Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/5.1.1.c.i
5.1.1.c.i Nationale regelgeving
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS469956:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 47 lid 1 Auteurswet luidt: 'Deze wet is van toepassing op alle werken van letterkunde, wetenschap of kunst, welke hetzij véér, hetzij na haar in werking treden voor de eerste maal, of binnen dertig dagen na de eerste uitgave in een ander land, zijn uitgegeven in Nederland, alsmede op alle zodanige niet of niet aldus uitgegeven werken, welker makers Nederlanders zijn.' (zie voorts ook lid 2 tot en met 6). Deze bepaling gaat terug tot art. 36 van het wetsontwerp voor de Auteurswet (Kamerstukken 111911/12, 227, nr. 2). Daarover werd in de memorie van antwoord opgemerkt: 'Dat nu in eene auteurswet eene bepaling behoort voor te komen aangaande de nationaliteit — sit venia verbo — der werken, waarop zij van toepassing is, is niet te ontkennen. Niet voor elk werk, waar ter wereld en door wien ook gewrocht, moet men de hulp der Nederlandsche wet kunnen inroepen. Eene dergelijke bepaling is hier evenzeer onmisbaar als in het Strafwetboek de artikelen van den Eersten Titel van het Eerste Boek. Volgens de gedachte bepaling zullen dus alleen Nederlandsche werken de bescherming der Nederlandsche wet genieten?' (Kamerstukken 111911/12, 227, nr. 5, p. 28).
De Duitse wetgever heeft bewust afgezien van een conflictregel voor het intellectuele-eigendomsrecht omdat hij, onder verwijzing naar onder meer Ulmer 1975, een regeling overbodig achtte: 'Eine ausdrückliche Regelung erscheint im Hinblick auf die allgemeine Geltung des Schutzlandprinzips entbehrlich, das im übrigen auch keinen Raum für eine vorrangige Anknüpfung etwa an das von den Beteiligten gewählte Recht oder an den gemeinsamen gewöhnlichen Aufenthaltsort läβt.', zie BT-Drucksache 14/343, p. 10, van 1 februari 1999. Zie ook Deutscher Rat für IPR 2002, p. 34; BGH 7 november 2002, GRUR 2003, p. 328-331 (Sender Felsberg); BGH 24 mei 2007, GRUR 2007, p. 691-693; IPRax 2008, p. 271-274 (Staatsgeschenk). De Japanse wetgever heeft bij de recente herziening van zijn IPR-wetgeving bewust afgezien van een conflictregel voor het intellectuele-eigendomsrecht omdat hij de materie nog niet voldoende uitgekristalliseerd achtte, zie Takahashi 2006, p. 329; IPRax 2007, p. 560-564. De IPR-codificatie van 2001 in het Burgerlijk Wetboek van Rusland bevat ook geen conflictregel voor het intellectuele-eigendomsrecht (zie IPRax 2002, p. 327-332).
Zie Bijlage I (op p. 489 e.v.). Vgl. ook Sandrock 1983, p. 412-423. In de Volksrepubliek China wordt momenteel gewerkt aan een IPR-codificatie in het Burgerlijk Wetboek waarin ook conflictregels voor het intellectuele-eigendomsrecht zijn opgenomen, zie daarover Zhu 2007, p. 283, noot 5, en p. 297-299.
IPR-Wet van 16 juli 2004 (art. 93 en 94).
IPR-Wet van 4 mei 2005 (art. 71 en 74).
IPR-Wet van 27 maart 2002 (§ 23).
IPR-Wet van 31 mei 1979 (§ 19-20).
IPR-Wet van 31 mei 1995 (art. 54).
IPR-Wet van 7 april 2001 (art. 24). In haar Duitse vertaling luidt deze bepaling: 'Der Schutz geistiger Eigenthumrechte unterliegt dem Recht des Ortes der Verletzung dieser Rechte.' Deze lex causae wordt in de literatuur niet alleen voor de inbreuk, maar voor alle vragen betreffende de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten maatgevend geacht, zie RabelsZ 2006, p. 305.
