14, eerste lid, van de Wobka en het daarmee samenhangende artikel 3.27, derde lid, van het Vb 2000 in dit geval niet van toepassing zijn. Artikel 14 van de Wobka moet in samenhang met artikel 1 en artikel 4, sub a, van diezelfde wet weliswaar zo worden gelezen dat die bepaling ook van toepassing is op eenouderadoptie, maar de staatssecretaris betoogt terecht dat uit de omstandigheid dat de Gambiaanse adoptiebeschikking is uitgesproken voor beide aspirant-adoptiefouders, volgt dat zij beiden aan artikel 14, eerste lid, van de Wobka moeten voldoen. De aspirant-adoptiefouders hebben een verzoek ingediend om de vreemdeling gezamenlijk naar Gambiaans recht te adopteren. Het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de Gambiaanse adoptie-uitspraak is dan ook gericht geweest op de vraag of de aspirant-adoptiefouders gezamenlijk geschikt zijn de verzorging en opvoeding van de vreemdeling op zich te nemen en niet of alleen de aspirant-adoptiefmoeder hiervoor geschikt is. Evenmin hebben de biologische ouders toestemming gegeven voor een eenouderadoptie door de aspirant-adoptiefmoeder. Niet in geschil is dat de aspirant-adoptiefmoeder minimaal een jaar met de vreemdeling in Gambia heeft verbleven en hem daar heeft verzorgd en opgevoed maar de aspirant-adoptiefvader niet. Om de genoemde redenen is de uitzondering van artikel 14, eerste lid, van de Wobka, niet van toepassing. Dat betekent dat de bepalingen van de Wobka niet buiten toepassing blijven en dat beginseltoestemming nodig is voor de mvv-aanvraag.’
3. Juridisch kader; uitwerking van en toelichting op het cassatiemiddel hierna
3.1
De erkenning in Nederland op de voet van art. 10:108 BW of art. 10:109 BW van de adoptie in het buitenland van een minderjarige bij uitspraak van een ter plaatse bevoegde autoriteit heeft niet alleen gevolgen voor de afstamming van de minderjarige. De erkenning leidt ingevolge art. 5b lid 1 RWN ook van rechtswege tot verkrijging van de Nederlandse nationaliteit.7. De erkenning van de nieuwe familieband met de Nederlandse ouder(s) en de verkrijging van het Nederlanderschap (en daarmee: het recht op toelating) gaan hand in hand. Adoptie van een buitenlandse minderjarige is daarmee een van de manieren waarop die minderjarige het Nederlanderschap rechtstreeks, zonder nadere handelingen kan verkrijgen, met alle rechten en plichten van dien, zoals het recht zich in Nederland te vestigen. Dat gaat de Staat aan.
3.2
De Nederlandse wetgever heeft aan het van rechtswege verkrijgen van het Nederlanderschap door erkenning van adoptie in het buitenland verschillende voorwaarden gesteld: art. 5b lid 1 RWN vereist onder meer dat is voldaan aan de voorwaarden voor erkenning in Nederland van art. 10:108 of art. 10:109 BW. Die artikelen bevatten verschillende waarborgen.
3.3
Artikel 10:108 ziet op de erkenning van een ‘geheel’ buitenlandse adoptie, dus waarbij de adoptiefouders en de minderjarige ten tijde van de adoptie allen in hetzelfde buitenland woonden. Het artikel staat in de weg aan erkenning van een adoptie:
- •
zonder een behoorlijk onderzoek of een behoorlijke rechtspleging in het land van herkomst;
- •
door adoptiefouders die niet werkelijk in hetzelfde land als het kind wonen, of
- •
die kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, zoals bij een schijnhandeling.
3.4
Artikel 10:109 BW ziet op de erkenning van een interlandelijke adoptie, waarbij de adoptiefouders in Nederland woonden en de minderjarige in het buitenland. Het artikel staat in de weg aan erkenning van een adoptie:
- •
waarbij de bepalingen van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) niet in acht zijn genomen;
- •
die niet in het kennelijk belang van het kind is;
- •
zonder een behoorlijk onderzoek of een behoorlijke rechtspleging in het land van herkomst, of
- •
die kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde, zoals bij een schijnhandeling.
3.5
Voor verkrijging van het Nederlanderschap moet krachtens art. 5b RWN niet alleen sprake zijn van een geldige erkenning overeenkomstig de vereisten van art. 10:108 of 10:109, zoals hiervóór beschreven, maar bovendien van het voldoen aan drie aanvullende voorwaarden:
- •
de bestaande familierechtelijke betrekking wordt verbroken door de adoptie;
- •
ten tijde van de uitspraak in eerste aanleg was het kind minderjarig;
- •
ten tijde van de uitspraak in eerste aanleg was ten minste een van de adoptiefouders Nederlander.
