Procestaal: Tsjechisch.
HvJ EU, 22-09-2016, nr. C-525/14
ECLI:EU:C:2016:714
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
22-09-2016
- Magistraten
M. Ilešič, C. Toader, A. Rosas, A. Prechal, E. Jarašiūnas
- Zaaknummer
C-525/14
- Conclusie
M. Campos Sánchez-Bordona
- Roepnaam
Commissie/Tsjechische Republiek
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2016:714, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 22‑09‑2016
ECLI:EU:C:2016:321, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑05‑2016
Uitspraak 22‑09‑2016
M. Ilešič, C. Toader, A. Rosas, A. Prechal, E. Jarašiūnas
Partij(en)
In zaak C-525/14,*
betreffende een beroep wegens niet-nakoming krachtens artikel 258 VWEU, ingesteld op 20 november 2014,
Europese Commissie, vertegenwoordigd door P. Němečková, E. Manhaeve en G. Wilms als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg,
verzoekster,
tegen
Tsjechische Republiek, vertegenwoordigd door M. Smolek, T. Müller, J. Vláčil en J. Očková als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door:
Franse Republiek, vertegenwoordigd door D. Colas en R. Coesme als gemachtigden,
interveniënte,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: M. Ilešič, kamerpresident, C. Toader, A. Rosas, A. Prechal en E. Jarašiūnas (rapporteur), rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: M. Aleksejev, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 17 februari 2016,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 mei 2016,
het navolgende
Arrest
1
De Europese Commissie verzoekt het Hof vast te stellen dat de Tsjechische Republiek, door te weigeren bepaalde Nederlandse stempelmerken te erkennen, inzonderheid de stempelmerken van de waarborginstelling WaarborgHolland (hierna: ‘stempelmerken van WaarborgHolland’), de krachtens artikel 34 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen.
Precontentieuze procedure en procedure bij het Hof
2
De Commissie was van oordeel dat de praktijk van de Puncovní úřad (waarborginstelling, Tsjechië; hierna: ‘Tsjechische waarborginstelling’) om de erkenning te weigeren van de stempelmerken van WaarborgHolland, een onafhankelijke waarborginstelling gevestigd in Nederland met filialen in derde staten, en dientengevolge te eisen dat de betrokken edelmetalen werken worden afgeslagen met een aanvullend Tsjechisch stempelmerk, in strijd was met artikel 34 VWEU, en heeft de Tsjechische Republiek bij brief van 30 september 2011 aangemaand haar opmerkingen kenbaar te maken.
3
In haar antwoord van 30 november 2011 heeft de Tsjechische Republiek niet betwist dat zij deze stempelmerken niet erkent. Deze lidstaat heeft in wezen gesteld dat deze zaak de vrijheid van dienstverrichting en niet het vrije verkeer van goederen betreft, en dat de weigering om de stempelmerken te erkennen gerechtvaardigd was doordat het niet mogelijk was de stempelmerken die buiten het grondgebied van de Europese Unie waren aangebracht, te onderscheiden van de stempelmerken die op het grondgebied van de Unie waren aangebracht.
4
Na de door de Tsjechische Republiek in die brief aangevoerde argumenten te hebben onderzocht, heeft de Commissie de Tsjechische Republiek op 30 mei 2013 een met redenen omkleed advies gestuurd, waarin zij onder meer aanvoert dat de bepalingen van het VWEU over het vrije verkeer van goederen van toepassing zijn op de goederen die zich in de Unie in het vrije verkeer bevinden, en dus ook op goederen die afkomstig zijn uit derde staten en regelmatig in een lidstaat zijn ingevoerd overeenkomstig de vereisten van artikel 29 VWEU. De Commissie heeft de Tsjechische Republiek verzocht om de nodige maatregelen te nemen om haar handelen binnen een termijn van twee maanden vanaf de ontvangst van dat advies in overeenstemming te brengen met artikel 34 VWEU.
5
In haar antwoord van 23 juli 2013 heeft de Tsjechische Republiek haar standpunt gehandhaafd en met name benadrukt dat de weigering de stempelmerken van WaarborgHolland te erkennen werd gerechtvaardigd door de noodzaak de consument te beschermen. Aangezien de Commissie dit antwoord niet bevredigend achtte, heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.
6
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 26 februari 2015, heeft de Franse Republiek verzocht te worden toegelaten tot interventie aan de zijde van de Tsjechische Republiek. Bij beschikking van 24 maart 2015 heeft de president van het Hof dat verzoek ingewilligd.
Verzoek tot heropening van de mondelinge behandeling
7
Nadat de advocaat-generaal conclusie had genomen, heeft de Tsjechische Republiek het Hof bij op 18 mei 2016 ter griffie van het Hof neergelegde akte verzocht om heropening van de mondelinge behandeling, in wezen op grond dat een ‘substantieel deel [van deze conclusie] gegrond is op meerdere onjuiste hypotheses’.
8
In herinnering zij gebracht, enerzijds, dat het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering van het Hof niet in de mogelijkheid voorzien voor partijen om opmerkingen in te dienen in antwoord op de conclusie van de advocaat-generaal (arresten van 17 juli 2014, Commissie/Portugal, C-335/12, EU:C:2014:2084, punt 45, en 4 mei 2016, Commissie/Oostenrijk, C-346/14, EU:C:2016:322, punt 23).
9
Anderzijds volgt uit artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering dat het Hof in elke stand van het geding, de advocaat-generaal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling kan gelasten, onder meer wanneer het zich onvoldoende voorgelicht acht of wanneer een partij na afsluiting van deze behandeling een nieuw feit aanbrengt dat van beslissende invloed kan zijn voor de beslissing van het Hof, of wanneer een zaak moet worden beslecht op grond van een argument waarover de partijen hun standpunten niet voldoende hebben kunnen uitwisselen.
10
In casu is het Hof, de advocaat-generaal gehoord, van oordeel dat het over alle gegevens beschikt die noodzakelijk zijn om uitspraak te doen op het onderhavige beroep en dat dit niet behoeft te worden onderzocht in het licht van een nieuw feit dat van beslissende invloed kan zijn voor zijn uitspraak of van een argument waarover de partijen voor het Hof niet voldoende hun standpunten hebben uitgewisseld.
11
Dientengevolge hoeft geen heropening van de mondelinge behandeling te worden gelast.
Beroep
Ontvankelijkheid
Argumenten van partijen
12
De Tsjechische Republiek betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover daarin een schending van artikel 34 VWEU wordt gesteld wat betreft ‘bepaalde Nederlandse stempelmerken’. Deze uitdrukking en het woord ‘inzonderheid’ dat de Commissie in haar vordering gebruikt, wijzen erop dat het geding ook betrekking heeft op andere Nederlandse stempelmerken dan die van WaarborgHolland. Tijdens de precontentieuze procedure en in haar verzoekschrift heeft de Commissie de door haar gestelde niet-nakoming enkel proberen aan te tonen voor de stempelmerken van WaarborgHolland. In dat verband is het niet relevant dat het geding in abstracto ziet op de niet-erkenning van edelmetalen werken waarvoor niet kan worden vastgesteld of zij in een derde staat of op het grondgebied van de Unie zijn afgeslagen. Vastgesteld moet dus worden dat het verzoekschrift onduidelijk en dubbelzinnig is en het beroep als gevolg daarvan enkel ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op de stempelmerken van WaarborgHolland.
13
De Commissie betoogt dat haar beroep in zijn geheel ontvankelijk is. In haar aanmaningsbrief heeft zij de Tsjechische Republiek in algemene zin uiteengezet dat zij overeenkomstig artikel 34 VWEU gehouden was de goederen te aanvaarden die zijn gecontroleerd en voorzien van een stempelmerk overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER) en voorts rechtmatig in de handel zijn gebracht in een van de lidstaten van de EER. In het met redenen omklede advies heeft zij bovendien geconcludeerd dat de Tsjechische Republiek de verplichtingen die krachtens artikel 34 VWEU op haar rustten, niet was nagekomen op grond dat zij ‘bepaalde Nederlandse stempelmerken’ niet erkende. Deze bewoordingen heeft zij herhaald in het petitum van het verzoekschrift en zij zijn door de Tsjechische Republiek niet weersproken.
Beoordeling door het Hof
14
Het Hof kan ambtshalve onderzoeken of aan de voorwaarden van artikel 258 VWEU voor het instellen van een beroep wegens niet-nakoming is voldaan (arrest van 14 januari 2010, Commissie/Tsjechië, C-343/08, EU:C:2010:14, punt 25 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Aangezien het beroep niet ziet op een nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling, maar op een praktijk van de Tsjechische waarborginstelling, moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat tegen een administratieve praktijk van een lidstaat een beroep wegens niet-nakoming kan worden ingesteld wanneer het een in zekere mate constante en algemene praktijk betreft (arresten van 29 april 2004, Commissie/Duitsland, C-387/99, EU:C:2004:235, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 5 maart 2009, Commissie/Spanje, C-88/07, EU:C:2009:123, punt 54).
15
In casu betwist de Tsjechische Republiek niet dat de praktijk van de Tsjechische waarborginstelling waarop de Commissie doelt en die zij heeft bewezen door middel van twee mededelingen van de directeur van die instelling in de aan haar verzoekschrift gehechte bijlage, aan die criteria voldoet. Deze lidstaat bestrijdt evenmin dat deze praktijk hem kan worden toegerekend. Hij betwist echter de ontvankelijkheid van het beroep omdat dit onduidelijk en dubbelzinnig is.
16
Ingevolge artikel 120, onder c), van het Reglement voor de procesvoering en de desbetreffende rechtspraak moet ieder inleidend verzoekschrift het voorwerp van het geschil, de aangevoerde middelen en argumenten en een summiere uiteenzetting van die middelen bevatten. Deze uiteenzetting dient zo duidelijk en nauwkeurig te zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Daaruit volgt dat de belangrijkste gegevens, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, coherent en begrijpelijk moeten worden weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf en dat het petitum op ondubbelzinnige wijze moet zijn geformuleerd, teneinde te vermijden dat het Hof ultra petita recht doet of nalaat op een van de grieven recht te doen (arresten van 11 juli 2013, Commissie/Tsjechië, C-545/10, EU:C:2013:509, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 23 februari 2016, Commissie/Hongarije, C-179/14, EU:C:2016:108, punt 141).
17
Bovendien is het vaste rechtspraak dat in het kader van een beroep krachtens artikel 258 VWEU het voorwerp van het geschil wordt bepaald door de door de Commissie aan de lidstaat gezonden aanmaningsbrief en het daaropvolgende door die instelling uitgebrachte met redenen omklede advies, en daarna derhalve niet meer kan worden verruimd. De aan de betrokken lidstaat geboden mogelijkheid om opmerkingen in te dienen vormt immers — ook wanneer die lidstaat meent daarvan geen gebruik te moeten maken — een door het Verdrag gewenste wezenlijke waarborg, en de eerbiediging van die mogelijkheid is een substantieel vormvereiste voor de regelmatigheid van de procedure tot vaststelling dat een lidstaat de op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen. Derhalve moeten het met redenen omklede advies en het beroep van de Commissie op dezelfde grieven berusten als de aanmaningsbrief waarmee de precontentieuze procedure wordt ingeleid (arresten van 29 september 1998, Commissie/Duitsland, C-191/95, EU:C:1998:441, punt 55, en 10 september 2009, Commissie/Portugal, C-457/07, EU:C:2009:531, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
18
Het met redenen omklede advies en het beroep krachtens artikel 258 VWEU moeten de grieven coherent en nauwkeurig uiteenzetten opdat de lidstaat en het Hof de omvang van de verweten schending van het Unierecht precies kunnen begrijpen, hetgeen noodzakelijk is opdat die lidstaat nuttig verweer kan voeren en het Hof het bestaan van de vermeende niet-nakoming kan beoordelen (arresten van 14 oktober 2010, Commissie/Oostenrijk, C-535/07, EU:C:2010:602, punt 42, en 3 maart 2011, Commissie/Ierland, C-50/09, EU:C:2011:109, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
19
In casu voldoet het verzoekschrift niet aan de vereisten van het Reglement voor de procesvoering en van de rechtspraak die in punt 16 van dit arrest zijn genoemd, in zoverre als de Commissie met de bewoordingen ‘bepaalde Nederlandse stempelmerken’ in het petitum van het verzoekschrift ook doelt op andere Nederlandse stempelmerken dan de daarin uitdrukkelijk vermelde, te weten de stempelmerken van WaarborgHolland, aangezien in dit verzoekschrift niet nader wordt aangegeven om welke andere stempelmerken het gaat en het woord ‘bepaalde’ uitsluit dat het om alle Nederlandse stempelmerken gaat.
20
Wat meer is, de aanmaningsbrief had in algemene zin betrekking op de toepassing van artikel 34 VWEU en de rechtspraak in verband daarmee over edelmetalen werken, maar enkel de stempelmerken van WaarborgHolland werden met name genoemd. Het petitum van het verzoekschrift ziet weliswaar, net als het dispositief van het met redenen omklede advies, op ‘bepaalde Nederlandse stempelmerken’, maar de motivering van dat advies had enkel betrekking op de stempelmerken van WaarborgHolland. Derhalve kunnen de vereisten gesteld in de in de punten 17 en 18 van dit arrest genoemde rechtspraak evenmin als vervuld worden beschouwd.
