Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/II.0
II.0 Introductie
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS394047:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
J.H. Nieuwenhuis, C.J.J.M. Stolker en W.L. Valk (red.), Burgerlijk wetboek. Tekst & Commentaar, Boeken 1, 2, 3, 4 en 5, Deventer, Kluwer, 2009, blz. 21.
P.H. Kooijmans, Internationaal publiekrecht in vogelvlucht, Deventer, Kluwer, 2008, blz. 57.
E.A. Ariëns, a.w., blz. 245.
E.A. Brood, De vestigingsplaats van vennootschappen. Enige privaatrechtelijke en fiscaalrechtelijke aspecten, Deventer, Kluwer, 1989, blz. 17.
Vgl. E.A. Brood, a.w. 1989, blz. 14.
L.W. Sillevis, M.L.M. van Kempen, N.H. de Vries en G.W.B. van Westen (red.), Cursus belastingrecht. Inkomstenbelasting, Deventer: Kluwer, losbladig, paragraaf 7.2.1.A, a. Inleiding.
HvJ 28 januari 1986, zaak 270/83, FED 1990/3, blz. 273 (Commissie/Frankrijk, “Avoir Fiscal”).
Vgl. M.J.A. van Mourik en A.J.M. Nuytinck, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht, Deventer, Kluwer, 2006, blz. 31.
M.F.M. van den Berg, J.A.E. van Raak-Kuiper, Personen- en familierecht, Den Haag, Boom Juridische uitgevers, 2004, blz. 20 en 21.
Om rechten en plichten toe te kennen aan personen dienen zij te worden geïdentificeerd. Ook dienen zij voor het recht bereikbaar te zijn en dus dient te worden vastgesteld waar zij kunnen worden bereikt.1 Zowel de overheid als andere burgers kunnen de betreffende persoon dan op deze plaats bereiken om hun rechten tegenover deze persoon te doen gelden en aan hun verplichtingen ten opzichte van hem te voldoen. Aan de woon- of vestigingsplaats kan een persoon ook rechtstreeks rechten ontlenen, zoals aanspraken op door de Nederlandse overheid en/of lokale overheden getroffen voorzieningen als rechten op uitkeringen, bijvoorbeeld art. 11, eerste lid, Wet Werk en Bijstand. Ook kunnen aan zijn woonplaats rechtstreeks verplichtingen zijn verbonden, zoals de verplichting tot het betalen van belasting. Rechten en verplichtingen kunnen, maar hoeven niet te worden ontleend aan de woon- of vestigingsplaats. Zo mag men bijvoorbeeld stemmen voor de leden van de Staten-Generaal indien men de Nederlandse nationaliteit heeft ongeacht waar men woont, art. B1, eerste lid, Kieswet. Indien men echter zijn werkelijke woonplaats heeft in de Nederlandse Antillen of Aruba, heeft men geen kiesrecht. Ook daarop geldt weer een uitzondering op grond van art. B1, tweede lid, Kieswet. De nationaliteit van natuurlijke personen wordt over het algemeen bepaald op basis van het land waar zij zijn geboren of op basis van de nationaliteit van één of beide ouders.2 De nationaliteit van een rechtspersoon wordt meestal bepaald door:
de staat naar wiens recht zij zijn opgericht (incorporatieleer3);
de staat waar de rechtspersoon is opgericht;
de staat waar de rechtspersoon statutair is gevestigd;
de staat waar de leiding van de rechtspersoon haar vestiging heeft; of
de staat waar de belangrijkste bedrijfsuitoefening plaatsheeft (theorie van de werkelijke zetel4).5
De vestigingsplaats van een rechtspersoon kan derhalve in bepaalde gevallen mede zijn nationaliteit bepalen. Ook het enkele feit dat men zich in een land bevindt kan rechten en/of verplichtingen met zich brengen. Zo zijn strafbare feiten begaan in Nederland door buitenlanders strafbaar en is de Nederlandse strafrechter bevoegd hierover te oordelen op basis van art. 2 Wetboek van Strafrecht. Het feit dat men een vermogensbestanddeel heeft in een bepaald land kan ook rechten en verplichtingen doen ontstaan. Zo wordt bijvoorbeeld over de verkrijging van in Nederland gelegen onroerende zaken en rechten waaraan deze onroerende zaken zijn onderworpen overdrachtsbelasting geheven, art. 2, eerste lid, Wet BRV en worden inkomsten uit deze onroerende zaak voor de Nederlandse inkomstenbelasting in de heffing betrokken, art. 7.1 Wet IB 2001.6
