Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/5.4.4.1
4.4.1 Argumenten vóór de translatieve werking van de verdeling
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948268:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Beuving c.s. legden hieraan ten grondslag dat het nooit de bedoeling was geweest dat Van der Star materieel en economisch belang in het woonhuis zou hebben, en dat de mede-eigendom van Van der Star uitsluitend een ‘papieren constructie’ betrof die bedoeld was om ervoor te zorgen dat Beuving c.s. een vergunning zouden krijgen van de gemeente Texel om het woonhuis te bewonen, aangezien op het woonhuis een agrarische bestemming rustte en het woonhuis uitsluitend bewoond mocht worden als bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf. Aangezien Van der Star wel belangstelling had voor de landerijen en de schuur, maar niet voor het woonhuis, werd door partijen een constructie bedacht waarbij de woning wel voor de onverdeelde helft aan Van der Star werd geleverd, maar waarbij zij tevens bij onderhandse akte een ‘toezichtovereenkomst’ tekenden waarin zij vastlegden dat Beuving woonachtig was in de woning, dat Van der Star zijn veehouderij uitoefende in de naast de woning gelegen schuur en op het rond de woning gelegen land, en dat Beuving in opdracht van Van der Star ‘toezicht’ hield op de veestapel van Van der Star, alsmede de opstallen, werktuigen en alle verder tot het bedrijf behorende zaken.
Zie over deze uitspraak uitgebreid W.H. van Hemel, ‘Levering ter uitvoering van een verdeling: (i) gehele goed of aandeel? (ii) overgang of overdracht? (iii) opvolging onder algemene of onder bijzondere titel?’, in: Groninger Zekerheid (Reehuis-bundel) 2014, p. 103-106. Perrick is daarentegen zeer kritisch over het oordeel van de Hoge Raad. In zijn noot in NJ onder deze uitspraak spreekt hij over een dubbele ‘slip of the pen’ van de Hoge Raad. Zie ook Asser/Perrick 3-V 2023/167.
Zie over deze constructie en de gevolgen daarvan paragraaf 3.5.2.3 en 5.2.4.2 van hoofdstuk 6, alsmede paragraaf 4.4.2.2 van hoofdstuk 8.
247. Hiervóór zijn verschillende argumenten aangevoerd waarom de declaratieve werking van de verdeling in het huidige recht niet meer te verdedigen is. De declaratieve werking hangt te nauw samen met de opvatting dat vóór de verdeling van de gemeenschap de deelgenoten ‘slechts’ een aandeel hebben in de gemeenschap als geheel. Volgens mij vloeit zij daar zelfs rechtstreeks uit voort. Onder het regime van Titel 3.7 BW kan dat voor geen enkele gemeenschap meer volgehouden worden. Dit betekent dat de verdeling thans wel translatieve werking móet hebben. Daarmee kwalificeert iedere verkrijging krachtens verdeling als een verkrijging krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’ en dus als een verkrijging uit handen van de deelgenoten zelf. De verdeling vertoont aldus grote gelijkenis met de overdracht van goederen. Voor de overgang van goederen krachtens overdracht is op grond van artikel 3:84 lid 1 BW een levering vereist, krachtens een geldige titel, door hem die bevoegd is om over het goed te beschikken. In de translatieve benadering van de verdeling vormt de verdeling van artikel 3:182 BW de titel die tot levering verplicht. De verdeling van artikel 3:182 BW heeft dus een zuiver obligatoire werking, net zoals de titel bij de overdracht van goederen dat heeft. Dit translatieve systeem geldt voor allegemeenschappen die voor verdeling vatbaar zijn, dus óók voor de bijzondere gemeenschappen van Titel 3.7 BW. Ook deze worden immers hierdoor gekenmerkt dat ieder van de deelgenoten reeds vóór de verdeling een aandeel in de afzonderlijke goederen van de gemeenschap heeft, over welk aandeel zij afzonderlijk kunnen beschikken.
