Einde inhoudsopgave
Aanvullen van subjectieve rechten (O&R nr. 109) 2019/5.2.1
5.2.1 Introductie
mr. drs. T.E. Booms, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. T.E. Booms
- JCDI
JCDI:ADS296770:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In werkelijkheid is de discussie minder gestroomlijnd verlopen dan dat ik het hier presenteer. De standpunten die ik hier bespreek, volgden niet altijd chronologisch op elkaar, maar werden vaak als dialoog en discussie met elkaar gevormd. Ik heb de standpunten omwille van de leesbaarheid soms iets versimpeld. Ik verwijs bij het bespreken van standpunten uit de eerste (tevens oudste) stroming naar weergaven daarvan in de moderne literatuur, omdat deze eenvoudiger te raadplegen is. Zie voor enkele van de originele vindplaatsen Merrill & Smith 2001a, p. 365.
Schroeder 1994, p. 239; Penner 1996, p. 713; Douglas & McFarlane 2013, p. 219.
Deze opvatting heeft alleen betrekking op de wijze van omschrijven van een goederenrechtelijk recht en niet op de inhoud ervan en is daarom goed te verenigen met de ‘bundle of rights’-opvatting. Ook aanhangers van de hierna te bespreken ‘right to a thing’-opvatting beschrijven goederenrechtelijke rechten als verzamelingen juridische posities die betrekking hebben op een rechtsobject; zie bijvoorbeeld Douglas & McFarlane 2013, p. 222; Merrill & Smith 2001b, p. 787.
Ellickson 2011, p. 219. Voor kritiek zie bijvoorbeeld Munzer 2011, p. 272.
149. Zoals ik in paragraaf 3.4.4 al kort besprak, heeft in de (Anglo-) Amerikaanse literatuur een hevig debat gewoed over de opbouw van goederenrechtelijke rechten. Hieronder geef ik de ontwikkeling van dat debat weer, waarbij ik voor de overzichtelijkheid de standpunten in drie stromingen heb verdeeld.1 In de eerste stroming heb ik Hohfeld en zijn aanhangers geplaatst. Hohfeld verzette zich tegen het idee dat een goederenrechtelijk recht een recht ‘op’ een rechtsobject is. In plaats daarvan stelde hij dat goederenrechtelijke rechten bestaan uit (bundels van) juridische posities. Deze opvatting, die door zijn aanhangers is omgedoopt tot de ‘bundle of rights’-opvatting, is decennialang dominant geweest in de (Anglo-) Amerikaanse literatuur.2 Uiteindelijk hebben de aanhangers van Hohfeld deze opvatting te ver doorgevoerd om hun eigen beleidsdoelen na te streven (paragraaf 5.2.2). Dat heeft ervoor gezorgd dat het denken over goederenrechtelijke rechten enkele decennia heeft stilgelegen. De tweede stroming die ik bespreek, bestaat vooral uit rechtsfilosofische schrijvers, die hebben gezorgd voor een eerste opleving in het denken over goederenrechtelijke rechten. Zij merkten op dat het omschrijven van goederenrechtelijke rechten aan de hand van de juridische posities van Hohfeld gebeurt met verwijzing naar een rechtsobject (paragraaf 5.2.3). Daardoor is het niet alleen mogelijk, maar zelfs noodzakelijk om óók het rechtsobject een plaats te geven bij het beschrijven van de opbouw van goederenrechtelijke rechten. Deze opvatting wordt breed geaccepteerd.3 De derde stroming bestaat uit de hedendaagse generatie (rechts)economen. Zij accepteren de opvattingen van de tweede stroming en gaan zelfs een stap verder. Volgens hen heeft het feit dat een goederenrechtelijk recht betrekking heeft op een rechtsobject direct gevolgen voor de juridische posities waaruit een goederenrechtelijk recht is opgebouwd (paragraaf 5.2.4). Deze ‘right to a thing’-opvatting is meer omstreden, maar momenteel wel de heersende leer.4