21
Onder deze omstandigheden moet het beroep van de Commissie niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover het ziet op de gestelde weigering andere Nederlandse stempelmerken dan die van WaarborgHolland te erkennen.
Ten gronde
Argumenten van partijen
22
De Commissie betoogt dat het aanbrengen in de Tsjechische Republiek van een aanvullend stempelmerk op bepaalde edelmetalen werken die uit andere lidstaten zijn ingevoerd, hoewel deze edelmetalen werken al zijn afgeslagen overeenkomstig de Nederlandse wet en in de handel gebracht in de Unie, een niet-gerechtvaardigde beperking van het vrije verkeer van goederen oplevert.
23
De Tsjechische Republiek kan niet met recht stellen dat edelmetalen werken afkomstig uit derde staten, om te kunnen profiteren van het beginsel van wederzijdse erkenning, niet alleen in de Unie in het vrije verkeer moeten zijn gebracht, maar vervolgens ook in een lidstaat in de handel moeten zijn gebracht, en wel in de lidstaat overeenkomstig de wetgeving waarvan het stempelmerk is aangebracht, in casu dus het Koninkrijk der Nederlanden. Uit de rechtspraak van het Hof volgt namelijk dat producten afkomstig uit een derde staat die in de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht, recht hebben op dezelfde behandeling als goederen afkomstig uit de Unie. Derhalve is het vrije verkeer van goederen van toepassing op edelmetalen werken die zijn afgeslagen in een derde staat door het filiaal van een waarborginstelling die in een lidstaat is gevestigd, in casu in het Koninkrijk der Nederlanden, en zich in de Unie in het vrije verkeer bevinden.
24
Het in de handel brengen overeenkomstig de geldende wetgeving is een van de vereisten voor het in het vrije verkeer brengen en dus een voorwaarde voor het verkrijgen van de status van Uniegoederen, en niet een aanvullende stap die noodzakelijk is voor de toepasselijkheid van het beginsel van wederzijdse erkenning. Bovendien kan de lidstaat waarin de goederen in het vrije verkeer zijn gebracht, een andere zijn dan de lidstaat waarvan de wetgeving het afslaan van de betrokken metalen werken regeert. Dit standpunt wordt met name bevestigd door verordening (EG) nr. 764/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van procedures voor de toepassing van bepaalde nationale technische voorschriften op goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, en tot intrekking van beschikking nr. 3052/95/EG (PB 2008, L 218, blz. 21) en door verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 339/93 (PB 2008, L 218, blz. 30).
25
Aangezien de edelmetalen werken in het vrije verkeer zijn gebracht, is het feit dat zij buiten het grondgebied van de Unie zijn afgeslagen, niet van belang.
26
Bovendien herinnert de Commissie eraan dat de lidstaten volgens de rechtspraak van het Hof geen nieuwe waarmerking mogen verlangen van producten die zijn ingevoerd uit een andere lidstaat, waar zij rechtmatig in het verkeer waren gebracht en overeenkomstig de wetgeving van die staat waren gewaarmerkt, wanneer die stempelmerken informatie verschaffen die gelijkwaardig is aan die van de in de lidstaat van invoer voorgeschreven stempelmerken en begrijpelijk is voor de consument van die staat. In casu komen de stempelmerken van WaarborgHolland, ook als ze in een derde staat zijn aangebracht, overeen met de Nederlandse wetgeving en is de informatie die zij verschaffen gelijkwaardig aan de informatie die is voorgeschreven in Tsjechië en begrijpelijk voor de consument van die lidstaat.
27
Voorts heeft de Tsjechische Republiek niet aangetoond dat de betrokken beperking een passend middel is om het nagestreefde doel van consumentenbescherming te verzekeren en niet verder gaat dan nodig is om deze bescherming te bereiken. In dat verband wijst de Commissie erop dat WaarborgHolland een waarborginstelling is die onder het Nederlandse recht valt, waarop de Nederlandse overheid toezicht houdt, die geaccrediteerd is door de Nederlandse Raad voor Accreditatie in de zin van verordening nr. 765/2008, en dat de Nederlandse overheid de filialen van de waarborginstellingen zowel in de lidstaten als in derde staten controleert.
28
De Tsjechische Republiek voert aan dat het beroep, voor zover ontvankelijk, ongegrond is. In de eerste plaats stelt zij — na te hebben toegelicht dat zij in haar opmerkingen enkel doelt op de stempelmerken van WaarborgHolland — dat edelmetalen werken die in een derde staat zijn afgeslagen, niet profiteren van het vrije verkeer van goederen dat door artikel 34 VWEU wordt gewaarborgd, zelfs niet als zij overeenkomstig de wetgeving van een lidstaat zijn afgeslagen.
29
Het beginsel van wederzijdse erkenning is enkel van toepassing als twee opeenvolgende stappen worden gevolgd, namelijk het in het vrije verkeer van de Unie brengen van de goederen in de zin van artikel 29 VWEU, dat neerkomt op het verrichten van de invoerformaliteiten en het voldoen van de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking in de betrokken lidstaat, gevolgd door het in de handel brengen van de goederen op de markt van deze lidstaat overeenkomstig zijn non-tarifaire wetgeving. In deze zaak is deze aaneenschakeling van handelingen niet in acht genomen, want de betrokken edelmetalen werken zijn weliswaar overeenkomstig de Nederlandse wet afgeslagen, maar in een derde staat, en ze zijn niet in de handel gebracht op het Nederlandse grondgebied.
30
In de tweede plaats meent de Tsjechische Republiek dat de beperking van het vrije verkeer van edelmetalen werken die in Nederland zijn afgeslagen wordt gerechtvaardigd door de noodzaak de consument te beschermen en evenredig is met die doelstelling. In dat verband voert de lidstaat aan dat hij deze edelmetalen werken niet kan onderscheiden van de werken die met dezelfde stempelmerken zijn afgeslagen in een derde staat. Een aanvullend Tsjechisch stempelmerk is dus het enige middel voor de Tsjechische Republiek om toezicht te houden op de binnenkomst op de markt van de Unie van goederen die zijn afgeslagen in derde staten. De Nederlandse autoriteiten zijn niet afdoende in staat de in derde staten afgeslagen werken te controleren, net zo min als zij de monsters en het afslaan in deze derde staten kunnen controleren. De Tsjechische Republiek wijst er daarnaast op dat er in de Unie voor het afslaan van edelmetalen werken geen systeem bestaat voor de erkenning van autoriteiten die de overeenstemming van derde staten beoordelen.
31
De Franse Republiek, die intervenieert aan de zijde van de Tsjechische Republiek, stelt primair dat de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op afgeslagen edelmetalen werken onderworpen is aan een aanvullende voorwaarde die niet geldt voor andere soorten goederen, namelijk de voorwaarde dat zij moeten zijn afgeslagen op het grondgebied van de uitvoerende lidstaat door een onafhankelijke instantie die in die lidstaat is gevestigd. Deze voorwaarde valt te verklaren uit de bijzondere aard van het afslaan, die voortvloeit uit het soevereine voorrecht van gehaltewaarborging. Dientengevolge profiteert een werk dat is afgeslagen op het grondgebied van een andere lidstaat dan de uitvoerende lidstaat of op het grondgebied van een derde staat, zoals in casu het geval is voor de stempelmerken van WaarborgHolland, niet van het beginsel van wederzijdse erkenning. Het enkele in het vrije verkeer brengen van een dergelijk werk in een lidstaat is daarvoor onvoldoende. De gestelde schending van artikel 34 VWEU is bijgevolg niet aangetoond.
32
Subsidiair stelt de Franse Republiek dat, gesteld dat het beginsel van wederzijdse erkenning van toepassing is, de beperking van het vrije verkeer van goederen die voortvloeit uit de weigering van de Tsjechische autoriteiten om de stempelmerken van WaarborgHolland te erkennen, in overeenstemming is met artikel 34 VWEU, aangezien zij gerechtvaardigd wordt door de doelstelling de consument te beschermen en de eerlijkheid van handelstransacties te garanderen en zij evenredig is aan die doelstelling.
33
De Commissie stelt daartegenover met name dat uit de rechtspraak van het Hof niet blijkt dat het afslaan fysiek moet plaatsvinden op het grondgebied van de lidstaat overeenkomstig de wetgeving waarvan het stempelmerk is aangebracht om te profiteren van het beginsel van wederzijdse erkenning. Bovendien zijn de lidstaten volgens verordening nr. 765/2008 gehouden te erkennen dat de diensten van een uit hoofde van die verordening geaccrediteerde waarborginstelling gelijkwaardig zijn, zelfs als het filiaal van de erkende waarborginstelling die het stempelmerk heeft aangebracht, zich niet op het grondgebied van de betrokken lidstaat noch op dat van de Unie bevindt. In dat verband onderstreept de Commissie dat de onafhankelijkheid van de Nederlandse waarborginstellingen of van de Nederlandse accreditatie-instantie niet wordt betwist en dat de garanties voor hun onafhankelijkheid die de door de uitvoerende lidstaat erkende waarborginstelling biedt, niet noodzakelijkerwijs hoeven samen te vallen met de door de invoerende lidstaat voorgeschreven garanties.
Beoordeling door het Hof
34
Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet iedere handelsregeling van de lidstaten die de handel binnen de Unie al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, worden beschouwd als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 34 VWEU (arresten van 11 juli 1974, Dassonville, 8/74, EU:C:1974:82, punt 5, en 16 januari 2014, Juvelta, C-481/12, EU:C:2014:11, punt 16).
35
Als door artikel 34 VWEU verboden maatregelen van gelijke werking zijn aldus aan te merken belemmeringen van het vrije goederenverkeer die, bij ontbreken van harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen, voortvloeien uit de toepassing door een lidstaat op goederen uit andere lidstaten, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, van voorschriften betreffende de voorwaarden waaraan die goederen moeten voldoen, ook indien die voorschriften zonder onderscheid op alle producten van toepassing zijn, wanneer deze toepassing niet kan worden gerechtvaardigd door een doel van algemeen belang, dat zou moeten voorgaan boven de eisen van het vrije goederenverkeer (zie in die zin arresten van 20 februari 1979, Rewe-Zentral, ‘Cassis de Dijon’, 120/78, EU:C:1979:42, punt 8; 15 september 1994, Houtwipper, C-293/93, EU:C:1994:330, punt 11, en 16 januari 2014, Juvelta, C-481/12, EU:C:2014:11, punt 17).
36
Daarnaast moet eraan worden herinnerd dat het in de artikelen 34 tot en met 37 VWEU neergelegde verbod van kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten volgens artikel 28, lid 2, VWEU van toepassing is op de producten welke van oorsprong zijn uit de lidstaten alsook op de producten uit derde staten welke zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden. Krachtens artikel 29 VWEU worden als zich bevindend in het vrije verkeer in een lidstaat beschouwd de producten uit derde staten waarvoor in genoemde staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend.
37
Het Hof heeft daaruit afgeleid dat, wat betreft het vrije verkeer van goederen binnen de Unie, producten in het vrije verkeer definitief en volledig zijn gelijkgesteld met producten van oorsprong uit de lidstaten en dat de bepalingen van artikel 34 VWEU dientengevolge zonder onderscheid gelden voor producten van oorsprong uit de Unie en voor producten die, ongeacht hun oorsprong, in een van de lidstaten in het vrije verkeer zijn gebracht (zie in die zin arresten van 15 december 1976, Donckerwolcke en Schou, 41/76, EU:C:1976:182, punten 17 en 18; 18 november 2003, Budějovický Budvar, C-216/01, EU:C:2003:618, punt 95, en 16 juli 2015, UNIC en Uni.co.pel, C-95/14, EU:C:2015:492, punt 41).
38
Uit de rechtspraak van het Hof volgt niettemin ook dat het in de handel brengen een fase is die volgt op de invoer. Evenals een rechtmatig in de Unie vervaardigd product niet om die enkele reden op de markt mag worden gebracht, betekent de rechtmatige invoer van een product niet dat dit automatisch tot de markt wordt toegelaten. Een product dat afkomstig is uit een derde staat en zich in het vrije verkeer bevindt, wordt aldus gelijkgesteld met producten van oorsprong uit de lidstaten wat de afschaffing van douanerechten en kwantitatieve beperkingen tussen de lidstaten betreft. Aangezien er evenwel geen Unieregeling is die de voorwaarden voor het in de handel brengen van de betrokken producten harmoniseert, kan de lidstaat waar zij in het vrije verkeer worden gebracht, zich tegen het op de markt brengen ervan verzetten, indien zij niet aan de daartoe in het nationale recht, met inachtneming van het Unierecht, gestelde voorwaarden voldoen (arresten van 30 mei 2002, Expo Casa Manta, C-296/00, EU:C:2002:316, punten 31 en 32, en 12 juli 2005, Alliance for Natural Health e.a., C-154/04 en C-155/04, EU:C:2005:449, punt 95).