3.6
Bij de vraag of iemand al dan niet het Nederlanderschap bezit is, reeds in verband met tal van wettelijke regelingen en de uitvoering daarvan door de organen van de Nederlandse overheid, het algemeen belang altijd nauw betrokken. Daarom is de Staat de meest aangewezene om, zo daartoe aanleiding is, zich in het algemeen belang te verzetten tegen toewijzing van een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap, zo oordeelde uw Raad in de beschikking Santos/Staat:8.
‘Bij de vraag of iemand al dan niet het Nederlanderschap bezit is, reeds in verband met tal van wettelijke regelingen, het algemeen belang altijd nauw betrokken. Daarom is de Staat de meest aangewezene om, zo daartoe aanleiding is, zich in het algemeen belang te verzetten tegen toewijzing van een verzoek als in art. 17 bedoeld.
Daar komt nog bij dat ingevolge art. 19 van genoemde Rijkswet aan een onherroepelijk geworden beschikking, gegeven met toepassing van art. 17, elk met de uitvoering van enige wettelijke regeling belast orgaan gebonden is.
Binnen de Staat is deze rol belegd bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND): de uitvoeringsorganisatie die aanvragen beoordeelt op het gebied van asiel, reguliere migratie (waaronder gezinshereniging, studie, arbeid en kennismigratie), naturalisatie en bezit van het Nederlanderschap. De IND is niet alleen verantwoordelijk voor zorgvuldige toelating, maar ook voor een effectieve en permanente handhaving. Verder behandelt de IND aanvragen voor visa.
3.7
De beschikking Santos/Staat is gegeven in de context van een art. 17 RWN-procedure: de procedure waarmee iemand die daar belang bij heeft, kan verzoeken vast te stellen of hij de Nederlandse nationaliteit wel of niet bezit. Art. 17 RWN houdt geen materiële normen in. Het artikel biedt slechts een procedureel middel, een algemene rechtsingang, om een nationaliteitsrechtelijk declaratoir te verzoeken. Of de verzoeker het Nederlanderschap heeft verkregen, wordt bepaald door of aan de materiële normen is voldaan waarop hij een beroep doet in de procedure.
3.8
In de art. 17 RWN-procedure worden de (rechts)feiten onderzocht die voorwaarden vormen voor het hebben verkregen van het Nederlanderschap en die de verzoeker ten grondslag legt aan zijn verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap. Bijvoorbeeld:
- •
of een van de ouders van de verzoeker ten tijde van de geboorte van de verzoeker Nederlander was;
- •
of de verzoeker rechtsgeldig is erkend door een Nederlandse man;
- •
of de verzoeker rechtsgeldig is geadopteerd door Nederlandse ouders.
3.9
Als de Staat deelneemt aan een art. 17 RWN-procedure, is hij volledig bevoegd om aan te voeren wat hij nodig acht over de (rechts)feiten die uiteindelijk tot de conclusie leiden dat het Nederlanderschap wel of niet is verkregen.
3.10
Als de verweerders in cassatie uit de onderhavige zaak een art. 17 RWN-procedure waren begonnen om vast te doen stellen of de minderjarige het Nederlanderschap bezit, en zij daaraan ten grondslag hadden gelegd dat de buitenlandse adoptie van de minderjarige erkend kan worden, had de Staat daartegen dus verweer kunnen voeren.
3.11
Nu is deze procedure geen art. 17 RWN-procedure, maar een procedure op de voet van art. 1:26 BW. Materieel gaat de zaak echter om precies hetzelfde als in een procedure als hiervóór onder 3.10 bedoeld: de adoptiefouders verzoeken een verklaring voor recht die mede impliceert dat de minderjarige de Nederlandse nationaliteit zal verkrijgen (en dus: in Nederland kan komen wonen), en zij beroepen zich daarvoor erop dat de buitenlandse adoptie van de minderjarige in Nederland kan worden erkend.
3.12
Het valt niet in te zien waarom de Staat wél belanghebbende zou zijn in een procedure ex art. 17 RWN waarin exact dezelfde rechtsfeiten zouden worden onderzocht die zouden leiden tot — van rechtswege — verkrijging van het Nederlanderschap (en daarmee: tot toelating tot Nederland), maar niet in deze procedure.