IPR-Wet van 19 september 1996 (art. 38).
Art. 1.53 Burgerlijk Wetboek.
Art. 47 Burgerlijk Wetboek.
IPR-Wet van 15 juni 1978 (§ 34).
IPR-Wet van 22 september 1992 (art. 61, industriële eigendom), zie echter ook alinea 450 hierna.
IPR-Wet van 27 november 2007 (art. 23 lid 1). Hier past een kanttekening. Blijkens de beschikbare vertalingen bepaalt art. 23 lid 1 dat intellectuele-eigendomsrechten worden beheerst door het recht van het land 'volgens welks recht de bescherming wordt ingeroepen' ('Rights on intellectual property shall be governed by the law of the country pursuant to whose law protection is sought.', zo luidt de vertaling in Yearbook PIL 2007, p. 590; 'Die Rechte auf Grund geistigen Eigentums unterliegen dem Recht des Landes, nach dem Schutz beansprucht wird.', aldus de vertaling in IPRax 2008, p. 285). Dat zou een ongelukkig gekozen formulering zijn: men kan daar immers wellicht ook een eenzijdige rechtskeuzemogelijkheid in lezen. Dat zal echter niet de bedoeling zijn geweest. Aangenomen mag worden dat de Turkse wetgever in art. 23 lid 1 de lex loci protectionis-verwijzing heeft willen vastleggen. De Turkse bepaling is immers geïnspireerd door art. 110 van de Zwitserse IPR-Wet, die voor de lex loci protectionis kiest (zie Tekinalp 2007, p. 329, en noot 129 van dit hoofdstuk 5). Bovendien is de rechtskeuzemogelijkheid uitdrukkelijk geregeld in art. 23 lid 2 van de Turkse IPR-Wet.
IPR-Wet van 18 december 1987 (art. 110 lid 1).
Zo lijkt de Oostenrijkse wetgever thans de oude eenzijdige conflictregels in § 94 e.v. van de Oostenrijkse auteurswet (Urheberrechtgesetz van 9 april 1936) over het hoofd te zien; deze bepalingen merkt hij thans aan als vreemdelingenrecht: 'Die §§ 94 bis 100 enthalten das sg. urheberrechtliche Fremdenrecht; zum Kollisionsrecht, siehe hingegen § 34 IPRG, BGB1. Nr. 304/1978Y, zie Rechtsinformationssystem des Bundes,
Wellicht is de Zwitserse wetgever zich bijvoorbeeld wel bewust geweest van het conflictenrechtelijke gehalte van het beginsel van nationale behandeling in de verdragen, zie Locher 1993, p. 15-16. Over Oostenrijk, zie noot 46 van dit hoofdstuk 5.
Art. 93 lid 2 van de Belgische IPR-Wet van 16 juli 2004 bepaalt, in afwijking van art. 94, voor industriële-eigendomsrechten (niet voor het auteursrecht en de naburige rechten) dat de subject-vraag wordt beheerst door het recht van de Staat waarmee de intellectuele activiteit de nauwste banden heeft. In de Bulgaarse IPR-Wet van 4 mei 2005 lijkt art. 72, in afwijking van art. 74, te bepalen dat de subject-vraag ten aanzien van in dienstverband geschapen intellectuele eigendom wordt beheerst door het recht dat op de arbeidsovereenkomst van toepassing is.
Section 104A(b) jo. (h)(8) US Copyright Act bevat een lex originis-verwijzing voor de subject-vraag ten aanzien van een specifieke categorie werken, namelijk `restored works' (dat zijn kort gezegd werken die om bepaalde redenen in de Verenigde Staten geen bescherming genoten, maar die naderhand vanwege internationale verplichtingen toch worden beschermd, vgl. section 104A(h)(6); zie daarover nader Joyce e.a. 2006, p. 336 e.v.). Het is niet duidelijk of deze regel moet worden beschouwd als een uitzondering op de hoofdregel, of juist als een bevestiging van de hoofdregel (aldus Goldstein 2001, p. 103).