39
Zoals de advocaat-generaal in de punten 57 en 58 van zijn conclusie in wezen heeft opgemerkt, volgt uit het voorgaande dat het beginsel van wederzijdse erkenning dat is geformuleerd door de in punt 35 van dit arrest genoemde rechtspraak, anders dan de Commissie stelt, niet kan worden toegepast op de handel binnen de Unie in uit derde staten afkomstige goederen die zich in het vrije verkeer bevinden en vóór hun uitvoer naar een andere lidstaat dan die waarin zij zich in het vrije verkeer bevinden, niet rechtmatig in de handel zijn gebracht op het grondgebied van een lidstaat.
40
In casu staat vast dat het onderhavige beroep niet is gericht tegen de weigering om de stempelmerken van WaarborgHolland te erkennen en het aanvullende stempelmerk dat dientengevolge kan worden verlangd door de Tsjechische Republiek bij rechtstreekse invoer vanuit een derde staat op haar grondgebied van edelmetalen werken die buiten het grondgebied van de Unie zijn afgeslagen met een stempelmerk van WaarborgHolland. Dit beroep richt zich ook niet tegen de stempelmerken die vallen onder het Verdrag inzake het onderzoek en de stempeling van edelmetalen werken, ondertekend te Wenen op 15 november 1972 en gewijzigd op 18 mei 1988, noch tegen de stempelmerken die vallen onder bilaterale verdragen inzake wederzijdse erkenning van stempelmerken aangebracht op edelmetalen werken die zijn gesloten tussen bepaalde lidstaten en derde staten, zoals de verdragen die de advocaat-generaal noemt in punt 30 van zijn conclusie.
41
Met dit beroep betwist de Commissie daarentegen de overeenstemming met artikel 34 VWEU van de Tsjechische praktijk om de stempelmerken van WaarborgHolland (die waarborgmerken zijn) niet te erkennen en dientengevolge een aanvullende afslag van de betrokken edelmetalen werken te eisen bij invoer in de Tsjechische Republiek van met deze stempelmerken afgeslagen edelmetalen werken die ofwel rechtmatig zijn afgeslagen en in de handel gebracht op het Nederlandse grondgebied (of, in voorkomend geval, op het grondgebied van een andere lidstaat), ofwel zijn afgeslagen op het grondgebied van een derde staat overeenkomstig de Nederlandse wet en zich in het vrije verkeer bevinden in een andere lidstaat dan de Tsjechische Republiek, zij het het Koninkrijk der Nederlanden of een andere lidstaat.
42
Het Hof heeft al geoordeeld dat een nationale regeling die verlangt dat edelmetalen werken die zijn ingevoerd uit andere lidstaten, waar zij rechtmatig in de handel zijn gebracht en overeenkomstig de wetgeving van die staten zijn gewaarmerkt, in de lidstaat van invoer opnieuw van een stempelmerk worden voorzien, de invoer moeilijker en duurder maakt en aldus een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 34 VWEU vormt (zie in die zin arresten van 21 juni 2001, Commissie/Ierland, C-30/99, EU:C:2001:346, punt 27, en 16 januari 2014, Juvelta, C-481/12, EU:C:2014:11, punten 18 en 20).
43
Dat is ook het geval bij de praktijk die in deze zaak aan de orde is. Als gevolg daarvan mogen edelmetalen werken die zijn afgeslagen met de stempelmerken van WaarborgHolland, een Nederlandse waarborginstelling, of zij nu rechtmatig zijn afgeslagen en in de handel gebracht op het Nederlandse grondgebied, of, in voorkomend geval, op het grondgebied van een andere lidstaat, of zijn afgeslagen op het grondgebied van een derde staat overeenkomstig de Nederlandse wet en in het vrije verkeer zijn gebracht in een andere lidstaat, en of zij nu rechtmatig in de handel zijn gebracht op het grondgebied van een lidstaat of niet, enkel in de handel worden gebracht op het grondgebied van de Tsjechische Republiek nadat zij in die lidstaat zijn gecontroleerd en daarop een aanvullend waarborgmerk is aangebracht, waardoor de invoer van deze producten vanuit andere lidstaten op het grondgebied van de Tsjechische Republiek moeilijker en duurder wordt.
44
Deze praktijk wordt dus verboden door artikel 34 VWEU, tenzij zij objectief kan worden gerechtvaardigd.
45
In dit verband kan volgens vaste rechtspraak een nationale regeling die een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 34 VWEU vormt, haar rechtvaardiging vinden in een van de in artikel 36 VWEU omschreven gronden van algemeen belang of in dwingende vereisten (arresten van 10 februari 2009, Commissie/Italië, C-110/05, EU:C:2009:66, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 6 september 2012, Commissie/België, C-150/11, EU:C:2012:539, punt 53).
46
In casu beroept de Tsjechische Republiek zich op het dwingende vereiste van de noodzaak de consument te beschermen.
47
In dat verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat de verplichting voor de importeur om op edelmetalen werken een stempelmerk met het edelmetaalgehalte te laten aanbrengen, in beginsel een doeltreffende bescherming van de consument verzekert en de eerlijkheid van handelstransacties bevordert (arresten van 21 juni 2001, Commissie/Ierland, C-30/99, EU:C:2001:346, punt 29, en 16 januari 2014, Juvelta, C-481/12, EU:C:2014:11, punt 21).
48
Het Hof heeft in dat verband echter ook geoordeeld dat een lidstaat geen nieuwe stempeling mag voorschrijven voor producten die zijn ingevoerd uit een andere lidstaat, waar zij rechtmatig in de handel zijn gebracht en overeenkomstig de wetgeving van die staat zijn gestempeld, wanneer het oorspronkelijke stempelmerk, ongeacht de vorm ervan, informatie verschaft die gelijkwaardig is aan de verplichte vermeldingen in de lidstaat van invoer en begrijpelijk is voor de consument van die staat (arresten van 21 juni 2001, Commissie/Ierland, C-30/99, EU:C:2001:346, punt 30, en 16 januari 2014, Juvelta, C-481/12, EU:C:2014:11, punt 22).
49
In deze zaak gaat het echter niet om de gelijkwaardigheid van de informatie die wordt verschaft door de stempelmerken van WaarborgHolland en de door de Tsjechische Republiek voorgeschreven informatie voor haar eigen waarborgmerken, noch om de vraag of deze informatie begrijpelijk is voor consumenten uit die lidstaat (punten die de Tsjechische Republiek niet betwist), maar aan de orde is het niveau van garantie dat wordt geboden door het afslaan op het grondgebied van een derde staat door de filialen van een Nederlandse waarborginstelling, in casu WaarborgHolland, die krachtens Nederlands recht bevoegd is ten minste een deel van haar waarborgmerken buiten het grondgebied van de Unie aan te brengen.
50
De Tsjechische Republiek, daarin ondersteund door de Franse Republiek, voert in feite aan dat een dergelijk stempelmerk dat buiten het grondgebied van de Unie is aangebracht, zelfs als dat gebeurt door de filialen van een onafhankelijke waarborginstelling die krachtens het recht van de lidstaat waaronder deze valt, bevoegd is om een deel van haar activiteiten op het grondgebied van derde staten uit te oefenen, onvoldoende garanties biedt om te kunnen worden beschouwd als gelijkwaardig aan een stempelmerk dat is aangebracht door een onafhankelijke instantie van een lidstaat op het grondgebied van die lidstaat. De betrouwbaarheid van een dergelijk stempelmerk dat buiten het grondgebied van de Unie is aangebracht, kan volgens deze lidstaten niet worden gegarandeerd, in het licht van de belemmeringen voor een afdoende controle van de activiteiten van de betrokken instantie op het grondgebied van derde staten door de lidstaat waaronder die instantie valt.
51
In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat het Hof met betrekking tot de eis dat een stempelmerk wordt aangebracht door een rechtspersoon die aan een aantal eisen inzake bekwaamheid en onafhankelijkheid voldoet, al heeft geoordeeld dat een lidstaat niet kan stellen dat de waarborgfunctie van het stempelmerk slechts kan worden verzekerd indien dit wordt aangebracht door de bevoegde instantie van de lidstaat van invoer, om zich te verzetten tegen de verhandeling op zijn grondgebied van edelmetalen werken die in de lidstaat van uitvoer door een onafhankelijke instantie zijn gewaarmerkt. Dubbele controles, in de lidstaat van uitvoer en de lidstaat van invoer, zijn niet gerechtvaardigd indien de resultaten van de in de lidstaat van oorsprong uitgevoerde controle voldoen aan de behoeften van de lidstaat van invoer. In dat verband heeft het Hof ook geoordeeld dat het stempelmerk zijn waarborgfunctie vervult wanneer het is aangebracht door een onafhankelijke instantie in de lidstaat van uitvoer (zie in die zin arrest van 15 september 1994, Houtwipper, C-293/93, EU:C:1994:330, punten 17–19).
52
Niettemin heeft het Hof, gezien het risico van fraude op de markt van edelmetalen werken, daar kleine wijzigingen in het gehalte aan edelmetaal van zeer grote invloed kunnen zijn op de winstmarge van de producent, erkend dat de keuze van passende maatregelen om dit gevaar het hoofd te bieden bij gebreke van een Unieregeling bij de lidstaten ligt, die daartoe over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken (zie in die zin arrest van 15 september 1994, Houtwipper, C-293/93, EU:C:1994:330, punten 21 en 22).
53
In die context heeft het Hof overwogen dat de keuze tussen een controle a priori door een onafhankelijke instantie en een regeling op grond waarvan producenten uit de uitvoerende lidstaat zelf hun goederen kunnen stempelen, weliswaar tot de beoordelingsbevoegdheid van de lidstaten behoort, maar een lidstaat waarvan de regeling verlangt dat het stempelmerk wordt aangebracht door een onafhankelijke instantie, zich niet kan verzetten tegen de verhandeling op zijn grondgebied van edelmetalen werken die zijn ingevoerd uit andere lidstaten indien die werken daadwerkelijk zijn afgeslagen door een onafhankelijke instantie in de uitvoerende lidstaat. Het Hof heeft bovendien onderstreept dat de garanties voor de onafhankelijkheid van de instantie van de uitvoerende lidstaat niet noodzakelijkerwijs hoeven samen te vallen met de garanties die zijn voorgeschreven in de nationale regeling van de invoerende lidstaat (zie in die zin arresten van 15 september 1994, Houtwipper, C-293/93, EU:C:1994:330, punten 20, 22, 23 en 27, en 16 januari 2014, Juvelta, C-481/12, EU:C:2014:11, punten 36 en 37).
54
Het Hof heeft zich echter nog niet uitgesproken over waarborgmerken die op het grondgebied van derde staten zijn aangebracht. In dat verband moet worden erkend dat een lidstaat, in het licht van het risico van fraude op de markt voor edelmetalen werken en de ruime beoordelingsbevoegdheid die het Hof de lidstaten heeft gelaten bij de keuze van passende maatregelen om dit risico het hoofd te bieden, bij gebreke van een Unieregeling op dit gebied, in het kader van de bestrijding van fraude om de bescherming van de consument op zijn grondgebied te waarborgen, met recht kan verbieden dat zijn waarborginstelling(en) of andere lichamen die hij de bevoegdheid heeft verleend om de waarborgmerken van de lidstaat op edelmetalen werken aan te brengen, die merken aanbrengen op het grondgebied van derde staten.
55
Uit het voorgaande volgt dat een lidstaat overeenkomstig de in punt 52 van dit arrest aangehaalde rechtspraak, bij de huidige stand van het recht van de Unie en afgezien van de gevallen die door een internationale overeenkomst worden beheerst (die, zoals in punt 40 van dit arrest is gememoreerd, in dit beroep niet aan de orde zijn), in beginsel het recht heeft om te beslissen dat waarborgmerken die zijn aangebracht op het grondgebied van derde staten een niveau van bescherming van de consument bieden dat niet gelijkwaardig is aan de waarborgmerken die zijn aangebracht door onafhankelijke instanties op het grondgebied van de lidstaten.
56
In dat verband kan de Commissie zich niet met vrucht beroepen op verordening nr. 765/2008 om te stellen dat de Tsjechische Republiek in alle gevallen gehouden is de edelmetalen werken die zijn afgeslagen door WaarborgHolland op haar grondgebied toe te laten wanneer zij worden ingevoerd vanuit een andere lidstaat en geen controle mag uitvoeren en, in voorkomend geval, geen aanvullend stempelmerk mag aanbrengen, op grond dat WaarborgHolland als conformiteitsbeoordelingsinstantie uit hoofde van die verordening is geaccrediteerd door de Nederlandse Raad voor Accreditatie.
57
Hoewel artikel 7, lid 1, van verordening nr. 765/2008 bepaalt dat een conformiteitsbeoordelingsinstantie die een accreditatie wenst, daartoe een verzoek indient bij, in beginsel, de nationale accreditatie-instantie van haar lidstaat van vestiging, zwijgt die verordening namelijk over de vraag op welk grondgebied de conformiteitsbeoordelingsinstanties hun werkzaamheden kunnen of moeten uitoefenen en in hoeverre hun accreditatie door de nationale accreditatie-instantie uit hoofde van die verordening al dan niet ook de werkzaamheden van conformiteitsbeoordelingsinstanties kan, of moet, dekken die worden verricht door hun filialen op het grondgebied van derde staten. Voor het overige behoort de vraag of de Tsjechische praktijk die door de Commissie wordt betwist, al dan niet strookt met verordening nr. 765/2008, niet tot het voorwerp van het onderhavige beroep.