3.13
Het zou dan ook ongerijmd zijn als een procesrechtelijke nuance op dit punt verschil zou maken, en als de mogelijkheid van de Staat om verweer te voeren tegen de erkenning van de adoptie — en daarmee tegen de verkrijging van het Nederlanderschap en de toelating tot Nederland — zou afhangen van de door de adoptiefouders gekozen rechtsingang.
3.14
Deze zaak illustreert bovendien dat dit tot tegenstrijdige beslissingen kan leiden: zoals hiervóór beschreven, is in de bestuursrechtelijke kolom (in het kader van de mvv-aanvraag), waar de IND procespartij was, geoordeeld:
‘dat uit de omstandigheid dat de Gambiaanse adoptiebeschikking is uitgesproken voor beide aspirant-adoptiefouders, volgt dat zij beiden aan artikel 14, eerste lid, van de Wobka moeten voldoen. De aspirant-adoptiefouders hebben een verzoek ingediend om de vreemdeling gezamenlijk naar Gambiaans recht te adopteren. Het onderzoek dat ten grondslag ligt aan de Gambiaanse adoptie-uitspraak is dan ook gericht geweest op de vraag of de aspirant-adoptiefouders gezamenlijk geschikt zijn de verzorging en opvoeding van de vreemdeling op zich te nemen en niet of alleen de aspirant-adoptiefmoeder hiervoor geschikt is. Evenmin hebben de biologische ouders toestemming gegeven voor een eenouderadoptie door de aspirant-adoptiefmoeder.’
De Staat (de IND) was bij de civiele procedure in eerste aanleg niet betrokken. In hoger beroep heeft hij vervolgens (onder meer) aangevoerd — in lijn met zijn standpunt in de bestuursrechtelijke procedure en het oordeel van de Afdeling — dat de rechtbank ten onrechte art. 10:108 BW had toegepast door de erkenning ten aanzien van alleen [de vrouw] uit te spreken,9. terwijl de adoptiebeslissing bovendien getoetst had moeten worden aan art. 10:109 BW, in welk kader ook aan de vereisten van de Wobka had moeten zijn voldaan.10. Dat betoog is echter niet inhoudelijk behandeld door het hof, omdat het de Staat niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3.15
Dus waar in deze zaak toelating van de minderjarige tot Nederland met een mvv in de vreemdelingenrechtelijke kolom is geweigerd, onder meer omdat ook volgens de Afdeling aan de voorwaarden voor een interlandelijke adoptie niet was voldaan, is toelating van de minderjarige langs civiele weg alsnog bewerkstelligd, doordat de rechtbank heeft geoordeeld dat de adoptie wél erkend kan worden — dit ten onrechte en buiten inbreng van de Staat (de IND) om — en de Staat hier in hoger beroep niet tegen heeft mogen opkomen.
3.16
Als deze beschikking in stand blijft, betekent dat voor toekomstige procedures dat verkrijging van de Nederlandse nationaliteit en (daarmee) toelating tot Nederland van een in het buitenland geadopteerde minderjarige ook kunnen worden bereikt in een schijnbaar louter familierechtelijke procedure waar geen ruimte is voor een standpunt van de Staat (de IND) over de vraag of de waarborgen van de adoptiewetgeving in acht zijn genomen.
3.17
Niet alleen is het oordeel van het hof onwenselijk en leidt het tot ongerijmde gevolgen, maar het procesrecht staat, zo meent de Staat, ook helemaal niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de Staat in deze procedure. In een art. 17 RWN-procedure is hij, zoals gezegd, belanghebbende in de zin van het algemene art. 282 Rv (voorheen art. 429h Rv (oud)), zoals per 1 oktober 2023 ook in art. 18 lid 1 RWN wordt gecodificeerd.11. In een procedure als de onderhavige is de bijzondere (maar niet sterk afwijkende) regeling van Titel 6 van Boek III Rv van toepassing. Art. 798 Rv definieert het begrip belanghebbende als: degene of wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Dit criterium verschilt niet wezenlijk van het criterium van art. 282 Rv.12. Uw Raad heeft deze bepaling nader uitgelegd in een beschikking uit 2018:13.
‘3.4.3
Het vorenstaande betekent dat de door art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) niet in algemene zin kan worden afgebakend. Welke persoon of instelling (hierna elk van beide: betrokkene) als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt bepaald — aan de ene kant — door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en — aan de andere kant — door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts indien het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv.’
