Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/1.2.1
1.2.1 De geboorte van het beginsel van nationale behandeling in het internationale auteursrecht
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS464025:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Ladas 1938, p. 25. Het probleem was des te nijpender binnen één taalgebied. Zo ondervond Frankrijk veel hinder van nadruk in België, het Verenigd Koninkrijk van nadruk in de Verenigde Staten en Ierland, en Duitse staten van nadruk in Oostenrijk, zie Briggs 1906, p. 39.
Darras 1887, p. 143, noot 1; Briggs 1906, p. 40.
In totaal kan men in de ontwikkelingsgang van het beginsel van nationale behandeling vier stadia onderscheiden. Dit komt verder in de loop van deze studie aan de orde.
Pas later, en dan nog zeer zelden, werd die beperking onvoorwaardelijk losgelaten; zie het Franse Decreet van 1852 (zie alinea 84 hierna). De bereidheid om vreemde werken of vreemde auteurs bescherming te verlenen, was in eerste instantie derhalve hoofdzakelijk geworteld in eigenbelang, vgl. Boucher 1932, p. 38: 'elle leur est accordée surtout comme monnaie d'échange et pour pouvoir demander aux Etats étrangers tut traitement réciproque en faveur de nos auteurs frangais.'
Recueil des conventions (propriété littéraire) 1904, p. 189; Ladas 1938, p. 22.
Romberg 1859, Tome II, p. 139. In Recueil des conventions (propriété littéraire) 1904, p. 189 wordt de volgende `traduction exacte' gegeven: '(...) de rendre, par loi expresse, la défense contenue dans l'ordonnance du 7 janvier 1741 contre la contrefacon d'oeuvres littéraires, mais qui a principalement égard aux écrits dont une personne du Royaume de Danemark a le droit d'éditeur, applicable aux écrits des sujets d'États étrangers oft le droit d'éditeur des sujets du Roi est réciproquement protégé.' Darras 1887, p. 191 vraagt zich af of de ordonnantie niet eerder een stap achteruit is, omdat de auteurswet van 1741 geen onderscheid maakte tussen Deense en vreemde auteurs. In de praktijk lag dat kennelijk toch minder eenduidig (Recueil des conventions (propriété littéraire) 1904, p. 189). Waarschijnlijk heeft men in 1741 alleen aan de nationale situatie gedacht zonder stil te staan bij de internationale aspecten — die problematiek speelde in de achttiende eeuw immers nog nauwelijks — en is men naderhand toch een onderscheid gaan inlezen.
Renault 1878, p. 8; Villefort 1851, p. 18 en p. 53 (die vermeldt dat de Pruisische wet werd nagevolgd door onder meer Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk). Deze wet is onder leiding van Von Savigny tot stand gekomen (zie noot 237 van hoofdstuk 5).
Veegens 1895, p. 175-176. Bureau de l'Union, DdA 1891, p. 2: 'La petite nation de quelques millions d'habitants est riche; elle a besoin d'une quantité rélativement grande de littérature; celle qu'elle produit elle-même ne lui suffat naturellement pas; aussi a-t-elle l'habitude de s'approprier sans restrictions les trésors littéraires de l'Angleterre, de la France et surtout de l'Allemagne, avec laquelle elle a des affmités de race. L'idée qu'il serait possible de s'imposer des restrictions dans l'usage de cette liberté paraft encore inconcevable en Hollande.' Zie ook Kok 1905, p. 36 e.v.
Villefort 1851, p. 53.
Kennelijk werd de bepaling in de praktijk zo verstaan dat wat betreft de 'Voraussetzungen des Rechtsschutzes' gelijksoortigheid werd geëist (Klostermann 1867, p. 84; Recueil des conventions (propriété littéraire) 1904, p. XIX signaleert ook reciprociteit 'sous la forme difficile á réaliser de l'équivalence matérielle des lois des pays respectifs.'). Door die eis werd de reciprociteitsvoorwaarde in de praktijk vrijwel nooit vervuld, en daarom had de Pruisische bepaling 'kaum irgend eine practische Bedeutung.', aldus Klostermann 1867, p. 84.
Villefort 1851, p. 54-55.
