Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming van ondernemers in aanbestedingsprocedures (R&P nr. VG7) 2013/6.5.2
6.5.2 Termijnen voor het instellen van een rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst
mr. A.J. van Heeswijck, datum 28-11-2013
- Datum
28-11-2013
- Auteur
mr. A.J. van Heeswijck
- JCDI
JCDI:ADS587068:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Aanbestedingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 4.15 lid 2 sub a Aanbestedingswet 2012.
Deze bepaling heeft blijkens haar redactie uitsluitend betrekking op de vernietigingsgrond van art. 4.15 lid 1 sub a Aanbestedingswet 2012.
Deze bepaling heeft blijkens haar redactie betrekking op de vernietigingsgronden van art. 4.15 lid 1 sub b en c Aanbestedingswet 2012.
Vzr. Rb. Oost-Nederland 15 februari 2013, LJN BZ3890, r.o. 4.2.
Art. 4.15 lid 2 sub b Aanbestedingswet 2012.
HvJ EG 27 februari 2003, C-327/00 (Santex), r.o. 57-59. Zie hoofdstuk 2, § 3.4.2.
Rutten 2010, p. 56. Art. 2 septies van de Rechtsbeschermingsrichtlijnen staat het vaststellen van vervaltermijnen toe. Opvallend is wel het gebruik van het woord “verjaringstermijn” in punt 25 van de considerans van de Wijzigingsrichtlijn.
De Aanbestedingswet 2012 onderscheidt in navolging van de Rechtsbeschermingsrichtlijnen twee verschillende termijnen voor het instellen van een rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst. Ten eerste een termijn van dertig dagen die ingaat op de dag na de datum waarop de aanbestedende dienst op de voorgeschreven wijze een aankondiging van de gegunde opdracht bekend heeft gemaakt, of aan de ‘betrokken inschrijvers en gegadigden’ een kennisgeving van het sluiten van de overeenkomst zond.1 In het eerste geval moet de aankondiging een rechtvaardiging bevatten van de beslissing om de opdracht te gunnen zonder voorafgaande bekendmaking van een aankondiging van de opdracht.2 In het tweede geval moet de kennisgeving een motivering bevatten van de gunningsbeslissing.3 Volgens de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Arnhem is de termijn van dertig dagen een uitzondering op de hierna te bespreken termijn van zes maanden, die strikt moeten worden geïnterpreteerd.4 Naar mijn mening valt dit niet uit de Rechtsbeschermingsrichtlijnen of de Aanbestedingswet 2012 af te leiden. Aan de termijn van zes maanden lijkt eerder het karakter van restcategorie toe te komen. Dit laat onverlet dat de termijn van dertig dagen geen aanvang neemt, wanneer niet aan de in artikel 4.15 lid 2 sub a van de Aanbestedingswet 2012 genoemde voorwaarden is voldaan. Ten tweede onderscheidt de Aanbestedingswet 2012 een termijn van zes maanden, die ingaat op de dag na de datum waarop de overeenkomst is gesloten en die geldt in andere gevallen dan bedoeld in artikel 4.15 lid 2 sub a van de Aanbestedingswet 2012.5 Niet ondenkbaar is dat een benadeelde ondernemer de vernietigingsgrond pas na het verstrijken van de termijn van zes maanden ontdekt. Dit kan met name bij onwettige onderhandse gunningen het geval zijn. Onder omstandigheden kan een beroep op de termijn van zes maanden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Te denken valt aan de situatie waarin de aanbestedende dienst de datum van het sluiten van de overeenkomst verzwijgt voor een benadeelde ondernemer die bij de aanbestedende dienst opheldering heeft gevraagd over de gang van zaken. In voorkomend geval behoort tevens een beroep (naar analogie) op de jurisprudentie van het HvJ over vervaltermijnen tot de mogelijkheden.6
Zowel de termijn van dertig kalenderdagen als de termijn van zes maanden is een vervaltermijn.7 Stuiting is dus niet mogelijk.