3.18
Aangezien in deze zaak de erkenning van de buitenlandse adoptie ertoe leidt dat de rechten en verplichtingen van de Staat jegens de geadopteerde minderjarige rechtstreeks worden geraakt moet de Staat voor de toepassing van art. 798/806 Rv als belanghebbende worden aangemerkt. Een erkenning van een adoptiebeslissing in het buitenland ex artikel 10:108 BW heeft immers van rechtswege, ingevolge art. 5b RWN, het Nederlanderschap tot gevolg. Dit is een direct, rechtstreeks, gevolg. (Een verzoek om) een rechterlijke beslissing over die erkenning impliceert dan ook (een verzoek om) een rechterlijke beslissing over het Nederlanderschap. Nu, naar het hof ook met juistheid overweegt, een beslissing over het Nederlanderschap (een beslissing over nationaliteit) ertoe kan leiden dat de rechten en verplichtingen van de Staat worden geraakt, geldt dit ook voor een beslissing over erkenning van een adoptie, wat dus (rechtstreeks) op een beslissing over het Nederlanderschap neerkomt.
3.19
Dat krachtens de wet andere onderdelen van de rijksoverheid of de gemeentelijke overheid — de ambtenaar van de burgerlijke stand en de Raad voor de Kinderbescherming — een eigen rol kunnen hebben in deze procedure, maakt het voorgaande niet anders. De ambtenaar van de burgerlijke stand is in deze procedure door de rechtbank als belanghebbende aangemerkt in verband met de eventuele ambtshalve last tot inschrijving van de geboorteakte c.q. het vaststellen van de geboortegegevens. Dat de abs bij weigering van een dergelijk verzoek (wat in deze kwestie óók heeft plaatsgevonden, zie § 2.4 hiervóór) op grond van art. 1:18c lid 3 BW een kopie van zijn beslissing tot weigering van het opmaken van een akte aan de Staat (de IND) moet toezenden, illustreert bovendien dat de wetgever het van belang heeft geacht dat de Staat op de hoogte is van dergelijke weigeringen, om in gevallen waarin hij dat nodig acht, te kunnen ingrijpen.
3.20
De Raad voor de Kinderbescherming kan altijd gehoord worden op de voet van art. 810 Rv als de rechter of de Raad dat met het oog op de belangen van de minderjarige nodig acht. Het Openbaar Ministerie kan altijd gehoord worden op de voet van art. 44 Rv als de rechter of het OM dat nodig acht. Dat alles doet aan de hiervoor beschreven, eigen positie van de Staat (de IND) om in het algemeen belang verweer te voeren als daartoe aanleiding bestaat, niet af. Daarbij komt dat de Staat (de IND), zoals hiervóór uiteengezet, ook belanghebbende is in eventuele nationaliteitsrechtelijke of verblijfsrechtelijke procedures omtrent dezelfde minderjarige, en daarmee te dien aanzien (als het goed is) een een meeromvattende rol en een beter ‘totaaloverzicht’ kan hebben dan de Raad of het OM. Bovendien gaat het in deze gevallen (waarin Raad of OM slechts gehoord wordt) om het niet als partij (belanghebbende) optreden van de Raad en het OM.
3.21
Vergelijk in dit verband ook art. 18 lid 1 RWN, dat thans nog14. bepaalt dat het Openbaar Ministerie gehoord wordt in een art. 17 RWN-procedure. Dat doet aan de ontvankelijkheid van de Staat (de IND) in zo'n procedure ook niet af. Daarover overwoog uw Raad in Santos/Staat uitdrukkelijk:
‘Weliswaar is de tussenkomst van het OM voorgeschreven en wordt daarover in de MvA op het ontwerp van de Rijkswet opgemerkt:
‘Daardoor is verzekerd dat — zo nodig — het oordeel van de administratie tot gelding kan komen. Niets belet overigens, dat in de procedure een ambtenaar van het Ministerie van Justitie als deskundige wordt gehoord’ (Bijl. Hand. II 1982–1983, 16947 (R 1181) nr. 7, p. 33),
maar dat doet aan het vorenoverwogene niet af. Het OM wordt gehoord, maar is noch vertegenwoordiger van de Staat noch belanghebbende en de in art. 18 lid 2 voorziene beroepsregeling stelt dan ook voor het OM beroep in cassatie niet open. Wat er ook verder zij van de in het citaat voorgestelde mogelijkheden om het standpunt van de Staat ter kennis van de rechter te brengen, zij zijn in ieder geval ontoereikend te achten. Bezwaarlijk kan worden aangenomen dat op die manier de Staat zou worden beknot in de mogelijkheid welke deze aan zijn eerder omschreven positie ontleent om als belanghebbende op te treden. De tekst van de wet noopt daartoe niet, evenmin als de wetsgeschiedenis, voormeld citaat daarbij inbegrepen.’