Renault 1878, p. 8; Renault 1889, p. 206-207.
Voor de goede orde zij hier reeds opgemerkt dat dit niet betekent dat het beginsel van nationale behandeling onverkort gold; er werden belangrijke uitzonderingen gemaakt; dit komt in hoofdstuk 2 nader aan de orde.
Laboulaye 1855, p. 287; Eisenlohr 1856, p. 1; Darras 1887, p. 193.
Klostermann 1867, p. 51; Ladas 1938, p. 20.
Eerder nog was het Franse Decreet van 19 juni 1811, waarin een regeling werd getroffen tussen Frankrijk en bezet Italië. Art. 2 van dit Decreet luidde als volgt: 'Les auteurs frangais et italiens, ainsi que les héritiers des mis et des autres, jouiront réciproquement comme ils étaient nationaux, dans toute l'étendue de notre empire et du royaume d'Italie, des droits d'auteurs assurés par l'article 39 de notre décret du 5 février 1810.' Zie Darras 1887, p. 190. Van een werkelijk internationale regeling kan men evenwel niet spreken.
Recueil Martens 1829, p. 327-329 (nr. 66).
Over de voortrekkersrol van Frankrijk zie onder meer Kok 1905, p. 27. Ook het Verenigd Koninkrijk bevond zich in de kopgroep, zie Ricketson & Ginsburg 2006, p. 23.
Ladas 1938, p. 27 e.v.
Renault 1878, p. 12 e.v.; Darras 1887, p. 221-302 (p. 250 e.v.); Röthlisberger 1906, p. 36-37; De Beaufort 1909, p. 54; Ladas 1938, p. 27-29 en p. 46; R. Plaisant 1945, p. 151. In de praktijk werd het Decreet overigens minder ruimhartig uitgelegd (dit komt aan de orde in alinea 143 hierna).
'Quand nous aurons commencé par déclarer que la contrefagon chez nous est tin délit puni par les lois, je crois que nous obtiendrons beaucoup plus facilement des gouvernements qu'ils l'abolissent chez eux.', aldus Barthélemy Saint-Hilaire in het Franse parlement anno 1851, zie Renault 1878, p. 11; Renault 1889, p. 207. Vgl. ook Boucher 1932, p. 32. Ricketson & Ginsburg 2006, p. 23 beschrijven de Franse opstelling als 'one of `pragmatic altruism', that is, using its generosity towards foreigners as a means of `shaming' countries to which those persons belonged into taking action.'
Ricketson & Ginsburg 2006, p. 23.
Het Franse Decreet was een belangrijke impuls voor het verdragsrecht (vgl. Ladas 1938, p. 27), maar kreeg weinig navolging in de nationale wetgeving van andere landen. België bekeerde zich in 1886 tot een eenzijdig en onvoorwaardelijk beginsel van nationale behandeling (art. 38 van de Belgische auteurswet 1886, vgl. Wauwermans 1894, p. 390) en in 1898 volgde ook Luxemburg (art. 39 van de Luxemburgse auteurswet van 10 mei 1898, vgl. Recueil des conventions (propriété litteraire) 1904, p. 369). Vgl. ook Weiss 1908, p. 275, noot 2. België voerde bij wet van 5 maart 1921 niettemin een materiële-reciprociteitsuitzondering in: 'En outre, s'il est constaté que les auteurs belges ne jouissent dans un pays étranger que d'une protection moins étendue, les ressortissants de ce pays ne pourront bénéficier que dans la même mesure des dispositions de la presente loi pour leurs oeuvres publiées á l'étranger.' Zie Bureau de l'Union, DdA 1921 (Belgique), p.13-15 en p. 97-98; en art. 79 van de huidige Belgische auteurswet van 30 juni 1994.
Zie bijvoorbeeld alinea 123 hierna. Ook in onze tijd worden internationale regelingen inzake de intellectuele eigendom nog gekoppeld aan handelsverdragen; men denke met name aan de TRIPs-Overeenkomst, een intellectuele-eigendomsrechtelijke regeling die totstandgekomen is in het kader van de Wereldhandelsorganisatie WTO (zie alinea 14 hiervoor). De TRIPs-Overeenkomst is in dat opzicht dus niet nieuw, zoals soms ten onrechte wordt gesteld (zie bijvoorbeeld Ricketson 1995, p. 872 e.v.).