248. Alhoewel in het huidige recht de verdeling in alle gevallen als een overdracht van goederen kwalificeert, is in de paragrafen 4.2.1 en 4.2.2 gebleken dat in de parlementaire geschiedenis de nodige aanwijzingen vóór de declaratieve werking van de verdeling kunnen worden gevonden. Dit vormt echter geen doorslaggevend argument om de translatieve visie toch maar aan de kant te zetten. In paragraaf 4.3.2 is immers ook gebleken dat in de parlementaire geschiedenis net zo goed aanwijzingen vóór de translatieve benadering van de verdeling te vinden zijn. Meijers stond in ieder geval een translatieve werking van de verdeling voor, terwijl de latere wetgever niet principieel met die translatieve werking heeft willen breken, laat staan dat daar goede argumenten door de wetgever voor zijn aangevoerd. Dit alles zal hier niet worden herhaald. Verwezen wordt naar hetgeen daar in paragraaf 4.3.2 reeds over naar voren is gebracht. Daaraan kan evenwel nog wél worden toegevoegd dat ook de Hoge Raad in een tweetal recente(re) uitspraken van de translatieve werking van de verdeling uit lijkt te gaan. In dat kader kan ten eerste worden gewezen op de uitspraak van de Hoge Raad van 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ8746, NJ 2013/490. In die zaak ging het om de verdeling van een gemeenschappelijke woning van Beuving c.s. en Van der Star. Beuving c.s. vorderden dat de rechter op grond van artikel 3:185 BW de woning aan hen om niet toedeelde.1 Waar de rechtbank deze vordering in eerste aanleg afwees, wees het hof die vordering toe. Daarop ging Van der Star in cassatie, waarbij hij onder meer betoogde dat het de rechter ingevolge artikel 3:185 lid 2, aanhef en onder b, BW niet vrij zou staan om een verdeling te gelasten of vast te stellen die leidt tot overbedeling van een deelgenoot zonder dat daarbij een vergoeding van de overwaarde wordt vastgesteld ten behoeve van de deelgenoot die wordt onderbedeeld. De door het hof vastgestelde verdeling zou volgens Van der Star bovendien alleen mogelijk zijn, als hij afstand zou hebben gedaan van de rechten met betrekking tot de woning, in het bijzonder zijn recht op de helft van de waarde daarvan. De Hoge Raad oordeelde echter anders (onderstrepingen TS):
“3.5 Het hof heeft bewezen geoordeeld dat het niet de bedoeling van partijen was dat Van der Star in hun onderlinge verhouding daadwerkelijk als mede-eigenaar van het woonhuis zou gelden (rov. 2.4) en dat de mede-eigendomsconstructie niet de strekking had Van der Star jegens Beuving c.s. aanspraken te verlenen op (de helft van de waarde van) het woonhuis (rov. 2.9). Op deze grond achtte het hof de vordering van Beuving c.s. toewijsbaar.
Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat Van der Star weliswaar in goederenrechtelijke zin voor de helft mede-eigenaar van het woonhuis was, maar dat, gelet op hetgeen tussen partijen was overeengekomen, Beuving c.s. in hun verhouding tot Van der Star in verbintenisrechtelijke zin als de enige rechthebbenden met betrekking tot het woonhuis golden. Aldus is ten aanzien van het aandeel van Van der Star in de gemeenschap van het woonhuis sprake van een rechtsverhouding (vergelijkbaar met economische eigendom van Beuving c.s. met betrekking tot dat aandeel), inhoudende dat Van der Star op grond van de met Beuving c.s. overeengekomen aard van deze gemeenschap gehouden is bij verdeling zijn aandeel in de gemeenschap van het woonhuis zonder vergoeding aan Beuving c.s. als de enige ware rechthebbenden over te dragen.
Gelet daarop heeft het hof met juistheid de verdeling van de gemeenschap aldus vastgesteld dat het aandeel van Van der Star aan Beuving c.s. wordt toegedeeld, zonder enige uitkering ter zake van overbedeling. Anders dan onderdeel 1 betoogt, staat art. 3:185 lid 2 BW hieraan niet in de weg. De in deze bepaling voorkomende vermelding van de wijzen waarop een gemeenschap door de rechter verdeeld kan worden, is niet uitputtend, en de rechter dient de wijze van verdeling te bepalen met inachtneming van de tussen de deelgenoten geldende rechtsverhouding, zulks mede in het licht van het bepaalde in art. 3:166 lid 3 BW. Voorts nemen de onderdelen 2 en 3 ten onrechte tot uitgangspunt dat de onderhavige wijze van verdeling slechts mogelijk is indien Van der Star afstand heeft gedaan van zijn rechten met betrekking tot het woonhuis, in het bijzonder van zijn recht op de helft van de waarde van het woonhuis. De onderdelen miskennen immers dat de door het hof vastgestelde rechtsverhouding, inhoudende dat Van der Star op grond van de aard van deze gemeenschap gehouden is zijn aandeel daarin zonder vergoeding aan Beuving c.s. als de enige ware rechthebbenden over te dragen, van meet af aan tussen partijen heeft gegolden.”
