NJ 1916, p. 786
Directeur eener gedingvoerende naaml. venn. als getuige. Wraking.
HR 28-04-1916, ECLI:NL:HR:1916:149
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28 april 1916
- Magistraten
Voorzitter: Jhr. Mr. W. H. de Savornin Lohman., Raden: Mrs. A. J. L. Nijpels, C. Krabbe, B. C. J. Loder en A. P. L. Nelissen.
- Zaaknummer
[28041916/NJ_1916,_p._786]
- Conclusie
Mr. Noyon
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:1916:149, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑04‑1916
- Wetingang
(BW art. 1947.)
Essentie
Directeur eener gedingvoerende naaml. venn. als getuige. Wraking.
Samenvatting
De Rechtbank heeft op juiste gronden aangenomen, dat de als getuige voorgebrachte directeur der eischende naaml. vennootschap in het proces was gesteld op de plaats der vennootschap als mede-eischer en dus was te beschouwen als partij in het geding, zoodat de voorgestelde wraking van dien directeur als getuige gegrond moest worden verklaard.
De wettelijke voorschriften omtrent de wraking van getuigen kennen niet een dergelijke onderscheiding als in het cassatiemiddel wordt gesteld, nl. dat het verhoor was verzocht van den persoon van C. F. K. buiten eenige qualiteit en niet ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.