Zie onder meer De Beaufort 1909, p. 65 e.v. Vóór de inwerkingtreding van de Berner Conventie voor Nederland per 1 november 1912, had Nederland een drietal bilaterale verdragen op het gebied van het auteursrecht gesloten, namelijk met Frankrijk, België en Spanje. Met Frankrijk werd in een handels- en scheepvaartverdrag van 25 juli 1840 overeengekomen dat in een afzonderlijk verdrag een regeling inzake de letterkundige eigendom zou worden getroffen (Stb. 1841, 23; art. 14). Jaren later, op 27 mei 1852, werd inderdaad zo'n verdrag ondertekend; het werd echter door de Tweede Kamer verworpen; tekst in: Recueil Lagemans, Tome W, 1859, p. 52-54 (nr. 285). Uiteindelijk werd op 29 maart 1855 een verdrag met Frankrijk ondertekend (Stb. 1855, 107, zie ook Stb. 1860, 19). Zijn lot was krachtens art. 11 verbonden met het lot van het handelsverdrag van 1840. Zo kon het gebeuren dat het in 1882 buiten werking werd gesteld toen de onderhandelingen over de economische betrekkingen tussen Nederland en Frankrijk mislukten (JDI 1884, p. 325; PouilletfMaillard & Claro 1908, p. 955; Lyon-Caen & Delalain 1889, Tome H, p. 331 en p. 336). Bij verklaring van 19 april 1884, uitgewisseld in het kader van een handelsverdrag van dezelfde datum, werd het verdrag, in afwachting van een definitieve regeling en met enige uitbreidingen, weer in werking gesteld (Stb. 1885, 176). Het verdrag is heden niet meer van kracht (Stuyt 1953, p. 39). Met België werd op 30 augustus 1858 een 'Overeenkomst tot waarborg van den eigendom van wetenschappelijke en letterkundige werken' gesloten (Stb. 1859, 11 en 14). Nederland had daar belang bij, ter bescherming van zijn eigen auteurs en werken in het Nederlandstalige deel van België; men denke aan de eerder geciteerde opmerking van Veegens (zie alinea 80 hiervoor). Ook dit verdrag is niet meer van kracht (Stuyt 1953, p. 40). Ten slotte werd met Spanje op 31 december 1862 eveneens een verdrag 'tot wering van den nadruk van wetenschappelijke en letterkundige werken' gesloten (Stb. 1863, 115). Reeds in 1880 werd het opgezegd en op 4 oktober 1882 definitief buiten werking gesteld (De Beaufort 1909, p. 66; Recueil des conventions (propriété litteraire) 1904, p. 213). Met Duitsland is onderhandeld over een verdrag. Na lang aandringen door de Duitse regering en 'slepend gehouden onderhandelingen', werd op 13 mei 1884 met Duitsland een verdrag gesloten (tekst in: Recueil Lagemans, Tome IX, 1886, p. 81-88 (nr. 686)). Het voorzag in een royalere bescherming dan de eerdere bilaterale verdragen die Nederland had gesloten. Dit stuitte op verzet in Nederland (Veegens 1895, p. 184-186). Die ruimhartiger bescherming zou bovendien doorwerken in de betrekkingen met België door de meestbegunstigingsclausule in art. 12 lid 5 van het Nederlands-Belgische verdrag 1858. Het verdrag werd uiteindelijk, zonder debat of stemming, niet door Nederland geratificeerd (Bureau de l'Union, DdA 1891, p. 2; Veegens 1895, p. 186; Kok 1905, p. 28; De Beaufort 1909, p. 66), terwijl Duitsland het al op 19 juni 1884 had geratificeerd. Naast dergelijke bilaterale verdragen treft men hier en daar in handels-, scheepvaart- en vriendschapsverdragen een enkele bepaling over auteursrecht aan. Verder is er nog de Proclamatie van 20 november 1899 van de president van de Verenigde Staten. Ingevolge deze eenzijdige proclamatie genoten Nederlandse auteurs onder bepaalde voorwaarden in de Verenigde Staten auteursrechtelijke bescherming (tekst in: Recueil Lagemans, Tome XIV, 1901, p. 141 (nr. 903); zie ook de Proclamaties van 9 april 1910 en 26 februari 1923 (CB 1949, p. 140, Tableau critique des traités), alsmede de notawisseling van 3 april 1923 tussen Nederland en de Verenigde Staten over auteursrechten op muziekwerken (SDN 1921, p. 176 e.v.)).