58
Niettemin is het van belang te onderstrepen dat de lidstaten het in punt 55 van dit arrest bedoelde recht niet mogen uitoefenen als de resultaten van de controle in de lidstaat van waaruit de betrokken edelmetalen werken zijn uitgevoerd, voldoen aan de behoeften van de invoerende lidstaat.
59
Dat is in casu uit de aard der zaak het geval voor de edelmetalen werken die zijn afgeslagen door WaarborgHolland op het Nederlandse grondgebied die rechtmatig in de handel zijn gebracht in die lidstaat, of, in voorkomend geval, op het grondgebied van een andere lidstaat, overeenkomstig de vaste rechtspraak van het Hof die in punt 53 van dit arrest is aangehaald.
60
Dat is eveneens het geval voor de edelmetalen werken met een in een derde staat aangebracht stempelmerk van WaarborgHolland die in het vrije verkeer zijn gebracht in de Unie en die, vóór uitvoer naar de Tsjechische Republiek, rechtmatig in de handel zijn gebracht op het grondgebied van een lidstaat die, evenals de Tsjechische Republiek, ervoor heeft gekozen zijn waarborginstelling(en) of andere lichamen die hij de bevoegdheid heeft verleend om de waarborgmerken van die lidstaat op edelmetalen werken aan te brengen, geen toestemming te geven om deze stempelmerken aan te brengen op het grondgebied van derde staten. In dat geval moet worden overwogen dat de controle door een dergelijke lidstaat bij het in de handel brengen van de betrokken edelmetalen werken op zijn grondgebied voldoet aan de behoeften van de Tsjechische Republiek, omdat deze twee lidstaten dan een gelijkwaardig niveau van bescherming van de consument nastreven.
61
Vastgesteld moet dan ook worden dat de weigering van de Tsjechische Republiek om de stempelmerken van WaarborgHolland te erkennen in de hypotheses die in de punten 59 en 60 van dit arrest zijn genoemd, niet kan worden gerechtvaardigd. De gestelde niet-nakoming is daarmee vast komen te staan.
62
Uit de bovenstaande overwegingen volgt echter dat de resultaten van de controle door de lidstaat van waaruit de betrokken edelmetalen werken zijn uitgevoerd, niet aan de behoeften van de Tsjechische Republiek voldoen wanneer het gaat om edelmetalen werken die zijn afgeslagen met een stempelmerk van WaarborgHolland op het grondgebied van een derde staat, in de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht en naar de Tsjechische Republiek zijn uitgevoerd zonder tevoren rechtmatig in een lidstaat in de handel te zijn gebracht, en wanneer het gaat om goederen die, nadat zij in het vrije verkeer zijn gebracht, rechtmatig in de handel zijn gebracht in een lidstaat waar voor edelmetalen werken geen waarborgmerk van een onafhankelijke instantie vereist is, of in een lidstaat waar een dergelijk waarborgmerk vereist is, maar dit merk mag worden aangebracht op het grondgebied van een derde staat.
63
Hoewel de Tsjechische praktijk aldus ten dele kan worden gerechtvaardigd, met name omdat de betrokken edelmetalen werken mogelijk niet beantwoorden aan de voorwaarden voor rechtmatige verhandeling in een lidstaat, is deze rechtvaardiging echter pas toelaatbaar als de praktijk geschikt is om het nagestreefde doel te verwezenlijken en niet verder gaat dan nodig is voor het bereiken van dat doel (zie in die zin arresten van 10 februari 2009, Commissie/Italië, C-110/05, EU:C:2009:66, punt 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 16 januari 2014, Juvelta, C-481/12, EU:C:2014:11, punt 29).
64
Het staat vast dat de Tsjechische praktijk die hier aan de orde is, betrekking heeft op edelmetalen werken afgeslagen met stempelmerken van WaarborgHolland in algemene zin, en niet alleen op de edelmetalen werken afgeslagen met stempelmerken van WaarborgHolland die zijn aangebracht op het grondgebied van een derde staat, en dat bovendien zonder onderscheid naar de voorwaarden waaronder deze edelmetalen werken naar de Tsjechische Republiek zijn uitgevoerd, namelijk of zij naar de Tsjechische Republiek zijn uitgevoerd nadat zij in een andere lidstaat enkel in het vrije verkeer zijn gebracht of nadat zij daarnaast in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht.
65
In dat verband beroept de Tsjechische Republiek zich erop dat zij, onder de stempelmerken van WaarborgHolland, onmogelijk onderscheid kan maken tussen stempelmerken die zijn aangebracht op het grondgebied van derde staten en stempelmerken die zijn aangebracht in de Unie. Deze stempelmerken zijn immers identiek, ongeacht waar zij zijn aangebracht. Niettemin is een dergelijke omstandigheid niet van dien aard dat kan worden aangenomen dat deze praktijk evenredig is aan het nagestreefde doel, voor zover zij kan worden gerechtvaardigd.
66
Het is immers mogelijk de weigering van erkenning van de stempelmerken van WaarborgHolland te beperken tot enkel die omstandigheden waarin een aanvullende controle van deze metalen werken door de Tsjechische autoriteiten daadwerkelijk gerechtvaardigd is door de bescherming van de consument, bijvoorbeeld door van de importeur in de Tsjechische Republiek een schriftelijk bewijs te verlangen van de plaats waar het betrokken stempelmerk is aangebracht en, in voorkomend geval, van de plaats waar de betrokken edelmetalen werken in de Unie in het vrije verkeer en rechtmatig in de handel zijn gebracht. Een dergelijke maatregel zou het vrije verkeer van goederen minder beperken dan een algemene weigering om deze stempelmerken te erkennen en een aanvullend stempelmerk voor alle edelmetalen werken die met deze stempelmerken zijn afgeslagen.
67
Dat de consument in een dergelijk geval niet zelf in staat is na te gaan of het stempelmerk van WaarborgHolland op een edelmetalen werk is aangebracht op het grondgebied van een derde staat of in de Unie en dus op een dwaalspoor kan worden gebracht over de kwaliteit ervan, betekent nog niet dat deze betrokken praktijk evenredig is, anders dan de Tsjechische Republiek betoogt, tenzij deze consument niet kan vertrouwen op de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van consumptie wat betreft de kwaliteitscontrole van de producten die hij op zijn markt toelaat, wat niet kan worden aanvaard.
68
Vastgesteld moet dus worden dat de betrokken Tsjechische praktijk, omwille van haar algemene en stelselmatige aard, voor zover zij gerechtvaardigd kan worden door de bescherming van de consument, niet evenredig is aan de nagestreefde doelstellingen.
69
Gelet op een en ander dient te worden vastgesteld, ten eerste, dat de Tsjechische Republiek, door de stempelmerken van WaarborgHolland niet te erkennen, de krachtens artikel 34 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, en, ten tweede, dat het beroep moet worden verworpen voor het overige.
Kosten
70
Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Ingevolge lid 3, eerste zin, van dat artikel draagt elke partij haar eigen kosten, indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien het beroep van de Commissie deels niet-ontvankelijk is, worden de Commissie en de Tsjechische Republiek elk in hun eigen kosten verwezen.
71
Ingevolge artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat bepaalt dat de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd hun eigen kosten dragen, zal de Franse Republiek haar eigen kosten dragen.
Het Hof (Tweede kamer) verklaart:
- 1)
Door de stempelmerken van de waarborginstelling WaarborgHolland niet te erkennen is de Tsjechische Republiek de krachtens artikel 34 VWEU op haar rustende verplichtingen niet nagekomen.
- 2)
Het beroep wordt verworpen voor het overige.
- 3)
De Europese Commissie, de Tsjechische Republiek en de Franse Republiek dragen hun eigen kosten.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 22‑09‑2016
Conclusie 03‑05‑2016
M. Campos Sánchez-Bordona
Partij(en)
Zaak C-525/141.
Europese Commissie
tegen
Tsjechische Republiek
(Beroep wegens niet-nakoming, ingesteld door de Commissie tegen de Tsjechische Republiek)
1.
De Tsjechische Republiek betwist de haar door de Commissie verweten niet-nakoming en betoogt dat de artikelen 34 en 36 VWEU de administratieve praktijk van haar nationale waarborginstelling niet verbieden, aangezien de stempelmerken WaarborgHolland zowel in Nederland als in inrichtingen in derde landen (China en Thailand) worden aangebracht.
2.
Het Hof heeft reeds een vaste rechtspraak ontwikkeld over de wederzijdse erkenning van de nationale stempelmerken van de lidstaten. Het nieuwe van deze beroepsprocedure is dat moet worden beslist of die rechtspraak ook van toepassing is op de edelmetalen werken van oorsprong uit derde landen die, voorzien van het in die landen afgeslagen waarborgmerk van de Nederlandse waarborginstelling WaarborgHolland, in de Europese Unie worden ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht.
3.
Hoewel producten van buiten de Unie die in het vrije verkeer worden gebracht daardoor worden gelijkgesteld met communautaire goederen, kan die gelijkstelling ontoereikend zijn voor wederzijdse erkenning. Voorwaarde voor de erkenning van de gelijkwaardigheid door een lidstaat (die van bestemming) en de buitentoepassinglating van zijn eigen regels is dat het product eerst in een andere lidstaat overeenkomstig zijn nationale regeling in de handel is gebracht. In de onderhavige zaak moet nader worden verduidelijkt in hoeverre en in welke omstandigheden die voorwaarde kan worden gesteld.
I — Verloop van de niet-nakomingsprocedure
4.
Op 30 september 2011 heeft de Commissie de Tsjechische Republiek een aanmaningsbrief gestuurd waarin zij haar om uitleg vraagt over haar weigering de Nederlandse stempelmerken, met name die van de waarborginstelling WaarborgHolland, te erkennen.
5.
In haar antwoord van 30 november 2011 heeft de Tsjechische Republiek toegegeven dat zij die Nederlandse stempelmerken niet erkende. Haars inziens deed dat geen probleem rijzen op het gebied van het vrije verkeer van goederen maar van de vrijheid van dienstverrichting. De Tsjechische regering heeft de weigering gemotiveerd met het feit dat het niet mogelijk was, de in Nederland en de in derde landen met de stempelmerken WaarborgHolland afgeslagen en vervolgens in de Unie ingevoerde producten van elkaar te onderscheiden.
6.
Aangezien de uitleg van de Tsjechische autoriteiten de Commissie niet kon overtuigen, heeft zij op 30 mei 2013 een met redenen omkleed advies aan de Tsjechische Republiek gestuurd, waarin zij erop wees dat de bepalingen van het VWEU over het vrije verkeer van goederen van toepassing zijn op de in het douanegebied van de Unie in het vrije verkeer gebrachte goederen, en derhalve op die welke uit derde landen in een lidstaat worden ingevoerd, overeenkomstig artikel 29 VWEU. De Commissie heeft de Tsjechische Republiek verzocht haar handelen binnen twee maanden in overeenstemming te brengen met artikel 34 VWEU.
7.
In haar antwoord van 23 juli 2013 heeft de Tsjechische Republiek haar standpunt gehandhaafd en gesteld dat de weigering de edelmetalen werken met de stempelmerken WaarborgHolland tot de markt toe te laten werd gerechtvaardigd door de noodzaak haar consumenten te beschermen.
8.
Gezien de houding van de Tsjechische Republiek heeft de Commissie op 20 november 2014 het onderhavige niet-nakomingsberoep ingesteld, onder aanvoering van de in de loop van de voorafgaande fase uiteengezette standpunten. In haar verweerschrift heeft de Tsjechische Republiek haar tegenover de Commissie ingenomen standpunt gehandhaafd.
9.
Bij brief van 26 februari 2015 heeft Frankrijk de president van het Hof verzocht in het geding te mogen interveniëren aan de zijde van de Tsjechische Republiek. Op 9 april 2015 heeft de griffie van het Hof Frankrijk meegedeeld dat het was toegelaten tot interventie, overeenkomstig artikel 130 van Reglement voor de procesvoering, en op 26 mei 2016 heeft Frankrijk zijn memorie in interventie ingediend.
10.
In repliek en dupliek alsmede ter terechtzitting van 17 februari 2016 zijn de Commissie en de Tsjechische Republiek bij hun tegengestelde standpunten gebleven.
II — Ontvankelijkheid van het beroep
11.
Volgens de Tsjechische Republiek is het beroep gedeeltelijk niet-ontvankelijk, aangezien de niet-nakoming die de Commissie haar verwijt, onduidelijk en dubbelzinnig is gesteld: zij laakt thans de weigering ‘bepaalde Nederlandse stempelmerken’, ‘met name de stempelmerken WaarborgHolland’, te erkennen, terwijl zij in de precontentieuze fase en in haar verzoekschrift uitsluitend naar de stempelmerken WaarborgHolland had verwezen, en geen andere had genoemd. Het beroep dient derhalve te worden beperkt tot deze laatste handeling van de Tsjechische autoriteiten.
12.
De Commissie betwist de exceptie van gedeeltelijke niet-ontvankelijkheid en betoogt dat zij het voorwerp van het beroep niet heeft uitgebreid, aangezien zij de Tsjechische Republiek reeds in de precontentieuze fase (met name in het met redenen omkleed advies) had verweten artikel 34 VWEU te hebben geschonden door ‘bepaalde Nederlandse stempelmerken’ niet te erkennen.