3.22
Kortom. Een verzoek tot het erkennen van een adoptie in het buitenland zoals in deze zaak komt mede neer op een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap. Omdat dat nationaliteitsgevolg van rechtswege intreedt, zijn die twee rechtsgevolgen niet uit elkaar te trekken: wordt de adoptie erkend (terwijl de andere vereisten van art. 5b RWN niet in geschil zijn), dan vloeit daar van rechtswege het nationaliteitsrechtelijke rechtsgevolg uit voort. Het is aan de wetgever om te beslissen wie het Nederlanderschap kunnen verkrijgen, en de wetgever heeft daarvoor verschillende voorwaarden gesteld. Met al deze voorwaarden worden verschillende belangen gediend, waaronder het belang van het geadopteerde kind, maar ook het Nederlands algemeen belang. Dit brengt mee dat als de rechtbank in eerste aanleg een beslissing neemt waardoor van rechtswege het Nederlanderschap wordt verkregen, en de Staat kennisneemt van die beslissing en hij meent dat aan de voorwaarden niet is voldaan, de Staat als belanghebbende geldt en hoger beroep moet kunnen instellen.
3.23
Aan al het voorgaande kan nog het volgende worden toegevoegd. De Staat heeft een verantwoordelijkheid voor een verantwoorde gang van zaken rond de opneming in Nederland van buitenlandse pleegkinderen met het oog op adoptie. Over adoptie uit het buitenland is, zoals uw Raad bekend zal zijn, de laatste jaren veel te doen. In 2021 concludeerde de Commissie Onderzoek Interlandelijke Adoptie dat in de door haar onderzochte periode (1967–1998) zich ‘structureel ernstige misstanden hebben voorgedaan’ bij interlandelijke adoptie, en dat de overheid zich te passief heeft opgesteld:15. ‘De overheid heeft nagelaten in te grijpen waar daar wel aanleiding toe bestond’, aldus de commissie.16. De Staat is ook door meerdere geadopteerden aansprakelijk gesteld voor de gang van zaken rond hun adopties, waardoor zij bijvoorbeeld vragen hebben gehouden over hun afkomst. Hierover lopen meerdere procedures, over adopties uit verschillende landen en uit verschillende jaren.
3.24
De wet- en regelgeving met betrekking tot adopties is in de loop der jaren gewijzigd. Er gelden strenge regels die ertoe strekken misstanden te voorkomen en de belangen van de te adopteren minderjarigen goed te waarborgen. De Staat (de IND) toetst in dit verband — conform het vreemdelingenrecht — aan de Wobka bij het nemen van een beslissing op de aanvraag voor een mvv voor een geadopteerde minderjarige.17. De Wobka werd echter ook hiervóór al genoemd in de context van art. 10:109 BW: het voldoen aan de vereisen van de Wobka is een van de eisen voor erkenning van een interlandelijke adoptie. En daarmee (via art. 5b RWN) ook noodzakelijk voor de verkrijging van de Nederlandse nationaliteit door een geadopteerde minderjarige. Om zijn verantwoordelijkheid voor een verantwoorde gang van zaken rond adopties te kunnen nemen, en daarmee niet alleen het belang van de minderjarige in een concrete zaak te kunnen dienen, maar ook het zaaksoverstijgende en daarmee algemene belang dat gemoeid is met een verantwoordelijk adoptiebeleid, moet de Staat (de IND) dan wel in staat zijn om niet alleen in het bestuursrecht, maar ook in het civiele recht, waar dat nodig is, de rechter voor te lichten over of de wettelijke procedures correct zijn nageleefd.
3.25
In deze zaak vond de Staat dat daar alle aanleiding toe bestond. Om te beginnen heeft de rechtbank volgens de Staat miskend dat het in deze zaak niet gaat om een zuiver buitenlandse adoptie (art. 10:108 BW), maar om een interlandelijke adoptie (art. 10:109 BW), voor de erkenning waarvan strengere eisen gelden — zoals het in acht nemen van de Wobka. In de Gambiaanse adoptiebeslissing is de adoptie mede uitgesproken ten aanzien van [de man]. [de man] woonde niet — zoals artikel 10:108 BW voor erkenning vereist — in de periode tussen het adoptieverzoek en de adoptieuitspraak in Gambia, zodat van erkenning van de adoptie alleen sprake zou kunnen zijn als (overeenkomstig art. 10:109 BW) aan de eisen van de Wobka is voldaan. Aan die eisen is niet voldaan: zo is er geen beginseltoestemming afgegeven, en het is ook niet waarschijnlijk dat die gegeven zou worden, vanwege het grote leeftijdsverschil tussen de adoptiefouders en de minderjarige. Om (onder meer) deze reden heeft de Staat (de IND) tweemaal een mvv voor de minderjarige geweigerd.18.