75. Rechteloosheid als probleem. De situatie dat het vreemde werk of de vreemde auteur in een toestand van volledige rechteloosheid verkeerde, begon in de eerste helft van de negentiende eeuw te knellen, met name in de landen met een relevante productie op het gebied van literatuur en kunst. Men moest machteloos toezien hoe werken en auteurs van eigen bodem voorbij de landsgrenzen vogelvrij waren en naar hartelust werden nagedrukt. Die goedkope nadruk bedierf niet alleen de buitenlandse markt, maar dikwijls ook de eigen binnenlandse markt doordat de nadruk (illegaal) werd geïmporteerd.1 Begrijpelijkerwijs werd het probleem nijpender naarmate het internationale verkeer in de negentiende eeuw exponentieel toenam, zowel in snelheid als in omvang. Darras vermeldt bijvoorbeeld hoe in de tweede helft van de negentiende eeuw Amerikaanse uitgevers een net in Engeland verschenen boek in 24 uur naar Amerika lieten telegraferen, om het vervolgens binnen twaalf uur na binnenkomst van de laatste woorden na te drukken en ten verkoop aan te bieden.2 Zo werd in de loop van de negentiende eeuw de toestand van rechteloosheid steeds meer als problematisch ervaren. Allengs brak het inzicht door dat een doeltreffende auteursrechtelijke bescherming ook in internationaal opzicht regeling behoeft. De toestand van volledige rechteloosheid werd steeds minder geduld. Steeds vaker sprak men over 'piraterij', en de druk om een einde te maken aan die toestand nam gaandeweg de negentiende eeuw toe.
76. Nationale behandeling als oplossing. Hoe werd nu de toestand van rechteloosheid opgeheven? De oplossing werd gevonden in het beginsel van nationale behandeling (`traitement national'): het rechteloze vreemde werk of de rechteloze vreemde auteur werd, kort gezegd, onder de vleugels van de lokale wet genomen. Deze oplossing kwam in een aantal stadia tot volle wasdom.3
77. Ontwikkelingsstadium 1: eenzijdige regelingen. In het begin — het eerste stadium — werd deze oplossing eenzijdig, in de nationale wet, uitgewerkt. Men verklaarde zich bereid om, onder de voorwaarde van reciprociteit (wederkerigheid), de beperking tot nationale werken of auteurs te laten varen.4 Grofweg: onze nationale wet is van toepassing op in het buitenland gepubliceerde werken, mits in het desbetreffende buitenland de nationale wet ook van toepassing is op in ons land gepubliceerde werken. Zo ontstond het beginsel van nationale behandeling als diapositief van de gebruikelijke beperking tot nationale werken of auteurs. Dergelijke op reciprociteit gestoelde bepalingen, waarbij dus sprake was van een voorwaardelijk beginsel van nationale behandeling, kwamen in veel negentiende-eeuwse auteurswetten voor.