De Hoge Raad oordeelde dus dat Van der Star in het kader van de verdeling zijn aandeel in het gemeenschappelijke goed aan Beuving c.s. moest overdragen. De Hoge Raad kwalificeert de verdeling dus als een overdracht van de afzonderlijke aandelen in het gemeenschappelijke goed. Daarmee geeft hij aan de verdeling een translatief karakter, waarbij de verdelingshandeling de titel voor levering vormt en de verdeling als een overdracht uit handen van de deelgenoten kwalificeert.2
249. Ruim vier jaar later heeft de Hoge Raad een uitspraak gewezen waarin hij de translatieve werking van de verdeling nog een keer lijkt te bevestigen. In de zaak die tot de uitspraak van de Hoge Raad van 8 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2274, NJ 2017/437 leidde, was de vader van de man in 1985 overleden zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben beschikt. Als zijn erfgenamen liet hij de man en de moeder van de man achter. De vader van de man was in de wettelijke gemeenschap van goederen gehuwd met moeder. Tot de door het overlijden van de vader ontbonden huwelijksgemeenschap behoorde een woning en een perceel landbouwgrond. Tot de nalatenschap van vader behoorde de helft van de ontbonden huwelijksgemeenschap, waaronder dus de helft van de woning en het perceel landbouwgrond. In 1992 vond een verdeling van beide gemeenschappen plaats, waarbij de onroerende zaken aan de man werden toegedeeld en de door de man aan zijn moeder verschuldigde overbedelingsuitkering in een geldlening werd omgezet, welke geldlening op hetzelfde moment onder uitsluitingsclausule werd kwijtgescholden.3 In 1994 trouwde de man met de vrouw in de wettelijke gemeenschap van goederen. Bij de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding in 2015 kwam in geschil wat de omvang van de huwelijksgemeenschap van de man en de vrouw was en of de bij de verdeling in 1992 door de man verkregen onroerende zaken van de huwelijksgemeenschap waren uitgezonderd of niet. Het hof oordeelde hierover als volgt (onderstrepingen TS):
“5.3 Het hof overweegt als volgt. Vast staat dat de woning tot de huwelijksgoederengemeenschap van de ouders van de man behoorde. Vast staat eveneens dat de vader van de man is overleden zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben beschikt en dat de man en zijn moeder, op grond van het wettelijk versterferfrecht, de enige erfgenamen waren, ieder voor een gelijk deel. De nalatenschap van de vader maakte de helft uit van de onverdeelde gemeenschap van goederen van de bader en de moeder, tot welke gemeenschap ook de woning behoorde. Door het overlijden van zijn vader is de man tezamen met zijn moeder gerechtigd geworden tot die onverdeelde ontbonden gemeenschap en de daartoe behorende nalatenschap van zijn vader. Daarmee is de titel van verkrijging van het aandeel van de man en dat van zijn moeder daarin er een krachtens erfrecht. Deze verkrijging is ongeclausuleerd nu de vader van de man is overleden zonder bij testament over zijn nalatenschap te hebben beschikt en er derhalve geen uitsluitingsclausule op die verkrijging van toepassing is. De daarop volgende verdeling tussen de man en zijn moeder en hetgeen te dien aanzien tussen hem en zijn moeder is overeengekomen maakt dit niet anders. Immers ingevolge artikel 3:186 lid 2 Burgerlijk Wetboek (verder: BW) houdt een deelgenoot hetgeen hij verkrijgt onder dezelfde titel als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden. Ook na de verdeling houdt de man derhalve de woning ten titel van erfrecht, zonder dat daarop een uitsluitingsclausule van toepassing is. Reeds hierom is het hof van oordeel dat de woning niet is verkregen onder uitsluitingsclausule en daarom voor het geheel tot de ontbonden gemeenschap van goederen van de man en de vrouw behoort. […].”