Specifiek in de omzetbelasting kan men rechten en verplichtingen hebben in een land zonder dat men in dat land is gevestigd. Belastingplicht voor de omzetbelasting geldt ongeacht de plaats waar men is gevestigd, art. 9 btw-richtlijn. Met de Nederlandse omzetbelastingwet krijgt men echter niet te maken zonder dat er een bepaalde band met Nederland is. Deze band kan worden gevonden in:
de plaats waar een bepaald object zich bevindt, bijvoorbeeld art. 5, eerste lid, onderdeel a en b, Wet OB 1968, art. 6b Wet OB 1968 en art. 6g, eerste lid, Wet OB 1968 (tekst vanaf 2010);
de woon- of vestigingsplaats van de afnemer, art. 6, eerste lid en art. 6i, Wet OB 1968 (tekst vanaf 2010);
de vestigingsplaats van de dienstverrichter, art. 6, tweede lid, Wet OB 1968 (tekst vanaf 2010);
de plaats waar een handeling wordt verricht, bijvoorbeeld art. 6c en 6d Wet OB 1968 (tekst vanaf 2010); en
de plaats waar het werkelijk gebruik en de werkelijke exploitatie van een prestatie plaatsvindt, art. 6j Wet OB 1968.
Personen kunnen zich op uiteenlopende wijze begeven in het maatschappelijk verkeer van een land. Er kunnen wat dat betreft drie gradaties worden onderscheiden die een steeds oplopende mate van deelname aan het maatschappelijk verkeer worden geacht met zich te brengen:
Deelneming aan het plaatselijk verkeer in een land, zonder dat men daar woont of is gevestigd of een nevenvestiging heeft.
Deelneming aan het maatschappelijk verkeer in een land door middel van een nevenvestiging, in de vorm van een filiaal of bijkantoor of een gevolmachtigde handelsagent.
Deelneming aan het maatschappelijk verkeer, omdat men in dit land zijn woonplaats heeft, zijn zetel en/of middelpunt van zijn bedrijf heeft.7
In het Europese recht worden deze deelnames alle drie erkend en wel de eerste onder het vrije verkeer van goederen of het vrije verkeer van diensten en de tweede en de derde onder het recht van vestiging (zie paragraaf 3.4.2).
In uiteenlopende wet- en regelgeving wordt het verschijnsel dat men in het maatschappelijk verkeer deelneemt door middel van een filiaal, bijkantoor of gevolmachtigde handelsagent erkend en worden aan de nevenvestiging rechten en verplichtingen toegekend die vergelijkbaar zijn met die van in het desbetreffende land woonachtige of gevestigde personen. Zo wordt een werkgever die niet in Nederland woont of is gevestigd, maar in Nederland een vaste inrichting heeft of een in Nederland wonende of gevestigde vaste vertegenwoordiger heeft met een in Nederland wonende of gevestigde werkgever gelijkgesteld voor de toepassing van art. 3, tweede lid, eerste volzin, Werkloosheidswet. Voor de heffing van inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting wordt de winst van een Nederlandse vaste inrichting van een natuurlijk persoon respectievelijk lichaam in de heffing betrokken op vergelijkbare wijze als de winst van een in Nederland woonachtige natuurlijk persoon of gevestigd lichaam.8 Omdat zij op dezelfde wijze in de heffing worden betrokken, mogen op grond van het recht van vestiging aan vaste inrichtingen van buitenlandse personen niet de voordelen worden onthouden die wel aan in het binnenland gevestigde personen toekomen.9