78. Voorbeeld: Denemarken 1828. Het eerste zodanige beginsel van nationale behandeling treffen wij aan in de Deense ordonnantie van 7 mei 1828, die daarom wordt gezien als een mijlpaal in het internationale auteursrecht.5 Door deze ordonnantie werd de Deense auteurswet van 1741 van toepassing verklaard op werken van vreemde auteurs, op voorwaarde dat in hun land de werken van Deense auteurs werden beschermd:
"(...) que la défense contenue dans l'ordonnance du 7 janvier 1741 contre la contrefacon, mais qui a spécialement égard aux écrits dont une personne du royaume de Danemark serait éditeur, ffit aussi rendue applicable aux écrits des États étrangers oit le droit d'éditeur des sujets du Roi ffit réciproquement protégé." 6
79. Voorbeeld: Pruisen 1837. Een ander belangrijk voorbeeld is de regeling in de Pruisische auteurswet van 11 juni 1837. Dit was een internationaal toonaangevende regeling, die zelfs in Frankrijk model heeft gestaan.7Artikel 38 van deze wet bepaalde:
"Auf die in einem fremden Staate erschienenen Werke soll dieses Gesetz in dem Maaβe Anwendung finden, als die in demselben festgestellten Rechte den in Unseren Landen erschienenen Werken durch die Gesetze dieses Staates ebenfalls gewährt werden." 8
80. Eenzijdige benadering voldoet niet. Toch bleek de eenzijdige benadering al spoedig niet te voldoen. In de eerste plaats kunnen eenzijdige regelingen niet zeker stellen dat de eigen werken of auteurs in den vreemde worden beschermd. Hiervoor bleef men immers afhankelijk van de buitenlandse autoriteiten. En koppige piratenlanden, die zelf doorgaans weinig literatuur en kunst produceerden, hadden de balans al snel opgemaakt. Illustratief is de calculatie van Veegens (nota bene in 1895, toen Nederland al tot auteursrechtelijke paria was verklaard):
"Een wederkeerig verbod van nadruk van in het andere land verschenen werken levert voor een klein volk, dat eene weinig verspreide taal spreekt en vreemde talen vlijtig beoefent, in stoffelijken zin meer nadeel dan voordeel op. Werken, in de nederlandsche taal geschreven, loopen toch geen gevaar voor nadruk in het buitenland, behalve ter verspreiding onder de vlaamsche bevolking van België. Daarentegen worden vreemde boeken in Nederland veel gelezen en kan het nadrukken daarvan, vooral zoo de prijs hoog gesteld is, een voordeelig bedrijf zijn." 9
81. Reciprociteit. In de tweede plaats bleken de reciprociteitsvoorwaarden in de praktijk moeilijk te hanteren en lag misbruik op de loer. Reciprociteit is, zo merkte Villefort op, "au point de vue de la législation internationale privée, un principe beaucoup plus fécond en apparence qu'en réalité. Rien n'est plus facile que de l'écrire dans la loi, mais les difficultés deviennent le plus souvent insurmontables (...)"10 Dat gold met name voor reciprociteitsvoorwaarden, zoals de Pruisische, waarbij het er niet alleen om ging Of in het andere verdragsland werd beschermd, maar waarbij ook moest worden nagegaan welke bescherming daar werd verleend — dat zorgde voor ernstige complicaties. Zo werd de reciprociteitsvoorwaarde in de Pruisische bepaling in de praktijk bijvoorbeeld vrijwel nooit vervuld.11 Volgens Villefort waren dergelijke reciprociteitsvoorwaarden onwerkbaar en moest men omzien naar een andere benadering:
"(...) si la réciprocité légale entre les Etats a toujours été difficile à établir, elle devait l'être surtout dans une matière aussi délicate, aussi pleine de nuances que la propriété littéraire. Un seul example pris entre mille nous suffira pour rendre claire notre démonstration. (...) 11 n'y a donc qu'un moyen pour les nations de garantir avec quelque efficacité la propriété de leurs auteurs, les unes vis-à-vis des autres, c'est de conclure entre elles des conventions diplomatiques; (...)." 12