Het hof hing met zijn oordeel dus de declaratieve werking van de verdeling aan. De titel ‘erfrecht’ werkte op grond van 3:186 lid 2 BW door bij de verdeling in die zin dat de woning ‘krachtens erfrecht’, en dus zonder uitsluitingsclausule, was verkregen. Dat de moeder van de man bij de verdeling nog een uitsluitingsclausule had gemaakt, maakt in dat geval geen verschil omdat de woning op grond van de declaratieve werking van de verdeling ‘uit handen van’ vader is verkregen en vader aan die verkrijging nu eenmaal geen uitsluitingsclausule had verbonden. Aldus viel de woning volgens het hof in de huwelijksgemeenschap waarin de man later was gehuwd. De man kon zich met dit oordeel van het hof niet verenigen en ging in cassatie. De Hoge Raad kwam tot een ander oordeel dan het hof. Hij oordeelde (onderstrepingen TS):
“3.4.2 Art. 3:186 lid 1 BW, dat ook geldt bij de verdeling van een nalatenschap, bepaalt dat voor de overgang van het aan ieder van de deelgenoten toegedeelde een levering is vereist op dezelfde wijze als voor overdracht van het desbetreffende goed is voorgeschreven. Dat is, wat betreft de verdeling van een nalatenschap, anders dan onder het tot 1992 geldende recht. Ingevolge art. 1129 (oud) BW werd de erfgenaam die een goed kreeg toebedeeld, geacht dit goed rechtstreeks (dus met wegdenken van de verkrijging door de gezamenlijke erfgenamen) in zijn geheel van de erflater te hebben verkregen, zonder dat daartoe een afzonderlijke leveringshandeling nodig was (vgl. HR 11 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4810, NJ 1985/527 (Vier Huizen)). De verdeling van een nalatenschap is onder het huidige recht (zoals elke verdeling) een rechtshandeling van de gezamenlijke erfgenamen (deelgenoten) die tot levering verplicht. In die rechtshandeling kan mede een andere rechtshandeling besloten liggen, zoals een schenking van een deelgenoot aan een andere deelgenoot, aan welke schenking de voorwaarde kan worden verbonden dat hetgeen wordt verkregen buiten enige huwelijksgemeenschap zal vallen (art. 3:38 lid 1 BW en art. 1:94 lid 2, onder a, BW). Art. 3:186 lid 2 BW staat daaraan niet in de weg. Dat is niet anders indien het de verdeling betreft van een nalatenschap waaraan de erflater geen uitsluitingsclausule heeft verbonden. Die bepaling houdt immers niet meer in dan dat een deelgenoot hetgeen hij (door verdeling en levering) verkrijgt, gaat houden onder dezelfde titel (waaronder begrepen: titels, zie voor een voorbeeld Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1298) als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden. […]”
Waar het hof in zijn uitspraak dus uitdrukkelijk aansluiting zocht bij de declaratieve werking van de verdeling, en de opvatting dat deze in artikel 3:186 lid 2 BW besloten zou liggen, lijkt de Hoge Raad daar niets van te willen weten. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 11 mei 1984 (Vier Huizen, zie randnummers 224 en 225 hiervóór) overweegt de Hoge Raad dat in het systeem van het oud BW de verkrijging krachtens verdeling van een nalatenschap als een verkrijging rechtstreeks van de erflater werd beschouwd (en dus als een verkrijging ‘krachtens erfrecht’). De Hoge Raad vervolgt dan dat dit in het systeem van het huidige BW niet meer kan worden aangenomen. Daartoe overweegt de Hoge Raad dat ‘de verdeling van een nalatenschap onder het huidige recht (zoals elke verdeling) een rechtshandeling van de gezamenlijke erfgenamen [is] die tot levering verplicht’. De Hoge Raad stelt de verdeling dus gelijk aan de overdracht van goederen, waar een titel ook tot levering verplicht.4 Juist daardoor kan volgens de Hoge Raad in die verdeling mede een andere rechtshandeling besloten liggen, die maakt dat een door verdeling verkregen goed alsnog buiten een huwelijksgemeenschap valt. Artikel 3:186 lid 2 BW maakt dit volgens de Hoge Raad niet anders. Dit artikel houdt immers niet meer in (onderstreping TS): ”dan dat een deelgenoot hetgeen hij (door verdeling en levering) verkrijgt, gaat houden onder dezelfde titel ([…])als waaronder de deelgenoten dit tezamen vóór de verdeling hielden”’. De titel voor de verkrijging bij de verdeling is volgens de Hoge Raad dus ‘verdeling en levering’ en niet de titel krachtens welke de deelgenoten het goed vóór de verdeling hebben verkregen (wat bij de declaratieve visie op de verdeling het geval zou zijn). Met deze overwegingen bevestigt de Hoge Raad het translatieve karakter van de verdeling; de verdeling is ‘een rechtshandeling die tot levering verplicht’ en hetgeen een deelgenoot door verdeling verkrijgt, wordt door hem ‘door verdeling en levering verkregen’. Aldus leidt de verdeling van de nalatenschap van vader tot een verkrijging krachtens de zelfstandige titel ‘levering krachtens verdeling’, en niettot een verkrijging ‘krachtens erfrecht’.