Vgl. art. 19 van de Belgische IPR-Wet, welke clausule volgens de memorie van toelichting bij art. 93 ook kan worden toegepast in de context van het intellectuele-eigendomsrecht; vgl. ook section 12 van de Engelse Private International Law (Miscellaneous Provisions) Act 1995, Wadlow 1998, p. 341, zie noot 510 van dit hoofdstuk 5.
Art. 110 lid 2 van de Zwitserse IPR-Wet; art. 1.53 lid 2 Litouws Burgerlijk Wetboek; art. 23 lid 2 van de Turkse IPR-Wet. Kreuzer 1991, p. 153, noot 56, meldt dat de Zwitserse rechtskeuzemogelijkheid niet door de deskundigen was voorgesteld, maar in de loop van de parlementaire fase in het wetsvoorstel is opgenomen. De rechtskeuze wordt beperkt opgevat, zij betreft alleen de rechtsgevolgen van de inbreuk (Fezer & Koos 2006, p. 442).
Art. 48 Portugees Burgerlijk Wetboek. Deze soep lijkt in de praktijk echter niet zo heet te worden gegeten als zij wordt opgediend. De Portugese bepaling wijkt, zo geeft zij zelf aan, voor specifieke regelingen; daarbij is te denken aan de verdragen en aan andersluidende nationale bepalingen (zo'n bepaling is bijvoorbeeld art. 64 Auteurswet 1985, dat bepaalt dat op de bescherming in Portugal van vreemde werken en werken van vreemde auteurs Portugees recht van toepassing is; deze bepaling 'halveert' dus de lex originis-verwijzing van voormeld art. 48, in dier voege dat in Portugal zelf geen vreemde lex originis van toepassing is; hoe dan ook, in de praktijk zal de lex loci protectionis-verwijzing van de verdragen doorgaans prevaleren). Zie over voormeld art. 48 ook Moura Vicente 2008, p. 229-230.
Art. 67 van de Griekse Wet betreffende het auteursrecht, de naburige rechten en culturele aangelegenheden 1993, dat een vrijwel volledige lex originis-verwijzing voor het auteursrecht behelst, geeft in lid 4 evenwel nadrukkelijk aan dat deze conflictregel niet mag worden toegepast voor zover zij in strijd is met internationale verdragen waar Griekenland bij is aangesloten (de oude Griekse regeling staat vermeld in Koumantos 1979, p. 626). Vgl. ook Drexl 2001, p. 464.
IPR-Wet van 22 september 1992 (art. 60-64).
Kennelijk wenst men in eigen land niet te gemakkelijk op een vreemde lex originis te worden getrakteerd. Bij dergelijke 'scheve' lex originis-verwijzingen kan men zich de vraag stellen of zij (ook) niet in strijd zijn met het non-discriminatiebeginsel in art. 12 EG. Ook een interessant geval is Koeweit. Afgaande op Makarov 1978, p. 161 kent de Koeweitse IPR-Wet van 14 februari 1961 een volledige lex originis-verwijzingsregel voor alle intellectuele-eigendomsrechten (art. 57 en 58). Of die wet nog van kracht is, viel niet te achterhalen. Wel is duidelijk dat in het onderhavige verband ondertussen ook nieuwe bepalingen van kracht zijn geworden, zie bijvoorbeeld (art. 43 van) de auteurswet van 29 december 1999 (zie
Ricketson 2004, p. 219.
De vraag naar de doorwerking van verdragsrecht in de nationale rechtsorde blijft hier buiten beschouwing.
Wet van 11 april 2001, houdende regeling van het conflictenrecht met betrekking tot verbintenissen uit onrechtmatige daad (Wet conflictenrecht onrechtmatige daad), Stb. 2001, 190.
Daarvan gaat bijvoorbeeld Van Eechoud 2005 (Overleefde territorialiteit) uit. Expliciet: Pontier 2008, p. 106 (zie evenwel ook Pontier 2001, p. 95-96).