13.
Volgens vaste rechtspraak moet elk inleidend verzoekschrift in een niet-nakomingsberoep het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen bevatten. Deze uiteenzetting dient zo duidelijk en nauwkeurig te zijn dat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen. Daaruit volgt dat de belangrijkste gegevens, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, coherent en begrijpelijk moeten worden weergegeven in de tekst van het verzoekschrift zelf en dat het petitum op ondubbelzinnige wijze moet zijn geformuleerd, teneinde te vermijden dat het Hof ultra petita recht doet of nalaat op een van de grieven uitspraak te doen.
14.
Het Hof heeft tevens geoordeeld dat de Commissie in het kader van een beroep de grieven coherent en nauwkeurig moet uiteenzetten, zodat de lidstaat en het Hof de omvang van de verweten schending van het Unierecht precies kunnen begrijpen, hetgeen noodzakelijk is opdat die lidstaat nuttig verweer kan voeren en het Hof het bestaan van de gestelde niet-nakoming kan beoordelen.2.
15.
Gelet op deze vereisten meen ik dat het argument van de Tsjechische Republiek gegrond is en het beroep van de Commissie gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het voorwerp van de niet-nakoming is niet duidelijk afgebakend voor zover wordt verwezen naar de Tsjechische weigering ‘bepaalde Nederlandse stempelmerken’ te erkennen, en de Commissie slechts melding maakt van — en informatie bijvoegt over — de door de in Gouda gevestigde waarborginstelling WaarborgHolland gestempelde voorwerpen, de enige die haar activiteit naar derde landen (met name China en Thailand) heeft verplaatst.
16.
De Commissie heeft niets aangedragen dat erop wijst dat de Tsjechische autoriteiten weigeren het door de andere Nederlandse waarborginstelling (Edelmetaal Waarborg Nederland B.V., gevestigd te Joure) afgeslagen stempelmerk te erkennen. Bovendien stelt de Tsjechische Republiek, door de Commissie onweersproken, dat zij slechts eist dat het Tsjechische stempelmerk wordt afgeslagen op de edelmetalen werken die zijn voorzien van het stempelmerk WaarborgHolland.
17.
Hoewel er sprake is van een zekere samenhang tussen de stellingen van de Commissie in de precontentieuze en de gerechtelijke fase, zijn de door de Commissie tegen de Tsjechische Republiek ingebrachte beschuldigingen mijns inziens onduidelijk waar het gaat om de weigering andere Nederlandse stempelmerken dan die van WaarborgHolland te erkennen. Derhalve moet het beroep van de Commissie gedeeltelijk niet-ontvankelijk worden verklaard, en wel voor zover het die stempelmerken betreft, en ontvankelijk met betrekking tot de afwijzing van de Tsjechische autoriteiten van de met de merken WaarborgHolland gestempelde edelmetalen werken.
III — Onderzoek van de zaak ten gronde
18.
Alvorens de niet-nakoming die de Commissie de Tsjechische Republiek verwijt te onderzoeken, moeten enkele kenmerken van de wettelijke regeling, in de Europese Unie en op internationaal niveau, voor de handel in edelmetalen werken worden uiteengezet.
A — Voorafgaande beschouwingen over de handel in edelmetalen werken
19.
Het in de handel brengen van deze werken is één van de gebieden waarop de technische belemmeringen (als gevolg van het bestaan van verschillende regels in de lidstaten van de Unie) niet konden worden opgeheven door harmonisering van de wettelijke regelingen. Omdat de opeenvolgende voorstellen van de Commissie schipbreuk leden3., is de juridische figuur van de wederzijdse erkenning in de rechtspraak van het Hof toegepast en door de Commissie zelf gestimuleerd om in het ontbreken van harmonisatie te voorzien.4.
20.
Dat er nog geen werkelijke interne markt met vrij verkeer van edelmetalen werken tot stand is gekomen, is het gevolg van het feit dat veel lidstaten nationale waarborginstellingen hebben die verschillende merktekens en stempelmerken toepassen om de oorsprong en het gehalte ervan te garanderen5.. Die keurmerken dienen ter bescherming van de consumenten, ter voorkoming van fraude en om eerlijke handelsvoorwaarden te waarborgen.
21.
Het scala aan nationale regelingen betreffende edelmetalen werken is zeer divers. Vijftien landen (waaronder Tsjechië en Nederland) kennen een systeem van verplichte merking onder de verantwoordelijkheid van hun officiële waarborginstelling, om aan te geven dat het voorwerp is onderzocht en goedgekeurd. Zeven lidstaten hebben een systeem van vrijwillige merking en vijf hebben helemaal geen systeem.
22.
De meeste technische belemmeringen voor de handel in deze voorwerpen vloeien voort uit het bestaan van een procedure voor controle van het product door een officiële waarborginstelling (‘assay office’) voordat het op de nationale markt in de handel wordt gebracht en uit het vereiste van een verplicht merkteken6., het zogenoemde stempelmerk, dat de fabrikant, het soort metaal en het gehalte ervan aanduidt. De meest gebruikelijke stempelmerken zijn de volgende:
- —
het waarborgstempel van de officiële waarborginstelling (hierna: ‘waarborgstempel’), dat aangeeft dat het voorwerp genoegzaam is onderzocht, en in het algemeen ook het soort metaal en het gehalte ervan vermeldt;
- —
het handtekenmerk van de fabrikant (oorsprong) of van de importeur, dat meestal is geregistreerd in het land waar het edelmetalen werk wordt gecontroleerd;
- —
het gehaltemerk (of metaalwaarmerk)7., dat het soort edelmetaal en het gehalte ervan aangeeft, in karaat of duizendsten;
- —
het gemeenschappelijk keurmerk, ingesteld bij het verdrag inzake het onderzoek en de stempeling van edelmetalen werken, ondertekend te Wenen op 15 november 1972.8.
23.
Gezien de technische belemmeringen als gevolg van de verschillen tussen de nationale regels voor de stempelmerken van edelmetalen werken heeft het Hof op dit gebied zijn rechtspraak betreffende de artikelen 34 tot en met 36 VWEU toegepast, met name met betrekking tot de verplichting tot wederzijdse erkenning van gelijkwaardige stempelmerken.
24.
Het Hof is helder geweest in zijn redenering in de arresten Robertson e.a., Houtwipper, Commissie/Ierland en Juvelta9., waarin het om de intracommunautaire handel in deze goederen ging. De nationale regelingen zijn maatregelen van gelijke werking die van toepassing zijn bij invoer (en derhalve in strijd met artikel 34 VWEU), indien zij voor producten die zijn ingevoerd uit een andere lidstaat, waar zij zijn gewaarmerkt en rechtmatig in het verkeer gebracht, een nieuwe waarmerking voorschrijven in de staat van bestemming, aangezien deze eis de intracommunautaire invoer van deze voorwerpen moeilijker en duurder maakt.
25.
Het Hof heeft echter aanvaard dat bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie het vereiste van stempeling met het nationale waarborgmerk en de niet-erkenning van het stempelmerk van de staat van oorsprong kan worden gerechtvaardigd door de sinds het arrest Cassis de Dijon10. ontwikkelde dwingende eisen van de consumentenbescherming en de eerlijkheid van handelstransacties. Het waarborgmerk zorgt ervoor dat de consument niet op een dwaalspoor wordt gebracht, aangezien het precieze zuiverheidsgehalte van een edelmetalen voorwerp niet met het oog, op het gevoel of aan de hand van het gewicht ervan kan worden vastgesteld.11. Zoals het oude adagium luidt: ‘Het is niet alles goud wat er blinkt’.
26.
Stempeling met het waarborgmerk van de staat van bestemming mag niet worden voorgeschreven wanneer het uit een andere lidstaat ingevoerde voorwerp is voorzien van een stempelmerk dat, ongeacht de vorm ervan, informatie verschaft die gelijkwaardig is aan die van de in de lidstaat van invoer voorgeschreven stempelmerken, en begrijpelijk is voor de consument van die staat.12. Het betreft derhalve een specifieke toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van gelijkwaardige nationale handelsregelingen, waarmee het Hof herhaaldelijk in het ontbreken van harmonisatie van de nationale wetgevingen heeft voorzien om technische belemmeringen voor de intracommunautaire handel op te heffen.
27.
Met betrekking tot de handel (in edelmetalen werken) van de Unie met derde landen zijn er weinig regels en zijn de technische belemmeringen zelfs nog groter dan op de intracommunautaire markt, omdat de nationale rechtsstelsels onderling sterk verschillen. Op deze handel is vanzelfsprekend de algemene regeling van de Wereldhandelsorganisatie en met name de GATT en de overeenkomst inzake technische handelsbelemmeringen van toepassing13.. De Unie heeft in het kader van de gemeenschappelijke handelspolitiek geen overeenkomsten gesloten en in haar verdragen met derde landen ook geen bepalingen opgenomen over de handel in edelmetalen werken.
28.
Met het verdrag inzake het onderzoek en de stempeling van edelmetalen werken, ondertekend te Wenen op 15 november 1972, in werking getreden in 1975, waarbij zeventien lidstaten van de Unie alsmede Zwitserland, Noorwegen en Israël zijn aangesloten (hierna: ‘Verdrag van Wenen’)14., is gepoogd de technische belemmeringen voor de internationale handel in deze producten op te heffen. Voor Tsjechië geldt dit verdrag sinds 1994 en voor Nederland sinds 1999.
29.
Het Verdrag van Wenen voorziet in een minimumharmonisatie van de op de stempelmerken toepasselijke regels, om de wederzijdse erkenning ervan tussen de landen die partij zijn bij het verdrag te bevorderen. De overeenkomstig het verdrag aangewezen nationale waarborginstellingen kunnen het gemeenschappelijk keurmerk afslaan op voorwerpen van goud, zilver of platina nadat zij het gehalte ervan hebben vastgesteld met gebruik van een van de erkende onderzoeksmethoden. Voorwerpen die met het gemeenschappelijk keurmerk15. zijn afgeslagen worden door de verdragsstaat op zijn grondgebied toegelaten zonder aanvullend onderzoek of verdere afslag. Het afslaan met het gemeenschappelijk keurmerk geschiedt op vrijwillige basis en een exporteur heeft de keus of hij zijn nationale waarborginstelling verzoekt om aanbrenging ervan dan wel of hij het voorwerp zonder het keurmerk naar het invoerende land verzendt, dat het erop aanbrengt wanneer het voldoet aan zijn regeling en die van het verdrag. De voorwerpen die zijn voorzien van het gemeenschappelijk keurmerk en de andere drie in het verdrag bedoelde keurmerken worden door de verdragsstaten aanvaard, zonder dat een aanvullend onderzoek of verdere afslag wordt vereist.
30.
De terughoudendheid van sommige Europese staten (vooral die welke officiële waarborginstellingen kennen met een stevige verankering, traditie en ervaring) om toe te treden tot het Verdrag van Wenen heeft geleid tot het sluiten van bilaterale verdragen inzake de wederzijdse erkenning van stempelmerken met derde landen die bijzonder actief zijn in de internationale handel in deze voorwerpen.16.
B — Door de Commissie aan de Tsjechische Republiek verweten niet-nakoming
1. Bestaan van een beperking van het vrije verkeer van goederen
31.
Naar de mening van de Commissie is de praktijk van de Tsjechische Republiek, de stempeling met het Tsjechische waarborgmerk te verlangen voor edelmetalen werken met het stempelmerk WaarborgHolland, een bij de artikelen 34 tot en met 35 VWEU verboden maatregel van gelijke werking bij invoer.
32.
Volgens haar is de rechtspraak van het Hof over de erkenning van stempelmerken onverkort van toepassing op de praktijk van de Tsjechische Republiek, omdat de vrijheid van verkeer zowel van toepassing is op de uit een lidstaat afkomstige goederen als op die uit derde landen die in het vrije verkeer zijn gebracht overeenkomstig artikel 29 VWEU. De Tsjechische Republiek zou niet de waarborgmerken van sommige lidstaten van de Unie kunnen erkennen en de voorwerpen die het stempelmerk WaarborgHolland dragen anders behandelen op grond van het feit dat deze waarborginstelling haar stempelmerk fysiek in derde landen aanbrengt, na de verplaatsing van een aantal van haar activiteiten buiten Nederland en de Unie.
33.
De Tsjechische Republiek brengt hier tegenin dat haar praktijk strookt met artikel 34 VWEU, omdat de wederzijdse erkenning van waarborgmerken alleen zou gelden voor intracommunautaire goederen en voor producten uit derde landen die in de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht, wanneer ze reeds rechtmatig in een lidstaat overeenkomstig zijn nationale wetgeving in de handel zijn gebracht. De in derde landen met de merken WaarborgHolland gestempelde voorwerpen die in de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht en niet rechtmatig in een lidstaat van de Unie in de handel zijn gebracht, komen dus niet in aanmerking voor wederzijdse erkenning, ook al vindt de stempeling van WaarborgHolland buiten de Unie plaats conform de Nederlandse wetgeving.
34.
Het moge mijns inziens in de eerste plaats duidelijk zijn dat de administratieve praktijk van de Tsjechische waarborginstelling aan de Tsjechische Republiek moet worden toegerekend, zodat deze kan worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking, volgens de rechtspraak van het Hof.17.
35.