82. Ontwikkelingsstadium 2: bilaterale verdragen. Reeds in 1837 concludeerde een Franse onderzoekscommissie dat de nadruk van Franse werken in het buitenland eigenlijk alleen kon worden bestreden door middel van verdragen.13 Regeling bij verdrag was een veiliger alternatief; men kon daardoor grip krijgen op de situatie in den vreemde. En men kon andere landen eventueel over de streep trekken door auteursrechtelijke bescherming uit te ruilen tegen (andere) concessies op handelsgebied. Die weg sloeg men dan ook in. Vanaf 1840 werden steeds meer bilaterale verdragen gesloten, vaak `conventions pour la garantie réciproque de la propriété des oeuvres d'esprit et d'art' genaamd. Vrijwel al deze verdragen waren gebaseerd op het beginsel van nationale behandeling: de verdragsluitende staten kwamen overeen de beperking tot nationale werken of auteurs ten opzichte van elkaars werken of auteurs op te heffen. Door nationale behandeling te regelen bij verdrag viel de bestaansreden voor de reciprociteitsvoorwaarde weg. Nu werd immers onderling afgesproken om tot nationale behandeling van elkaars werken of auteurs over te gaan (`garantie réciproque de la propriété littéraire et artistique'), en was een voorwaardelijk 'aanbod' niet meer nodig. Dit was het logische, tweede stadium in de ontwikkeling van het beginsel van nationale behandeling: het werd getild naar een verdragsrechtelijk niveau, en het werd daardoor onvoorwaardelijk.14
83. De eerste schreden op dit pad werden al vóór 1840 gezet binnen de Duitse Bond. Ingevolge artikel 18 onder d van de Duitse Bondsakte van 8 juni 1815 moesten in Bondsverband maatregelen worden getroffen om auteurs en uitgevers te beschermen tegen nadruk.15 Deze maatregelen lieten echter op zich wachten en daarom begon Pruisen vanaf 1827 zelfstandig regelingen te treffen met 32 andere Duitse staten.16 Hier zien wij het beginsel van nationale behandeling voor het eerst in internationale regelingen verschijnen.17 Zo werd in de regeling tussen Pruisen en Schwartzburg-Sondershausen van 6 oktober 1827 bepaald:
"(...) daß das Verbot wider den Bücher-Nachdruck, so wie solches bereits im ganzen Umfange der Preußischen Monarchie zum Schutz der inländischen Schriftsteller und Verleger, nach den in den einzelnen Provinzen geltenden Gesetzen besteht, auch auf die Schriftsteller und Verleger der Fürstlich-Schwartzburg-Sondershausenschen Lande Anwendung finden, und mithin jeder durch Nachdruck oder dessen Verbreitung begangne Frevel gegen leztern, nach denselben gesetzlichen Vorschriften beurteilt und geahndet werden soll, als handle es sich von beeinträchtigten Schriftstellern und Verlegern der Preußischen Monarchie selbst." 18
84. Speelde zich dit nog af binnen het kader van de Duitse Bond, vanaf 1840 werden werkelijk internationale verdragen tussen soevereine staten gesloten. Frankrijk, met zijn grote productie op het gebied van literatuur en kunst, liep daarbij voorop.19 Andere landen bleken echter niet altijd even welwillend te zijn, zodat de Franse pogingen om verdragen te sluiten aanvankelijk niet het gewenste succes hadden.20 Frankrijk nam vervolgens een maatregel die alom respect afdwong: bij Decreet van 28 maart 1852 hief het, zonder daar reciprociteitsvoorwaarden aan te verbinden, elke beperking tot nationale werken of auteurs op. Voortaan beschermde de Franse wet ook vreemde werken en auteurs.21 Aldus proclameerde Frankrijk eenzijdig én — en dat was nieuw — onvoorwaardelijk het beginsel van nationale behandeling. Zo besloot Frankrijk het goede voorbeeld te geven in de hoop op meer medewerking van andere landen.22
85. Inderdaad sloeg de stemming in de tweede helft van de negentiende eeuw om, en begon men serieuzer werk te maken van de bestrijding van internationale nadruk.23 Het Franse Decreet bleek een grote impuls voor het internationale auteursrecht: een stroom van internationale regelingen kwam in Europa op gang.24 Kern van nagenoeg al deze regelingen was het beginsel van nationale behandeling; van inhoudelijke uniformering van het auteursrecht was doorgaans weinig of geen sprake. Soms waren het zelfstandige auteursrechtverdragen, soms regelingen die waren opgenomen bij andere verdragen, zoals handels- en vriendschapsverdragen; zo werd auteursrechtelijke bescherming uitgeruild tegen andere concessies.25 Ook Nederland sloot, zij het schoorvoetend, enkele bilaterale verdragen.26
86. Leidend beginsel. Zo groeide het beginsel van nationale behandeling uit tot het leidende beginsel in het internationale auteursrecht. Het was opgenomen in vele nationale auteurswetten en het beheerste vrijwel alle bilaterale verdragen.