De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen
Einde inhoudsopgave
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.5:3.5 Conclusie en afronding herkomst onteigeningsdeskundige
De (bijzondere) positie van onteigenings- en nadeelcompensatiedeskundigen (SteR nr. 58) 2023/3.5
3.5 Conclusie en afronding herkomst onteigeningsdeskundige
Documentgegevens:
S. Schuite, datum 10-04-2023
- Datum
10-04-2023
- Auteur
S. Schuite
- JCDI
JCDI:ADS701978:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De deelvraag die in dit hoofdstuk centraal stond is of de huidige – ogenschijnlijk belangrijke en bijzondere – positie van de schadedeskundigen historisch verklaarbaar is en, indien dat het geval is, hoe die verklaring dan luidt.
Voor het onteigeningsrecht luidt het antwoord op die vraag bevestigend. Kortgezegd is de verklaring daarvoor dat de Hoge Raad reeds in 1864 brak met de gedachte van de wetgever in 1851 over het functioneren van het onteigeningssysteem en de rol die deskundigen daarin vertolken.
In 1851 was de gedachte van de wetgever – in de persoon van Thorbecke – evident. Er was slechts ruimte voor een vergoeding van twee limitatieve schadeposten: de werkelijke waarde van het onteigende en een eventuele waardevermindering van hetgeen na de onteigening nog resteert. In een veelal agrarisch Nederland – waar onteigening met name plaatsvond ten behoeve van de aanleg van spoor- en waterwegen – was het werk van deskundigen relatief eenvoudig. In lijn daarmee was het wettelijke uitgangspunt: de deskundigen taxeren (lees: voorzien de schadeposten van een cijfermatige invulling) en de rechter stelt de schade vast. Vanaf 1864 erkende de Hoge Raad echter nog een derde schadepost, die van de bijkomende schade. Een op voorhand niet te begrenzen schadepost die leidde tot een verandering in het takenpakket van de deskundigen. Van hen werd namelijk verwacht om van geval tot geval te beoordelen welke schade nog wel en welke schade niet meer als rechtstreeks en noodzakelijk gevolg van de onteigening kon worden aangemerkt. Deskundigen moesten toepassing leren geven aan de alsmaar groeiende rechtspraak van de Hoge Raad. Een taak die leidde tot een zekere ‘professionalisering’ van de onteigeningsdeskundige. Die professionalisering uitte zich door de opkomst van vaste commissies van deskundigen geleid door een met kennis van het onteigeningsrecht geëquipeerde jurist. Een professionalisering die nog verder werd versterkt door de wetswijziging van 1920. Deskundigen werden sindsdien opgeroepen om bij de terechtzitting aanwezig te zijn. Ook de positie van de rechter-commissaris verloor aan belang ten faveure van de positie van deskundigen. De deskundigen werden meer en meer de belangrijkste actoren van de onteigeningsprocedure. De uitkomst van die ontwikkelingen zien we thans terug in de positie van de onteigeningsdeskundigen.