Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.5.4.4.1.1
8.5.4.4.1.1 Compromis tussen imperatieve en facultatieve herzieningsperiode
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291721:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting art. 9 lid 3 Voorstel voor een tweede richtlijn.
Nota van de Groep financiële vraagstukken van 7 januari 1974, nr. R/2/74 (FIN 2), deel II, p. 24 en 25.
Werkdocument van de Groep financiële vraagstukken van 14 mei 1974, nr. T/218/74 (FIN), p. 7.
Nota van de Groep financiële vraagstukken van 16 november 1976, nr. R/2748/76 (FIN 716), p. 1-2.
Nota van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers van 9 december 1976, nr. R/3013/76 (FIN 806), p. 5.
Nota van de voorzitter van 9 december 1976, nr. R/3034/76 (FIN 808), p. 14. In de nota staat niet vermeld om welke voorzitter het gaat. Niettemin is uit de inhoud van de brief - door de voorzitter opgestelde teksten die worden voorgelegd aan de Raad met het oog op zijn zitting van 16 december 1976 - af te leiden dat het gaat om de voorzitter van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers.
Memorandum van de voorzitter van 3 januari 1977, nr. R/3256/76 (FIN 890), p. 6. Uit de chronologie van de vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Zesde Richtlijn is af te leiden dat het gaat om een memorandum van de voorzitter van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers.
In art. 20 lid 2 Voorstel voor een zesde richtlijn was door de Europese Commissie – conform art. 11 lid 3, derde alinea Tweede Richtlijn – een herzieningsperiode van vijf jaar voorgesteld, met inbegrip van het jaar van verkrijging. Uit de toelichting op deze herzieningsperiode in art. 9 lid 3 Voorstel voor een tweede richtlijn volgt dat ‘het nodig werd geacht om in het kader van de onmiddellijke aftrek gedurende een termijn, die forfaitair op vijf jaar was gesteld, op de oorspronkelijke aftrek correcties toe te passen indien er wijzigingen optreden’.1 Duitsland, Frankrijk en Luxemburg vonden de herzieningsperiode van vijf jaren voor bijvoorbeeld terreinen te kort. Naar de mening van deze lidstaten moest de herzieningsperiode voor terreinen minstens tien jaar zijn om misbruik te voorkomen. Het Verenigd Koninkrijk vond de voorgestelde herzieningsregeling te gedetailleerd en meende dat er op dit gebied een zekere vrijheid aan de lidstaten moest worden gelaten.2 Het Verenigd Koninkrijk erkende de noodzaak van een herzieningsregeling voor investeringsgoederen, maar wees erop dat de voorgestelde herzieningsmethode niet bekend was in het belastingstelsel van het Verenigd Koninkrijk. Het Verenigd Koninkrijk gaf aan een onmiddellijke herziening te verkiezen boven de verplichting om in de loop van een periode van vijf jaren gecompliceerde administratieve controles te verrichten. Ook Ierland gaf aan dat de voorgestelde herzieningsregeling voor investeringsgoederen niet bekend was in het Ierse belastingstelsel. Niettemin was deze lidstaat bereid om deze regeling te aanvaarden wanneer zij de goedkeuring van alle andere lidstaten kon wegdragen. De Europese Commissie was minder toeschietelijk en gaf aan dat de voorgestelde herzieningsregeling noodzakelijk is voor gemengde ondernemingen en dat het noodzakelijk is om deze regeling te harmoniseren om concurrentieverstoringen te voorkomen die zich kunnen voordoen als de herzieningsregeling in de diverse lidstaten verschilt.3
Door Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk is vervolgens verzocht om de herzieningsregeling voor investeringsgoederen facultatief te maken. Deze lidstaten betoogden dat een herziening van de aftrek voor investeringsgoederen gedurende een periode van vijf jaar niet geschikt zou zijn voor landen die voor investeringsgoederen nultarieven of zeer lage tarieven toepassen. De administratieve complicaties voor zowel de overheid als de belastingplichtigen om de betrokken herzieningen te bewerkstelligen zouden in geen enkele redelijke verhouding staan tot de eventueel terug te betalen btw. De andere lidstaten toonden begrip voor de door Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk aan de orde gestelde problemen, maar achtten de herzieningsregeling voor investeringsgoederen een belangrijk onderdeel van de communautaire verworvenheden dat behouden moest blijven.4 De Europese Commissie meende dat een facultatieve herzieningsregeling voor investeringsgoederen een stap terug zou zijn ten opzichte van de Tweede Richtlijn.5 Door de voorzitter van het Comité van Permanente Vertegenwoordigers is als compromisoplossing voorgesteld om in de Zesde Richtlijn te bepalen dat met betrekking tot investeringsgoederen gedurende een periode van vijf jaar een herziening wordt verricht. Voorts was zijn voorstel om te preciseren dat, indien in een lidstaat de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de herziening een te verwaarlozen resultaat zou opleveren, deze Lid-Staat, na raadpleging van het Btw-comité, de mogelijkheid heeft om de herzieningen niet toe te passen, rekening houdend met de noodzaak om concurrentieverstoringen te voorkomen, met de totale omvang van de belasting in de betrokken lidstaat en met de noodzaak van administratieve vereenvoudigingen.6 Dit voorstel is door de lidstaten aanvaard, met dien verstande dat zij toegevoegd wilden hebben dat de herziening voor onroerende goederen gedurende een periode van maximaal 10 jaar wordt herzien.7