In de tweede plaats ben ik het niet eens met het (in de precontentieuze fase van de procedure aangevoerde) argument van de Tsjechische Republiek, dat haar praktijk moet worden getoetst aan de regels en de rechtspraak over het vrije verkeer van diensten. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, betreffen de door de Tsjechische Republiek opgelegde beperkingen rechtstreeks de handel in edelmetalen werken en niet het verrichten van diensten van waarmerking. Aangezien het stempelmerk op het voorwerp wordt aangebracht en er deel van uitmaakt, is de Tsjechische praktijk van invloed op het vrije verkeer van goederen en niet van diensten. Het is een zonder onderscheid toepasselijke administratieve praktijk van een lidstaat, die het in de handel brengen van één soort goederen treft.
36.
In de derde plaats voldoet de Tsjechische administratieve praktijk mijns inziens probleemloos aan de door het Hof bij de uitlegging van artikel 34 VWEU vastgestelde definitie van maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking. Iedere handelsregeling van de lidstaten die de handel binnen de Unie al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren, moet als zodanig worden aangemerkt.18.
37.
Als door artikel 34 VWEU verboden maatregelen van gelijke werking zijn volgens het Hof belemmeringen van het vrije goederenverkeer aan te merken die, bij ontbreken van harmonisatie van de wettelijke regelingen, voortvloeien uit de toepassing op goederen uit andere lidstaten, waar zij rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht, van voorschriften betreffende de voorwaarden waaraan die goederen moeten voldoen, ook indien die voorschriften zonder onderscheid op alle producten van toepassing zijn, wanneer deze toepassing niet kan worden gerechtvaardigd door een doel van algemeen belang, dat zou moeten voorgaan boven de eisen van het vrije goederenverkeer.19.
38.
Het vereiste van Tsjechische waarmerking van de met het merk WaarborgHolland afgeslagen voorwerpen maakt het in de handel brengen ervan op het Tsjechische grondgebied moeilijker, doordat het een dubbele stempeling ervan meebrengt. Het verplicht bovendien tot de betaling van een vergoeding aan de waarborginstelling van de staat van bestemming en vertraagt het op de markt brengen, met de daaruit voortvloeiende stijging van de kosten.20.
39.
In beginsel en met de nuancering die ik hierna zal aanbrengen, ziet het verbod van artikel 34 VWEU zowel op de goederen in de intracommunautaire handel als op die uit derde landen die zich in de Unie in het vrije verkeer bevinden. Het Hof heeft wat het vrije verkeer van goederen binnen de Unie betreft, gepreciseerd dat producten in het vrije verkeer definitief en volledig zijn gelijkgesteld met producten van oorsprong uit de lidstaten.21.
40.
De Tsjechische maatregel is derhalve in strijd met artikel 34 VWEU wanneer hij wordt toegepast op in Nederland vervaardigde en in de handel gebrachte edelmetalen werken met het stempelmerk WaarborgHolland. Hij is daarmee eveneens in strijd bij toepassing op dit soort voorwerpen die zijn vervaardigd in derde landen, in één daarvan zijn gestempeld met het merk WaarborgHolland en in een lidstaat van de Unie zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht voordat ze in de Tsjechische Republiek worden ingevoerd.
2. Rechtvaardiging van de beperking
41.
De Tsjechische Republiek, daarin ondersteund door Frankrijk, beroept zich ter rechtvaardiging van haar administratieve praktijk op het dwingende vereiste van consumentenbescherming. Zij meent voorts dat zij voldoet aan het evenredigheidsbeginsel, omdat het niet mogelijk is de in Nederland door WaarborgHolland gestempelde voorwerpen te onderscheiden van de door deze waarborginstelling in derde landen van haar stempelmerk voorziene voorwerpen. Volgens haar verweerschrift hebben haar pogingen om door overleg met WaarborgHolland duidelijke onderscheidingscriteria vast te stellen geen resultaat opgeleverd.
42.
Zoals ik reeds heb uiteengezet, heeft het Hof verklaard dat bij gebreke van harmonisatie op het niveau van de Unie, de stempeling met het nationale waarborgmerk en de niet-erkenning van het stempelmerk van de staat van oorsprong kunnen worden gerechtvaardigd door dwingende eisen van de consumentenbescherming en de eerlijkheid van handelstransacties. De Tsjechische Republiek kan zich volgens dit criterium op de consumentenbescherming beroepen ter rechtvaardiging van de praktijk om het aanbrengen van het Tsjechische stempelmerk te eisen en de stempelmerken van WaarborgHolland te weigeren.
43.
Deze Tsjechische administratieve praktijk vindt evenwel alleen haar rechtvaardiging in de consumentenbescherming indien, cumulatief:
- a)
de stempelmerken WaarborgHolland geen aan de Tsjechische waarborgmerken gelijkwaardige bescherming bieden, en
- b)
deze praktijk voldoet aan het evenredigheidsbeginsel.
a) Gelijkwaardigheid en wederzijdse erkenning van de Tsjechische en de Nederlandse waarborgmerken
44.
Volgens de Commissie bieden het Tsjechische en het Nederlandse waarborgmerk de consumenten een vergelijkbare bescherming. De Tsjechische Republiek zou daarom de wederzijdse erkenning ervan moeten aanvaarden, volgens de rechtspraak van het Hof.22. De Tsjechische autoriteiten betwisten deze stelling van de Commissie in feite niet en aanvaarden de gelijkwaardigheid van hun waarborgmerk en het Nederlandse, echter uitsluitend voor door WaarborgHolland in Nederland gestempelde voorwerpen en niet voor die welke door WaarborgHolland in derde landen worden gestempeld en vervolgens in de Unie in het vrije verkeer worden gebracht en worden ingevoerd in Tsjechië.
45.
De Commissie betoogt dat de wederzijdse erkenning van de Tsjechische en de Nederlandse waarborgmerken niet kan worden uitgesloten op grond dat WaarborgHolland een deel van haar activiteit naar derde landen heeft verplaatst, aangezien de Nederlandse autoriteiten er toezicht op blijven uitoefenen overeenkomstig hun nationale wetgeving. De door WaarborgHolland in Nederland gestempelde voorwerpen en de door haar in derde landen afgeslagen voorwerpen zouden derhalve vergelijkbaar zijn nadat zij in een lidstaat van de Unie in het vrije verkeer zijn gebracht.
46.
De Tsjechische Republiek, daarin ondersteund door Frankrijk, is daarentegen van mening dat er slechts sprake kan zijn van wederzijdse erkenning voor edelmetalen werken wanneer de stempeling met de waarborgmerken op het grondgebied van een lidstaat van de Unie plaatsvindt en niet bij in derde landen gestempelde voorwerpen, ook al wordt dit door een waarborginstelling van een lidstaat gedaan en, naar aannemelijk is, conform de wetgeving van die staat. Deze voorwerpen zouden goederen uit derde landen zijn en daarop zou het beginsel van wederzijdse erkenning niet van toepassing zijn, ook al zijn ze in een lidstaat van de Unie in het vrije verkeer gebracht, behoudens wanneer ze in die staat overeenkomstig de nationale wetgeving ervan in de handel worden gebracht.
47.
Voor de oplossing moet mijns inziens het beginsel van wederzijdse erkenning van waarborgmerken op een aan de verschillende feitelijke situaties aangepaste wijze worden toegepast. In de eerste plaats is het beginsel mijns inziens ten volle van toepassing in het geval van in Nederland vervaardigde en rechtmatig in de handel gebrachte en daarna naar Tsjechië uitgevoerde voorwerpen. In deze omstandigheden is de rechtspraak van het Hof over de wederzijdse erkenning van gelijkwaardige waarborgmerken evident van toepassing.
48.
In de tweede plaats is het beginsel ook van toepassing op de in derde landen vervaardigde en door WaarborgHolland in haar kantoren in China of Thailand van het Nederlandse waarborgmerk voorziene edelmetalen werken, die achtereenvolgens zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in de Unie, rechtmatig in de handel gebracht in Nederland en vervolgens uitgevoerd naar Tsjechië. In die situatie is de wederzijdse erkenning van het Tsjechische en het Nederlandse waarborgmerk weer vanzelfsprekend van toepassing, aangezien de Nederlandse autoriteiten de uit derde landen ingevoerde voorwerpen met de stempelmerken WaarborgHolland zullen hebben getoetst op hun overeenstemming met hun nationale regeling.
49.
In de derde plaats zijn er de edelmetalen werken die zijn vervaardigd in derde landen, door WaarborgHolland in haar kantoren in China of Thailand met het Nederlandse waarborgmerk zijn gestempeld, vervolgens zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in de Unie en rechtmatig in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat dan Nederland, wiens nationale wetgeving voorziet in het gebruik van waarborgmerken die vergelijkbaar zijn met het Tsjechische. In dit geval zou ik willen stellen dat de wederzijdse erkenning op dezelfde wijze moet werken als in het vorige, aangezien de lidstaat van oorsprong de verenigbaarheid van de in een derde land aangebrachte stempelmerken WaarborgHolland met zijn eigen wetgeving zal moeten hebben geverifieerd. Tsjechië moet dan op deze verificatie vertrouwen en de wederzijdse erkenning van de waarborgmerken toepassen op de in die omstandigheden naar zijn grondgebied uitgevoerde voorwerpen.
50.
Er zijn echter drie situaties waarin het beginsel van wederzijdse erkenning (van het Nederlandse en het Tsjechische waarborgmerk) geen toepassing kan vinden, namelijk bij:
- a)
rechtstreeks in Tsjechië ingevoerde voorwerpen;
- b)
door WaarborgHolland in haar kantoren in China en Thailand gestempelde voorwerpen, die zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in een lidstaat van de Unie zonder daar in de handel te zijn gebracht vóór de uitvoer naar Tsjechië, en
- c)
door WaarborgHolland in haar kantoren buiten de Unie gestempelde voorwerpen, die zijn ingevoerd en in het vrije verkeer en in de handel zijn gebracht in een lidstaat van de Unie die geen nationale regeling kent die het gebruik van een waarborgmerk voorschrijft, en daarna naar Tsjechië zijn uitgevoerd.
51.
Met betrekking tot deze drie categorieën rijst de — nog niet definitief beantwoorde — vraag of het door de rechtspraak van het Hof voor de intracommunautaire handel ontwikkelde beginsel van wederzijdse erkenning moet worden toegepast op de uit derde staten ingevoerde goederen.
52.
De Commissie betoogt dat het in het vrije verkeer brengen de ingevoerde voorwerpen die door WaarborgHolland in derde landen zijn voorzien van het Nederlandse merk, in dezelfde positie brengt als de door deze instelling in Nederland afgeslagen voorwerpen. De Tsjechische Republiek stelt daarentegen dat voor de wederzijdse erkenning van de waarborgmerken is vereist dat deze voorwerpen in het vrije verkeer zijn gebracht en bovendien in een lidstaat overeenkomstig zijn nationale wetgeving in de handel zijn gebracht.
53.
Volgens artikel 28, lid 2, VWEU zijn de bepalingen over het vrije verkeer van goederen ‘van toepassing op de producten welke van oorsprong zijn uit de lidstaten alsook op de producten uit derde landen welke zich in de lidstaten in het vrije verkeer bevinden’. Artikel 29 VWEU bepaalt dat ‘[a]ls zich bevindend in het vrije verkeer in een lidstaat worden beschouwd: de producten uit derde landen waarvoor in genoemde staat de invoerformaliteiten zijn verricht en de verschuldigde douanerechten en heffingen van gelijke werking zijn voldaan en waarvoor geen gehele of gedeeltelijke teruggave van die rechten en heffingen is verleend’. Zowel artikel 79 van het communautair douanewetboek als artikel 129 van het gemoderniseerde douanewetboek23., dat van toepassing is sinds 16 april 2016, bepaalt dat niet-communautaire goederen die in het vrije verkeer worden gebracht, daardoor de douanestatus van communautaire goederen verkrijgen.
54.
Deze bepalingen stellen de goederen van de Unie gelijk met die van oorsprong uit derde landen, die na het vervullen van de douane- en handelspolitieke formaliteiten in het vrije verkeer zijn gebracht, hetgeen de rechtspraak van het Hof sinds het arrest Donckerwolke e.a. heeft bevestigd.24. De gelijkstelling garandeert echter voor de uit derde landen ingevoerde en in een lidstaat in het vrije verkeer gebrachte goederen niet zonder meer de volledige vrijheid van verkeer in de overige lidstaten.25. De ingevoerde goederen moeten voldoen aan de wettelijke regeling van de lidstaat waarin zij het voor het eerst in de handel worden gebracht om daarna in aanmerking te kunnen komen voor de volledige vrijheid van verkeer en derhalve voor de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning.26.
55.
Het Hof heeft deze benadering gehandhaafd in het arrest Expo Casa Manta27., waarin het overweegt dat ‘[h]et in de handel brengen […] een fase [is] die volgt op de invoer. Evenals een rechtmatig in de Gemeenschap vervaardigd product niet om die enkele reden op de markt mag worden gebracht, betekent de rechtmatige invoer van een product niet dat dit automatisch tot de markt wordt toegelaten’ en ‘[a]angezien er geen gemeenschapsregeling is die de voorwaarden voor het in de handel brengen van de betrokken producten harmoniseert, kan de lidstaat waar zij in het vrije verkeer worden gebracht, zich tegen het op de markt brengen ervan verzetten, indien zij niet aan de daartoe in het nationale recht gestelde voorwaarden voldoen’.