Kamerstukken II 26 608, 1998/99, nr. 3; advies van de Staatscommissie IPR van 23 december 1996, opgenomen in: De Boer 1998, p. 57-77.
Kamerstukken II 26 608, 2000/01, nr. 5, p. 3.
Zie in dit verband ook par. 5.3.3 onder (b)(i). Vgl. ook Van der Weide 2008, p. 219.
448. Eenzijdige conflictregels. Nationale conflictregels zijn geen nieuw fenomeen in het intellectuele-eigendomsrecht. Zoals wij in Deel I van deze studie hebben gezien, waren zij van oudsher vastgelegd in de nationale intellectuele-eigendomswetten: de eenzijdige conflictregels die het toepassingsbereik van de nationale wet afbakenen, zoals bijvoorbeeld artikel 47 Auteurswet.1 Deze conflictregels pasten in het systeem van het beginsel van nationale behandeling.
449. Moderne IPR-codificaties. In de tweede helft van de twintigste eeuw kwam een golf van nationale IPR-wetten op gang; verschillende nationale wetgevers gingen hun internationaal privaatrecht c.q. conflictenrecht codificeren. Sommige wetgevers, zoals de Duitse en de Japanse, hebben daarbij bewust afgezien van een conflictregel voor het intellectuele-eigendomsrecht.' 2 Een aantal andere wetgevers heeft daarentegen wél conflictregels voor het intellectuele-eigendomsrecht vastgelegd.3 Daarbij is meestal gekozen voor de lex loci protectionis-verwijzing, zo bijvoorbeeld in België4, Bulgarije,5 Estland6, Hongarije7, Italië8, ZuidKorea9, Liechtenstein10, Litouwen11, Macau12, Oostenrijk13 , Roemenië14, Turkije15 en Zwitserland.16 Aldus hebben deze wetgevers waarschijnlijk vaak de oude eenzijdige conflictregels in hun intellectuele-eigendomswetten miskend. Die bepalingen worden nu vaak versleten voor vreemdelingenrecht.17 Of zij zich altijd bewust zijn geweest van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling van de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs is moeilijk na te gaan —sommigen lijken zich ervan bewust te zijn geweest en zullen deze conflictregel dan waarschijnlijk hebben willen bevestigen.18
450. Hoe dan ook, met hun lex loci protectionis-conflictregel wijken zij af in ieder geval van de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling waar het de formele-territorialiteitscomponent betreft. Maar vaak is er meer aan de hand, en worden er, in strijd met de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling, beperkingen en uitzonderingen op de lex loci protectionis-conflictregel aangebracht. Beperkingen treft men bijvoorbeeld aan in de Belgische en de Bulgaarse IPR-codificaties, die de subject-vraag (gedeeltelijk) afsplitsen en aan een ander rechtsstelsel onderwerpen.19 Zo ook, althans in ieder geval voor een specifieke categorie werken, de US Copyright Act.20 Daarnaast worden verschillende uitzonderingen op de lex loci protectionis-conflictregel gemaakt. Daarbij valt in de eerste plaats te denken aan algemeen toepasselijke uitzonderingen, zoals een algemene-exceptieclausule.21 Maar er worden ook specifiek voor het intellectuele-eigendomsrecht geldende uitzonderingen uitgemaakt. Zo openen de IPR-codificaties van Zwitserland, Litouwen en Turkije de mogelijkheid voor een ex-post rechtskeuze voor de lex fori (in de praktijk dus Zwitsers, Litouws respectievelijk Turks recht).22 Sommige wetgevers zijn nog verder weggedreven door (vrijwel) volledig andere conflictregels te codificeren. Zo heeft de Portugese wetgever in zijn IPR-codificatie voor een lex originis-verwijzing gekozen23, en heeft de Griekse wetgever datzelfde gedaan in zijn auteurswet.24 Een interessant geval is ook de regeling in de Roemeense IPR-codificatie.25 Naast een lex loci protectionis-conflictregel voor industriële-eigendomsrechten (artikel 61), bevat zij voor het auteursrecht een lex originis-verwijzing (artikel 60), en voor intellectuele-eigendomsrechtelijke schadevorderingen wordt de lex loci delicti-verwijzing gestipuleerd (artikel 62). Maar intellectuele-eigendomsrechten (dus ook auteursrechten) van buitenlanders, zo bepaalt artikel 64, worden in Roemenië beheerst door Roemeens recht.26
451. Belang. Het praktische belang van dergelijke nationale conflictregels is, gelet op de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling van het Verdrag van Parijs en de Berner Conventie, gering. De genoemde landen zijn immers allemaal bij de beide verdragen aangesloten, en die verdragen dekken "virtually all the inhabited territoiries of the globe."27 De desbetreffende nationale conflictregels hebben dus alleen betekenis in het zeer kleine speelveld buiten het toepassingsgebied van deze verdragen.28 De nationale conflictregels van de lidstaten van de Europese Gemeenschap krijgen op dit marginale speelveld bovendien ook nog te maken met een communautaire conflictregel, die zo dadelijk in par. (ii) wordt besproken.