3.26
De rechtbank heeft de niet-toepasselijkheid van art. 10:108 BW echter ‘opgelost’ door een van de twee adoptiefouders ([de man]) ten aanzien van wie in de buitenlandse uitspraak de adoptie is uitgesproken, ‘weg te denken’, en de adoptiebeslissing partieel te erkennen, namelijk alleen ten aanzien van [de vrouw], de partner van [de man] (hoewel de minderjarige dan dus nog steeds bij beiden zou komen te wonen). De Staat meent dat dergelijk ‘opknippen’ van de adoptiebeslissing niet kan, en in strijd is met doel en strekking van artikel 10:108 BW. De gedachte achter de in artikel 10:108 BW voor erkenning gestelde vereisten is dat de staat waar de adoptie heeft plaatsgevonden, op zorgvuldige wijze heeft vastgesteld dat het kind in aanmerking komt voor adoptie en dat beide adoptiefouders geschikt zijn. Deze opvatting strookt met de uitspraak van de Afdeling in de mvv-procedure.
3.27
De Staat vindt daarnaast dat de Gambiaanse adoptiebeslissing sowieso niet voor erkenning in aanmerking komt, omdat (uit die beslissing) niet blijkt dat een ‘behoorlijk onderzoek en behoorlijke rechtspleging’ hebben plaatsgevonden. Het dossier bevat verschillende tegenstrijdigheden rondom de Gambiaanse adoptieprocedure. De Staat twijfelt daarom of het belang van de minderjarige wel voldoende centraal heeft gestaan, terwijl dit belang juist leidend moet zijn bij een adoptie. De rechtbank heeft volgens de Staat onvoldoende aandacht geschonken aan dit aspect.
3.28
Het hof heeft de Staat echter niet ontvangen in zijn hoger beroep. Volgens het hof is de Staat geen belanghebbende als bedoeld in artikel 798 Rv, omdat zijn rechten en verplichtingen niet rechtstreeks bij de zaak zijn betrokken.
3.29
Tegen dit oordeel (in rov. 5.3.5–5.3.7) komt de Staat in cassatie op. De Staat verzoekt uw Raad om de bestreden beschikking te vernietigen en geeft uw Raad in overweging de zaak te verwijzen naar een ander hof, en de zaak in zoverre zelf af te doen dat uw Raad beslist dat de Staat ontvankelijk is in zijn hoger beroep.
Middel van cassatie
Het hof heeft het recht geschonden en/of het vormvereiste van een toereikende motivering verzuimd, doordat het heeft geoordeeld als vermeld in de bestreden beschikking, zulks ten onrechte, om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen.
Klachten
Het oordeel van het hof in rov. 5.3.5–5.3.7 dat de Staat (de IND) in deze zaak geen belanghebbende is als bedoeld in artikel 798 Rv, en dus in zijn hoger beroep niet kan worden ontvangen, geeft op grond van het volgende blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is onvoldoende gemotiveerd. De klachten moeten worden gelezen in samenhang met al wat in de voorgaande hoofdstukken is uiteengezet, waaronder met name hoofdstuk 3, dat een nadere toelichting op de klachten bevat.
A.
Het hof heeft terecht overwogen (rov. 5.3.5) dat uit het systeem van de wet voortvloeit dat wanneer voldaan is aan de vereisten van art. 10:108 BW en de adoptie aldus erkend wordt,19. de minderjarige ingevolge art. 5b RWN van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt, en dat deze verkrijging aldus een gevolg is van de erkenning ex art. 10:108 BW. Evenzeer terecht overweegt het hof dat dit de rechten en verplichtingen van de Staat raakt.
Ten onrechte echter, althans zonder toereikende motivering, overweegt het hof vervolgens dat dit niet maakt dat de rechten en verplichtingen van de Staat rechtstreeks bij de procedure tot erkenning van de buitenlandse adoptie zijn betrokken, en dat het hier hooguit een indirect belang betreft, en niet een rechtstreeks belang als bedoeld in art. 798 lid 1 Rv. Volgens het hof was het onderwerp in de zaak Santos/Staat het verzoek tot vaststelling van het bezit van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 RWN, een verzoek om een beslissing over de nationaliteit die ertoe kan leiden dat de rechten en verplichtingen van de Staat rechtstreeks zijn betrokken, terwijl het onderwerp van geschil in de onderhavige zaak de erkenning van een rechterlijke beslissing van een andere staat is, waarbij (volgens het hof) de rechten en verplichtingen van de Staat niet rechtstreeks zijn betrokken.