56.
Die overwegingen van het Hof hebben hun weerslag gevonden in de artikelen 27 tot en met 29 van verordening (EG) nr. 765/200828., die bepaalt welke controles de nationale markttoezicht- en douaneautoriteiten kunnen uitvoeren op de uit derde landen ingevoerde producten voordat deze in het vrije verkeer worden gebracht, om ervoor te zorgen dat de geharmoniseerde Europese normen worden nageleefd. De controles beperken zich tot het opsporen van ernstige risico's voor de gezondheid en de veiligheid, waaronder de namaak van werken van edelmetaal niet is begrepen.
57.
Bovendien brengt de ratio van het beginsel van wederzijdse erkenning mij tot de slotsom dat de toepassing ervan beperkt moet blijven tot:
- a)
de intracommunautaire handel in goederen van oorsprong uit de Unie, die rechtmatig zijn vervaardigd en in de handel gebracht in een lidstaat overeenkomstig zijn nationale recht, en
- b)
de handel in zich in het vrije verkeer bevindende goederen uit derde landen die rechtmatig in de handel zijn gebracht in een lidstaat en naar een andere lidstaat zijn uitgevoerd29..
58.
De keerzijde van hetgeen ik hiervoor heb uiteengezet, is dat importeurs niet in aanmerking kunnen komen voor wederzijdse erkenning voor het in de handel brengen in de Unie van goederen van oorsprong uit derde landen die niet aan de regeling van een lidstaat voldoen30.. Voor de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning in het kader van de internationale handel van de Unie met derde landen is een specifiek internationaal verdrag31. of de opneming van bepalingen ter zake in een meeromvattende handelsovereenkomst nodig, die in overeenstemming zijn met de regels van de Wereldhandelsorganisatie.
59.
Op basis van deze premissen moet worden vastgesteld of de Tsjechische Republiek de toepassing van de wederzijdse erkenning kan weigeren om redenen van bescherming van haar consumenten en de stempeling met haar eigen waarborgmerk kan voorschrijven op de door WaarborgHolland in haar kantoren buiten de Unie afgeslagen voorwerpen. Naar mijn mening en op grond van de voorgaande uiteenzetting heeft zij dit recht in de drie hiervoor besproken gevallen32., waarop de rechtspraak van het Hof over de wederzijdse erkenning van waarborgmerken tussen de lidstaten geen toepassing kan vinden.
60.
Indien het edelmetalen voorwerp aan de nationale regeling van geen enkele lidstaat inzake het in de handel brengen van dit soort goederen (die niet is geharmoniseerd) voldoet of rechtstreeks wordt ingevoerd uit een derde staat, kan het niet voor wederzijdse erkenning van de waarborgmerken in aanmerking komen. Dit beginsel is uitsluitend, ik herhaal het nog eens, toepasselijk op voorwerpen die voldoen aan de regels van een lidstaat wiens wetgeving het gebruik van stempelmerken of andere vergelijkbare mechanismen eist, aangezien het is gebaseerd op het wederzijdse vertrouwen tussen lidstaten in de doeltreffendheid van hun respectievelijke maatregelen om misleiding van de consument met betrekking tot goud- en zilverwerk te voorkomen.
61.
Dat vertrouwen ontbreekt wanneer de handel in edelmetalen voorwerpen plaatsvindt tussen de Unie en derde staten waar het gebruik van de waarborgmerken niet is veralgemeniseerd, met uitzondering van de ondertekenaars van het Verdrag van Wenen. De Unie is geen partij bij dit verdrag, waarbij zich wel zestien van haar lidstaten hebben aangesloten, waaronder Nederland en de Tsjechische Republiek. Het Verdrag van Wenen, dat geen deel uitmaakt van het Unierecht, kan niet als grondslag dienen voor de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning, dat juist zijn oorsprong heeft in het Unierecht.
62.
De Commissie stelt dat ook in die drie gevallen de rechtspraak van het Hof over de wederzijdse erkenning van waarborgmerken moet worden toegepast. Volgens haar voldoen de voorwerpen die uit derde staten worden ingevoerd en in de lidstaten van de Unie in het vrije verkeer worden gebracht, aan de Nederlandse regeling, aangezien WaarborgHolland die regeling bij haar waarmerking in de kantoren in derde staten in acht neemt en haar laboratoria aan een vergelijkbaar toezicht van de Nederlandse autoriteiten onderwerpt als deze over de in Nederland verrichte activiteit uitoefenen. De door de Nederlandse wetgeving geoorloofde verplaatsing van de stempelingsdiensten naar derde staten33. dient niet in de weg staan aan de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning.
63.
De Commissie heeft in dit verband voorts vermeld dat WaarborgHolland beschikt over een door de Nederlandse Raad voor Accreditatie afgegeven certificaat34., op grond waarvan zij haar stempelingsactiviteit buiten het Nederlandse grondgebied mag uitoefenen. Ter terechtzitting heeft de Commissie betoogd dat de Tsjechische autoriteiten overeenkomstig artikel 11, lid 2, van verordening nr. 765/200835. verplicht zijn de gelijkwaardigheid te erkennen van de certificeringen van de conformiteitsbeoordelingsinstanties (in casu WaarborgHolland), die naar behoren zijn gemachtigd door de nationale accreditatieinstelling (in casu, de Raad voor Accreditatie).
64.
De Commissie heeft bovendien gewezen op de toezichtbevoegdheden van de Nederlandse autoriteiten bij de toepassing van hun nationale wetgeving op de activiteit van WaarborgHolland in derde landen, maar zij heeft geen bewijzen met betrekking tot de frequentie en intensiteit van die controles geleverd.
65.
Naar het mij voorkomt volstaan die factoren echter niet om de stelling van de Commissie gegrond te achten. In de eerste plaats werkt de bij verordening nr. 765/2008 voorziene wederzijdse erkenning van de certificeringen door de naar behoren door de nationale accreditatie-instantie geautoriseerde conformiteitsbeoordelingsinstanties alleen wanneer die certificeringen plaatsvinden op het grondgebied van een lidstaat van de Unie. Artikel 7 van verordening nr. 765/2008 staat bij wijze van uitzondering hierop in bepaalde gevallen grensoverschrijdende accreditatie toe, maar noemt de mogelijkheid van buiten het grondgebied van de Unie verrichte certificeringen niet, conform de praktijk volgens welke deze slechts worden aanvaard wanneer de Unie een internationaal verdrag met een derde land heeft gesloten36.. De Unie heeft met China of Thailand geen internationale overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van conformiteitsbeoordelingen gesloten die van toepassing zou zijn op de in die landen door WaarborgHolland aangebrachte stempelmerken.
66.
Voorts kunnen, zoals Tsjechië en Frankrijk hebben betoogd, de controlebevoegdheden van de Nederlandse accreditatieinstelling die toezicht houdt op de activiteiten van de keuringsinstellingen niet dezelfde zijn op het Nederlandse grondgebied en in een derde land. Om fraude met betrekking tot edelmetalen voorwerpen tegen te gaan is administratieve samenwerking nodig tussen de keuringsinstellingen, die fraude opsporen door middel van chemische analyses van de producten, en andere overheidsinstanties (douane- en belastingdiensten, politie en justitie), die de fraude vervolgen en bestraffen. Met de uitoefening van die controlebevoegdheden gaat het eventueel treffen van — noodzakelijkerwijze territoriale — bestuurlijke of strafrechtelijke sanctiemaatregelen gepaard, die de Nederlandse autoriteiten niet in een derde land ten uitvoer kunnen leggen.
67.
De verplichte stempeling is in de landen die haar toepassen een bestuursrechtelijke activiteit verbonden met de uitoefening van overheidsgezag, die zich niet laat rijmen met de mogelijkheid van verplaatsing naar derde staten, tenzij er een internationale overeenkomst bestaat.37.
68.
De bestuursrechtelijke aard van de stempelingsactiviteit garandeert ook een grotere onafhankelijkheid van de keuringsinstellingen ten opzichte van de ondernemingen in de sector waar het de uitoefening van deze activiteit betreft. De verplaatsing naar derde landen kan de onafhankelijkheid in gevaar brengen aangezien, zoals Frankrijk ter terechtzitting heeft opgemerkt, de bestuursrechtelijke bescherming in het derde land mogelijk niet dezelfde is als in de lidstaat van de Unie.
69.
Samenvattend: uitgaande van artikel 34 VWEU en de rechtspraak van het Hof waarin deze bepaling in samenhang met de wederzijdse erkenning van waarborgmerken is uitgelegd, kan de Tsjechische Republiek voorschrijven dat haar eigen waarborgmerk wordt gestempeld op de in derde landen vervaardigde en door WaarborgHolland buiten de Unie met het Nederlandse stempelmerk afgeslagen edelmetalen werken in de volgende drie gevallen:
- —
wanneer zij rechtstreeks in de Tsjechische Republiek worden ingevoerd;
- —
wanneer zij alvorens naar het Tsjechische grondgebied te worden uitgevoerd, zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht, maar niet rechtmatig in de handel gebracht in een andere lidstaat;
- —
wanneer zij zijn ingevoerd, in het vrije verkeer gebracht en rechtmatig in de handel gebracht in een lidstaat die geen stempelmerk gebruikt.
70.
Daarentegen schendt de Tsjechische Republiek, gezien de wezenlijke gelijkwaardigheid tussen het Tsjechische waarborgmerk en het Nederlandse door WaarborgHolland afgeslagen Nederlandse waarborgmerk, artikel 34 VWEU en de uitlegging ervan in de rechtspraak van het Hof, door te eisen dat het Tsjechische stempelmerk wordt afgeslagen op de volgende categorieën van edelmetalen werken:
- —
de in Nederland vervaardigde en rechtmatig in de handel gebrachte voorwerpen met het door WaarborgHolland aangebrachte Nederlandse stempelmerk, die worden uitgevoerd naar de Tsjechische Republiek;
- —
de in derde landen vervaardigde, door WaarborgHolland in haar kantoren buiten de Unie met het Nederlandse stempelmerk afgeslagen voorwerpen, die zijn ingevoerd, in het vrije verkeer gebracht en rechtmatig in de handel gebracht in Nederland en nadien naar de Tsjechische Republiek worden uitgevoerd;
- —
de in derde landen vervaardigde, door WaarborgHolland in haar kantoren buiten de Unie met het Nederlandse stempelmerk afgeslagen voorwerpen, die zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in de Unie en rechtmatig in de handel gebracht in een andere lidstaat dan Nederland, wiens nationale wetgeving voorziet in het gebruik van waarborgmerken die vergelijkbaar zijn met het Tsjechische.
b) Evenredigheid van de maatregel
71.
In de gevallen waarin de Tsjechische Republiek mijns inziens artikel 34 VWEU schendt, moet nog worden vastgesteld of haar praktijk verenigbaar is met het evenredigheidsbeginsel, dit wil zeggen, of er geen andere middelen zijn om de consumenten te beschermen tegen misleiding bij het in de handel brengen van deze voorwerpen, die de intracommunautaire handel minder beperken.38.
72.
Zoals Frankrijk in zijn memorie in interventie opmerkt, was de hantering van een ander dan het op het Nederlandse grondgebied gebruikte stempelmerk door WaarborgHolland bij haar activiteiten in derde landen eventueel een minder beperkend middel geweest. De Tsjechische Republiek had dan de stempeling met het Tsjechische waarborgmerk alleen voor de door WaarborgHolland in haar filialen buiten de Europese Unie afgeslagen voorwerpen kunnen eisen, terwijl zij tegelijkertijd de gelijkwaardigheid van het door WaarborgHolland in Nederland gestempelde Nederlandse waarborgmerk zou erkennen. Deze mogelijkheid is naar het schijnt door de Tsjechische Republiek onderzocht, maar niet door WaarborgHolland aanvaard39., waarop de Tsjechische Republiek, aangezien de door WaarborgHolland in Nederland en in haar kantoren buiten de Unie gestempelde voorwerpen niet van elkaar konden worden onderscheiden, voor alle voorwerpen het Tsjechische waarborgmerk heeft voorgeschreven als voorwaarde voor het in de handel brengen op haar grondgebied.
73.
Deze praktijk voldoet mijns inziens niet aan het evenredigheidsbeginsel, aangezien er middelen zijn die het intracommunautaire handelsverkeer minder beperken, zoals een door de Tsjechische autoriteiten te stellen vereiste van een bewijs van oorsprong van het voorwerp. Dit zou bijvoorbeeld gerealiseerd kunnen worden door te verlangen dat de door WaarborgHolland gestempelde voorwerpen worden voorzien van een oorsprongsmerk dat de plaats van vervaardiging ervan aangeeft.40. Met deze methode hadden de Tsjechische autoriteiten het door WaarborgHolland op de in Nederland vervaardigde voorwerpen aangebrachte stempelmerk kunnen erkennen en tegelijkertijd de stempeling met het Tsjechische stempelmerk slechts hoeven te verlangen voor de door WaarborgHolland in derde landen afgeslagen voorwerpen.
74.
