HR, 19-04-2013, nr. 12/03270
ECLI:NL:HR:2013:BZ1472
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-04-2013
- Zaaknummer
12/03270
- Conclusie
Mr. P. Vlas
- LJN
BZ1472
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2013:BZ1472, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑04‑2013; (Cassatie)
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2568, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2013:BZ1472
ECLI:NL:PHR:2013:BZ1472, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑02‑2013
Rechtbankuitspraak waarvan sprongcassatie: ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2568
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2013:BZ1472
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑04‑2013
19 april 2013
Eerste Kamer
12/03270
TT/MD
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. M. van Olffen,
t e g e n
STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
zetelende te 's-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. M.M. van Asperen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [verzoeker] en de Staat.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak 403091/HA RK 11-546 van de rechtbank 's-Gravenhage van 5 april 2012.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en C.E. Drion, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.A. Loth op 19 april 2013.
Conclusie 08‑02‑2013
Mr. P. Vlas
Partij(en)
Zaak 12/03270
Mr. P. Vlas
Zitting, 8 februari 2013
Conclusie inzake:
[Verzoeker]
tegen
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Immigratie- en Naturalisatiedienst) (hierna: de Staat)
1.
Deze zaak betreft een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). In cassatie is de vraag aan de orde of art. V lid 2 Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RRWN) en art. 7 aanhef en onder 5 Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap (hierna: WNI) van toepassing zijn. De zaak leent zich voor toepassing van art. 81 lid 1 RO, zodat met een verkorte conclusie wordt volstaan.
2.
[Verzoeker] is op [geboortedatum] 1950 in [geboorteplaats] geboren als zoon van de echtgenoten [de moeder] en [de vader]. Hij verkreeg bij zijn geboorte de Nederlandse nationaliteit. In 1953 is [verzoeker] uitgeschreven uit de Nederlandse bevolkingsadministratie wegens emigratie met zijn ouders naar de Verenigde Staten (hierna: VS). De ouders van [verzoeker] hebben op 12 januari 1959 door naturalisatie het Amerikaans staatsburgerschap verkregen.
3.
[Verzoeker] heeft de Rechtbank 's-Gravenhage verzocht vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij zijn ouders weliswaar is gevolgd in de verkrijging van het Amerikaanse staatsburgerschap, maar dat niet is gebleken dat zijn ouders met het verkrijgen van die nationaliteit ook vrijwillig afstand hebben gedaan van de Nederlandse nationaliteit. [Verzoeker] meent op grond van art. V lid 2 RRWN het Nederlanderschap te hebben behouden. Hij stelt zich na 1 januari 1990 diverse malen tot het Nederlandse consulaat in de VS te hebben gewend in verband met bezoeken aan Nederland, zodat hij geacht moet worden het Nederlanderschap te hebben behouden.
4.
De IND heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit aangezien art. V lid 2 RRWN niet op hem van toepassing is. De officier van justitie heeft zich bij dit standpunt aangesloten.
5.
Bij beschikking van 5 april 2012 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft geoordeeld dat [verzoeker] bij zijn geboorte op grond van art. 1 aanhef en onder a WNI de Nederlandse nationaliteit verkreeg, aangezien zijn vader op dat moment in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit (rov. 4.1). Op grond van art. 7 aanhef en onder 1 WNI verloren de ouders van [verzoeker] op 12 januari 1959 het Nederlanderschap door hun naturalisatie tot Amerikaans staatsburger. Op dat moment was [verzoeker] minderjarig zodat ook hij op grond van genoemd artikel het Nederlanderschap verloor (rov. 4.2). De rechtbank heeft geoordeeld dat art. V lid 1 RRWN niet op [verzoeker] van toepassing is, omdat hij zijn Nederlanderschap niet heeft verloren op grond van het bepaalde in art. 15 aanhef en onder c RWN (rov. 4.3) en derhalve het afleggen van een optie als bedoeld in art. V lid 1 RRWN niet mogelijk is (rov. 4.4).
6.
[Verzoeker] heeft tegen deze beschikking tijdig cassatieberoep ingesteld, waarna de Staat verweer heeft gevoerd. In tegenstelling tot de Staat heeft [verzoeker] geen procesdossier overgelegd.
7.
Het middel is gericht tegen rov. 4.3 waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat art. V lid 2 RRWN niet op [verzoeker] van toepassing is. Onder 3.2 klaagt het middel dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak geen overweging heeft gewijd aan de omstandigheid dat de ouders van [verzoeker] 'met het verkrijgen van de Amerikaanse nationaliteit [waarschijnlijk bedoelt het middel hier: niet; A-G] ook vrijwillig afstand hebben gedaan' van het Nederlanderschap. Volgens het middel mocht [verzoeker] erop vertrouwen dat hij op grond van art. V lid 2 RRWN het Nederlanderschap niet heeft verloren.
8.
Deze klacht faalt, omdat het miskent dat de ouders van [verzoeker] op grond van art. 7 WNI door hun naturalisatie tot Amerikaans staatsburger automatisch het Nederlanderschap verloren en het derhalve niet relevant was of dat verlies vrijwillig was. Nu [verzoeker] in 1959 als minderjarige op grond van art. 7 aanhef en onder 1 WNI de Nederlandse nationaliteit heeft verloren, kon hij de Nederlandse nationaliteit niet meer verliezen op grond van art. 15 aanhef en onder c van de RWN dat pas op 1 januari 1985 in werking trad en komt hem geen beroep toe op art. V lid 2 RRWN.
9.
Het volgende ongenummerde onderdeel van het middel bevat geen klacht. Niet ter discussie staat dat [verzoeker] bij zijn geboorte het Nederlanderschap verkreeg.
10.
In het middel wordt onder 3.4 een beroep gedaan op art. 7 aanhef en onder 5 WNI betreffende Nederlanders die buiten het Koninkrijk en de Republiek Indonesië waren geboren en meer dan tien jaar buiten Nederland woonden. Zij verloren het Nederlanderschap tenzij zij binnen die tien jaar te kennen gaven Nederlander te willen blijven. Voor een minderjarige begint die termijn te lopen op het moment dat hij meerderjarig wordt. De klacht faalt, nu in cassatie onbestreden vaststaat dat [verzoeker] in Nederland is geboren en derhalve dit artikel op hem niet van toepassing is. De klacht onder 3.5 bouwt op de voorgaande klachten voort en moet het lot daarvan delen.
11.
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G