Het hof heeft hiermee miskend dat de Staat wel degelijk in een zaak als deze als belanghebbende moet worden aangemerkt en hoger beroep kon instellen. Erkenning van een buitenlandse (Gambiaanse) adoptiebeslissing heeft, zoals het hof met juistheid overweegt, van rechtswege — dus: direct — het Nederlanderschap tot gevolg; een beslissing tot erkenning komt (dan ook) in een geval als dit impliciet neer op een beslissing dat het Nederlanderschap is verkregen. Nu, zoals het hof ook onderkent, door een beslissing over het Nederlanderschap de rechten en verplichtingen van de Staat kunnen worden geraakt, geldt dat ook voor een beslissing over de erkenning van een buitenlandse adoptiebeslissing op de voet van art. 10:108 of art. 10:109 BW. De zaak heeft daarom rechtstreeks betrekking op de rechten en verplichtingen van de Staat. Zoals toegelicht in de inleiding op dit middel, is bij de vraag of iemand al dan niet het Nederlanderschap bezit, reeds in verband met tal van wettelijke regelingen en de uitvoering daarvan door de organen van de Nederlandse overheid, het algemeen belang altijd nauw betrokken. Verkrijging van het Nederlanderschap betreft op zichzelf al de verlening van een recht aan de minderjarige, en brengt daarnaast rechten en verplichtingen van de Staat jegens de minderjarige mee. Daarom is de Staat de meest aangewezene om, zo daartoe aanleiding is, zich in het algemeen belang te verzetten tegen toewijzing van een verzoek dat leidt tot vaststelling van het Nederlanderschap.
Het hof heeft de Staat dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Althans heeft het hof onvoldoende gemotiveerd waarom de Staat een onvoldoende (rechtstreeks) belang heeft. Immers, ook het hof erkent dat erkenning van de adoptiebeslissing van rechtswege tot verkrijging van de Nederlandse nationaliteit leidt, en dat de Staat bij een beslissing over nationaliteit rechtstreeks belanghebbende is. Zonder nadere motivering, die nu ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat de enkele omstandigheid dat deze procedure is ingestoken als een procedure over de erkenning van een adoptie (en niet als een art. 17 RWN-procedure), maakt dat de Staat niet voldoende (rechtstreeks) belanghebbende is.
B.
Althans gelden de voorgaande klachten in een geval als het onderhavige, waarin de IND ook al in een bestuursrechtelijke procedure met verzoeker(s) betrokken was over deels dezelfde rechtsvragen over de mogelijkheid van erkenning van een buitenlandse adoptie, zoals hiervóór onder 2.2, 2.7, 3.14 en 3.15 uiteengezet.
C.
Nu gegrondbevinding van de voorgaande klachten volgens de Staat zelfstandig al moet leiden tot vernietiging van de beschikking, hoeft de Staat, cassatietechnisch gezien, niet op te komen tegen het oordeel in rov. 5.3.6, waarin het hof overweegt, kort samengevat, dat ook de verantwoordelijkheid die de Staat aan zich trekt voor het waarborgen van de belangen van het kind niet ertoe leidt dat de Staat belanghebbende is. Volgens het hof kunnen verschillende instanties belast met overheidstaken bij de beoordeling worden betrokken: de ambtenaar van de burgerlijke stand was het in appel eens met de grieven van de Staat maar heeft niet zelf hoger beroep ingesteld, en de Raad voor de Kinderbescherming heeft volgens het hof geadviseerd in eerste aanleg. Ook bestaat de mogelijkheid voor het Openbaar Ministerie om (desverzocht) gehoord te worden als de openbare orde aan de orde is, maar daartoe bestond geen aanleiding. Het belang van het kind is in het wettelijk systeem bij deze instanties belegd als waarborg voor de zorgvuldigheid waar de Staat voor zegt op te komen. Dat de Staat het niet eens is met de uiteindelijke beslissing, maakt niet dat de Staat alsnog rechtstreeks belanghebbende is en zelf kan optreden in de procedure, aldus (nog steeds) het hof.