452. Wet conflictenrecht onrechtmatige daad. De hedendaagse Nederlandse wetgever heeft géén specifieke conflictregel voor het intellectuele-eigendomsrecht vastgelegd. Ook de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad van 11 april 2001 bevat geen specifieke conflictregel voor het intellectuele-eigendomsrecht.29 Deze wet zwijgt in het geheel over het intellectuele-eigendomsrecht (terwijl zij in art. 4 wél een conflictregel bevat voor de oneerlijke mededinging). Wat betekent dit stilzwijgen? Heeft de wetgever bedoeld dat deze wet niet van toepassing is op verbintenissen die voortvloeien uit de schending van een intellectuele-eigendomsrecht? Of heeft de wetgever bedoeld dat in dit verband gewoon de algemene regels van deze wet van toepassing zijn?30 Dit laatste is onwaarschijnlijk. In de eerste plaats zwijgen de wettekst en de parlementaire geschiedenis hierover: zowel in de memorie van toelichting, als in het advies van de Staatscommissie voor het internationaal privaatrecht, dat aan deze wet ten grondslag ligt, wordt met geen woord over intellectuele-eigendomsrechten gerept.31 Niettemin is er in de parlementaire geschiedenis één aanwijzing: de Minister van Justitie heeft zich in een nota terloops laten ontvallen "dat de onrechtmatige daad op het internet zich in verschillende gedaanten kan voordoen, zoals (...) schending van het auteursrecht (...)."32 Maar uit deze ene terloopse opmerking kan m.i. niet worden afgeleid dat de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad ook moet worden toegepast op verbintenissen die voortvloeien uit de schending van een intellectuele-eigendomsrecht. Dat klemt te meer wanneer men zich rekenschap geeft van de consequenties, die er op neer komen dat dan óók de rechtsgevolgen-uitzondering (artikel 3 lid 3), de accessoire aanknoping (artikel 5) en de rechtskeuzebevoegdheid (artikel 6) zich laten gelden. Het is onaannemelijk dat de wetgever die positie heeft willen innemen — dat zou immers in internationaal opzicht een uitzonderlijke positie zijn, en een radicale breuk met de huidige praktijk in Nederland —, en het is al helemaal onaannemelijk dat de wetgever dat zonder enige toelichting zou doen. Aangenomen moet derhalve worden dat de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad niet van toepassing is op verbintenissen die voortvloeien uit de schending van een intellectuele-eigendomsrecht.33 Waarschijnlijk heeft de wetgever ófwel — terecht — een regeling overbodig geacht gelet op de conflictregels van de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs, ófwel deze materie als zijnde te controversieel ongeregeld willen laten. Hoe dan ook, de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad heeft haar betekenis recentelijk vrijwel geheel verloren door de kersverse communautaire conflictregel die wij nu onder de loep zullen nemen.