Indien men de woon- of vestigingsplaats vaststelt op basis van criteria waarbij de plaats waar de feitelijke bedrijfsuitoefening plaatsvindt niet relevant is, bijvoorbeeld door aan te sluiten bij de statutaire vestiging van rechtspersonen, wordt de plaats waar men zijn bedrijf uitoefent vaak eveneens als aanknopingspunt gezien waar men rechten kan doen gelden tegenover de desbetreffende persoon en verplichtingen kan hebben, bijvoorbeeld art. 1:14 BW. Dit dient het maatschappelijk verkeer waarin men toch vaak met het personeel in het kantoor dat de onderneming drijft te maken zal hebben.10 Een dergelijke vestiging kan in hetzelfde land zijn gelegen als waar de betreffende persoon woont of is gevestigd (bij het vaststellen van de hoofdvestiging kijkt men in dit geval niet naar de plaats waar de feitelijke bedrijfsuitoefening plaatsvindt) of een vestiging zijn die in een ander land is gelegen. Men kan dan op deze plaats op dezelfde wijze rechten doen gelden of aan zijn verplichtingen voldoen jegens deze persoon als men kan op de plaats waar de persoon zijn woon- of vestigingsplaats heeft, zie bijvoorbeeld art. 529, eerste lid en art. 530, eerste lid, Wetboek van Strafvordering. In art. 529, eerste lid, Wetboek van Strafvordering is opgenomen dat kennisgeving van gerechtelijke mededelingen aan een rechtspersoon kan geschieden aan: a) de woonplaats van de rechtspersoon, b) de plaats van het kantoor van de rechtspersoon of c) de woonplaats van één van de bestuurders. Voor vennootschappen onder firma geldt op grond van art. 530, eerste lid, Wetboek van Strafvordering de plaats van het kantoor van de maat- of vennootschap of de woonplaats van één van de aansprakelijke vennoten als plaats waaraan kennisgeving van gerechtelijke mededelingen moet plaatsvinden.
In het vervolg van deel II van dit onderzoek zal nader worden ingegaan op de invulling van de woon- en vestigingsplaats in het recht. Er is daarbij gekozen om eerst de invulling van de vestigingsplaatsvormen in de omzetbelasting uitgebreid onder de loep genomen. Na deze analyse die zal plaatsvinden in de hoofdstukken 4 en 5 kan dan in hoofdstuk 6 steeds een vergelijking worden gemaakt tussen de in hoofdstuk 6 besproken rechtsgebieden en de btw. In deze vergelijking kunnen zowel aanknopingspunten worden gevonden voor de invulling van de vestigingsplaatsvormen in de omzetbelasting als vragen die daarbij kunnen rijzen. Door het raakvlak dat de omzetbelasting heeft met het civiele recht zal allereerst worden gekeken naar de invulling die aan de woon-en vestigingsplaats wordt gegeven in het civiele recht. Omdat het in art. 1:10 BW uitgewerkte begrip woonplaats werking heeft voor diverse wetten zowel in het privaat- als het publiekrecht11 wordt daarmee al één van de belangrijkste invullingen van de woon- en vestigingsplaats in Nederland in ogenschouw genomen. Door het lidmaatschap van de Europese Unie is het Europese recht van belangrijke invloed op het recht zoals dit geldt in Nederland. De omzetbelastingwetgeving in het bijzonder is gebaseerd op Europese regelgeving. In de tweede plaats zal daarom aandacht zijn voor de invulling van de woon- en vestigingsplaats in het Europese recht. De belastingwetgeving in Nederland kent in art. 4 AWR een woon- en vestigingsplaats dat van toepassing is op alle rijksbelastingen (met uitzondering van die belastingen die een communautaire Europese grondslag hebben, zoals de omzetbelasting en de invoerrechten). Deze woon- en vestigingsplaats worden onder meer gebruikt om vast te stellen van wie men in Nederland belasting wil heffen. Net als de vestigingsplaats in de omzetbelasting bepaalt of een land bij diensten belasting mag heffen, bepaalt de woon- en vestigingsplaats in de directe belastingen of de nationale wetgever zich gerechtigd acht belasting te heffen. Of daadwerkelijk heffing kan plaatsvinden, hangt af van met andere landen gesloten belastingverdragen. In deze belastingverdragen spreken landen af wie welke inkomens- of vermogensbestanddelen in de heffing mag betrekken. In hoofdstuk 6 zal dus in de derde plaats worden ingegaan op de invulling van de woon- en vestigingsplaats in de directe belastingen.