De Staat voert echter volledigheidshalve aan dat het hof heeft miskend dat de (mogelijke) eigen rollen en belangen van de genoemde drie instanties, niet eraan afdoen dat het bij uitstek aan de Staat is om, in het algemeen belang en/of in het belang van de minderjarige in de concrete zaak, op te komen tegen de beslissing van de rechtbank (zie ook hiervóór onder 3.19–3.21). Daarbij verdient nog opmerking dat de overwegingen dat de Raad voor de Kinderbescherming in eerste aanleg heeft geadviseerd, dat de rechtbank geen aanleiding heeft gezien om de Raad voor de Kinderbescherming of een organisatie in het buitenland nader onderzoek te laten doen naar de situatie van de minderjarige en dat uit de processtukken niet blijkt dat de Raad voor de Kinderbescherming hiertoe aanleiding zag, lijken te suggereren dat de Raad voor de Kinderbescherming inhoudelijk heeft geadviseerd en/of zelfs dat hij geen bezwaar had tegen de erkenning van de adoptie. In dat geval zijn deze overwegingen ook onbegrijpelijk. De Raad voor de Kinderbescherming heeft immers niet inhoudelijk geadviseerd in eerste aanleg. Zoals het hof zelf al heeft overwogen in rov. 4.4:
‘De raad is op grond van artikel 810 Rv gekend in de procedure en verzocht om advies uit te brengen aan de rechtbank over het verzoek van [de man] en [de vrouw]. Bij brief van 4 juni 2021 heeft de raad aan de rechtbank bericht dat de raad [de man] en [de vrouw] niet heeft gescreend inzake het afgeven van een beginseltoestemming ter opname van een buitenlands kind ter adoptie. Deze screening is door Gambia uitgevoerd. De raad bericht verder in de brief dat [de man] en [de vrouw] niet voorkomen in het systeem van de raad en dat de raad geen advies kan geven over het verzoek nu de werkelijke verblijfplaats van [de vrouw] en de minderjarige zich niet in Nederland bevindt.’
De Raad voor de Kinderbescherming heeft verder geschreven dat hij ten aanzien van het verzoek geen advies kan (onderstreping adv.) uitbrengen, daar er nimmer bemoeienis tussen het echtpaar, de minderjarige en de Raad voor de Kinderbescherming heeft plaatsgevonden.20.
Dit illustreert te meer het (algemeen) belang bij ontvankelijkheid van de Staat in zijn hoger beroep.
D.
Gegrondbevinding van een of meer van de voorgaande klachten vitieert tevens rov. 5.3.7 en het dictum.
Op grond van dit middel
verzoekt de Staat vernietiging van de bestreden beschikking met zodanige verdere beslissing als uw Raad passend acht; kosten rechtens.
Advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 24‑08‑2023
Zie hierover ook beroepschrift § 3.1.3 en productie 4 daarbij.
Productie 4 bij beroepschrift.
Productie 4 bij inleidend verzoekschrift.
Productie 3 bij beroepschrift.
Hierover is tussen de abs en [de vrouw] ook nog geprocedeerd bij de rechtbank Den Haag, zie producties B-F bij verweerschrift in hoger beroep; uiteindelijk heeft [de vrouw] na de beschikking in eerste aanleg in de onderhavige zaak haar verzoek ingetrokken.
Productie 4 bij beroepschrift.
HR 4 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988: AB 8705, NJ 1989/628.
Beroepschrift § 6.2.1–6.2.9.
Beroepschrift § 4.3.10–4.3.12 en 6.2.6.
Zie voetnoot 14.
Aldus A-G Wesseling-van Gent in haar conclusie vóór HR 23 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5072.
HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463, NJ 2018/268.
Per 1 oktober 2023 komt art. 18 lid 1 RWN te luiden: ‘Onze Minister is belanghebbend inzake verzoeken als bedoeld in artikel 17. De rechtbank te 's‑Gravenhage hoort de Staat, en het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba hoort het openbaar ministerie.’ (Art. E aanhef en lid 1 Wet van 7 juni 2023 tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap en de Paspoortwet alsmede intrekking van voorbehouden bij het Verdrag betreffende de status van staatlozen in verband met de vaststelling van staatloosheid, Stb. 2023, 229)
Zie voor het rapport: Kamerstukken II 2020/21, 31 265, nr. 79. De Commissie wordt ook wel de ‘commissie-Joustra’ genoemd; zie https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2021/02/08/tk-bijlage-coia-rapport.
Zie pagina 3 van het rapport.
Zie productie 4 en 5 bij het beroepschrift voor het verloop van deze bestuursrechtelijke procedures.
Zie voor de brief productie K bij het verweerschrift in hoger beroep zijdens [de vrouw] en [de man].