Dit middel zou echter ongeschikt zijn om de door WaarborgHolland in derde landen gestempelde voorwerpen te identificeren die zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in Nederland (of in lidstaten met waarmerksystemen die vergelijkbaar zijn met het Tsjechische) en vervolgens uitgevoerd naar Tsjechië. In deze gevallen kan de importeur het eerdere rechtmatig in de handel brengen in een lidstaat aantonen aan de hand van verschillende bewijsstukken, zoals facturen, etiketten van producten, verkoop- of belastingdocumenten, of een schriftelijke verklaring van de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het product in de handel is gebracht.41. Deze middelen zijn alle minder beperkend voor de handel in edelmetalen werken dan de verplichting tot de afslag van het Tsjechische merk op de door WaarborgHolland gestempelde edelmetalen werken.
IV — Conclusie
75.
In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging:
- ‘1)
het beroep bij gebreke van voldoende precisie niet-ontvankelijk te verklaren voor zover het is gericht tegen de door de Commissie tegen de Tsjechische Republiek aangevoerde grieven betreffende haar weigering de niet door WaarborgHolland gestempelde Nederlandse waarborgmerken te erkennen;
- 2)
het beroep van de Commissie gedeeltelijk toe te wijzen en vast te stellen dat de Tsjechische Republiek de krachtens artikel 34 VWEU op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen door de stempeling met het Tsjechische waarborgmerk te eisen voor edelmetalen werken die:
- —
in Nederland zijn vervaardigd en rechtmatig in de handel gebracht met het door WaarborgHolland aangebrachte Nederlandse stempelmerk, en worden uitgevoerd naar de Tsjechische Republiek;
- —
in derde landen zijn vervaardigd, door WaarborgHolland in haar kantoren buiten de Unie met het Nederlandse stempelmerk zijn afgeslagen, zijn ingevoerd, in het vrije verkeer gebracht en rechtmatig in de handel gebracht in Nederland en nadien naar de Tsjechische Republiek worden uitgevoerd;
- —
in derde landen zijn vervaardigd, door WaarborgHolland in haar kantoren buiten de Unie met het Nederlandse stempelmerk zijn afgeslagen, zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in de Unie en rechtmatig in de handel gebracht in een andere lidstaat dan Nederland, wiens nationale wetgeving voorziet in het gebruik van waarborgmerken die vergelijkbaar zijn met het Tsjechische;
- 3)
het beroep voor het overige te verwerpen;
- 4)
de interveniërende partijen te verwijzen in de eigen kosten.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 03‑05‑2016
Oorspronkelijke taal: Spaans.
Arresten Commissie/Estland (C-39/10, EU:C:2012:282, punten 24–26), Commissie/Spanje (C-211/08, EU:C:2010:340, punt 32), Commissie/Portugal (C-458/08, EU:C:2010:692, punt 49), Commissie/Polen (C-281/11, EU:C:2013:855, punten 121–123), Commissie/Tsjechië (C-343/08, EU:C:2010:14, punt 26) en Commissie/Spanje (C-375/10, EU:C:2011:184, punten 10 en 11).
Proposition de directive du Conseil concernant le rapprochement des legislations des états membres relatives aux ouvrages en metaux precieux (voorstel voor een richtlijn van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgeving in de lidstaten betreffende werken uit edele metalen), COM/1975/607/def. van 1 december 1975 (PB 1976, C 11, blz. 2), ingetrokken in 1977. Voorstel voor een richtlijn van de Raad betreffende werken van edelmetaal, COM(93) 322 def. van 14 oktober 1993, gewijzigd bij Gewijzigd voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende werken van edelmetaal, COM(94) 267 def. van 30 juni 1994 (PB C 209, blz. 4), dat in 2005 is ingetrokken.
Zie het gidsdocument van de Commissie, ‘De toepassing van de verordening betreffende wederzijdse erkenning op werken van edelmetalen’, van 1 februari 2010.
Volgens de beschikbare gegevens betrof 90 % van de 1 524 kennisgevingen van weigering van wederzijdse erkenning in de periode van 13 mei 2009 — de datum van inwerkingtreding van verordening (EG) nr. 764/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van procedures voor de toepassing van bepaalde nationale technische voorschriften op goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, en tot intrekking van beschikking nr. 3052/95/EG (PB L 218, blz. 21) — tot en met 31 december 2011, werken van edelmetaal. Zie document COM(2012) 292 final van 15 juni 2012, Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad, Eerste verslag van de toepassing van verordening nr. 764/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van procedures voor de toepassing van bepaalde nationale technische voorschriften op goederen die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, en tot intrekking van beschikking 3052/95/EG, blz. 8.
Zie de informatie op de website van de International Association of Assay Offices, http://www.theiaao.com/hallmarking/
Volgens de door de Commissie verschafte informatie zijn er in de Unie thans 18 gehalten voor goud, waarvan er slechts twee gemeenschappelijk gelden in alle lidstaten (585 en 750). Voor zilver zijn er 15 nationale gehalten in de gehele Unie en alleen 800 en 925 worden in alle lidstaten erkend. Voor platina kent de Unie 5 gehalten; platina wordt niet als edelmetaal erkend in Bulgarije, Cyprus en Duitsland (Commissie, De toepassing van de verordening betreffende wederzijdse erkenning op werken van edelmetalen, 1 februari 2010, blz. 9).
Zie voor de tekst van het verdrag, die verschillende keren is gewijzigd, en de verdragsstaten, http://www.hallmarkingconvention.org/documents.php
Arresten Robertson e.a. (220/81, EU:C:1982:239), Houtwipper (C-293/93, EU:C:1994:330), Commissie/Ierland (C-30/99, EU:C:2001:346) en Juvelta (C-481/12, EU:C:2014:11).
Arrest Rewe, het zogeheten arrest ‘Cassis de Dijon’ (120/78, EU:C:1979:42).
Zie arresten Robertson e.a. (220/81, EU:C:1982:239, punten 9 en 11) en Houtwipper (C-293/93, EU:C:1994:330, punten 11 en 14).
Arresten Robertson e.a. (220/81, EU:C:1982:239, punt 12), Houtwipper (C-293/93, EU:C:1994:330, punt 15), Commissie/Ierland (C-30/99, EU:C:2001:346, punten 30 en 69) en Juvelta (C-481/12, EU:C:2014:11, punt 22).
Aangezien echter onder de bijzondere uitzonderingen van artikel XX van de Gatt de maatregelen ‘betreffende de in- en uitvoer van goud of zilver’ zijn opgenomen, is het voor de staten eenvoudig hun beperkende nationale regelingen te rechtvaardigen.
De lijst van verdragsstaten en staten met de status van waarnemer (Kroatië, Italië, Servië, Sri-Lanka en Oekraïne) is te vinden op http://www.hallmarkingconvention.org/members-observers.php
Bijlage II bij het Verdrag van Wenen bepaalt dat de voorwerpen behalve het gemeenschappelijk keurmerk moeten zijn gestempeld met het waarborgmerk van het land van herkomst of bestemming, het handtekenmerk van de fabrikant of oorsprongsmerk en het gehaltemerk.
Convention entre le Conseil fédéral suisse et le Gouvernement de la République française relative à la reconnaissance réciproque des poinçons officiels apposés sur les ouvrages en métaux précieux, publiée comme annexe au Décret no 89–216 du 10 avril 1989 (JORF van 14 april 1989. blz. 4741), gesloten op 2 juni 1987 en van kracht sinds 1 mei 1989. Convention entre la Confédération suisse et la République italienne relative à la reconnaissance réciproque des poinçons apposés sur les ouvrages en métaux précieux (RO 1974 753), gesloten op 15 januari 1970 en van kracht sinds 30 maart 1974.
Arresten Commissie/Duitsland (C-387/99, EU:C:2004:235, punt 42) en Commissie/Spanje (C-88/07, EU:C:2009:123, punt 54).
Zie met name arresten Dassonville (8/74, EU:C:1974:82, punt 5), Ker-Optika (C-108/09, EU:C:2010:725, punt 47) en Juvelta (C-481/12, EU:C:2014:11, punt 16).
Zie arresten Robertson e.a. (220/81, EU:C:1982:239, punt 9), Houtwipper (C-293/93, EU:C:1994:330, punt 11), Commissie/Ierland (C-30/99, EU:C:2001:346, punt 26) en Juvelta (C-481/12, EU:C:2014:11, punt 17).
Arresten Houtwipper (C-293/93, EU:C:1994:330, punt 13), Commissie/Ierland (C-30/99, EU:C:2001:346, punt 27) en Juvelta (C-481/12, EU:C:2014:11, punt 18).
Zie in deze zin arresten Tezi Textiel/Commissie (59/84, EU:C:1986:102, punt 26) en UNIC en Uni.co.pel (C-95/14, EU:C:2015:492, punt 41).
Volgens welke een lidstaat artikel 34 VWEU schendt wanneer hij een nieuwe stempeling in de lidstaat van bestemming voorschrijft voor de producten die worden ingevoerd uit andere lidstaten waar zij van een stempelmerk zijn voorzien en rechtmatig in de handel zijn gebracht.
Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302, blz. 1) en verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB L 145, blz. 1).
In dit arrest zet het Hof uiteen dat wat het recht op vrij circuleren binnen de Gemeenschap betreft, producten ‘in het vrije verkeer’ definitief en volledig zijn gelijkgesteld met producten van oorsprong uit de lidstaten. Bovendien heeft het erop gewezen dat deze gelijkstelling meebrengt dat de bepalingen van artikel 30 inzake de afschaffing van kwantitatieve beperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zonder onderscheid gelden voor producten van oorsprong uit de Gemeenschap en voor producten die, ongeacht hun oorsprong, in een van de lidstaten in het vrije verkeer zijn gebracht (arrest Donckerwolke e.a., 41/76, EU:C:1976:182, punten 17 en 18). Zie ook arresten Peureux (119/78, EU:C:1979:66, punt 26), Tezi Textiel/Commissie (59/84, EU:C:1986:102, punt 26), Budéjovicky Budvar (C-216/01, EU:C:2003:618, punt 95) en UNIC en Uni.co.pel (C-95/14, EU:C:2015:492, punt 41).
De kwestie staat in de literatuur ter discussie. Ik noem de studies van Ankersmit, L., ‘What if Cassis de Dijon were Cassis de Quebec? The assimilation of goods of third country origin in the internal market’, Common Market Law Review, 2013, nr. 6, blz. 1387–1410, en Tegeder, J., ‘Applying the Cassis de Dijon doctrine to goods originating in third countries’, European Law Review, 1994, nr. 1, blz. 86–94.
Zie Enchelmaier, S., ‘Article 36 TFEU: General’, in Oliver, Peter (red.), Oliver on the Free Movement of Goods in the European Union, 5e druk, Hart, Oxford, 2010, blz. 233.
Arrest Expo Casa Manta, C-296/00 (EU:C:2002:316, punten 31 en 32) en arrest Alliance for Natural Health e.a. (C-154/04 en C-155/04, EU:C:2005:449, punt 95).
Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218, blz. 30).
In overweging 3 van verordening nr. 764/2008 wordt verklaard dat volgens het beginsel van wederzijdse erkenning, dat voortvloeit uit de rechtspraak van het Hof, ‘een lidstaat de verkoop van producten die in een andere lidstaat rechtmatig in de handel zijn gebracht, op zijn grondgebied niet kan verbieden, zelfs indien deze producten werden vervaardigd overeenkomstig andere technische voorschriften dan die waaraan binnenlandse producten moeten voldoen. Beperkingen die gerechtvaardigd zijn op de in artikel 30 van het verdrag genoemde gronden of op grond van andere dwingende redenen van openbaar belang, en die in verhouding staan tot het nagestreefde doel, vormen de enige uitzonderingen op dat beginsel.’ De Commissie zelf wijst erop dat ‘[u]it derde landen ingevoerde producten […] alleen voor wederzijdse erkenning in aanmerking [kunnen] komen wanneer zij in een lidstaat of in een EVA-land dat partij is bij de EER-Overeenkomst rechtmatig in de handel worden gebracht’ [document COM(2013) 592 final van 18 augustus 2013, Leidraad inzake het begrip ‘rechtmatig in de handel gebracht’ in verordening nr. 764/2008 inzake wederzijdse erkenning, blz. 6].
Volgens Gardeñes Santiago is in de handel met derde staten ‘de toepasselijke regel niet de wederzijdse erkenning, maar juist de tegenovergestelde, namelijk de strikte toepassing van de wettelijke regeling van de staat van invoer of van ontvangst. Dit betekent dat producten of diensten van een derde staat die in de Gemeenschap worden ingevoerd, moeten voldoen aan de geharmoniseerde communautaire normen, voor zover die er zijn, en die van de lidstaat waarin ze worden ingevoerd, en de voldoening aan de regeling van de staat van herkomst niet volstaat’. (Gardeñes Santiago, M., La aplicación de la regla del reconocimiento mutuo y su incidencia en el comercio de mercancías y servicios en el ámbito comunitario e internacional, Eurolex, Madrid, 1999, blz. 314).
De Europese Unie heeft een aantal overeenkomsten inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordelingen gesloten met landen met sterk ontwikkelde economieën zoals de Verenigde Staten, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, Japan, Zwitserland en Israël. Die overeenkomsten en hun toepassingsregelingen kunnen worden geraadpleegd op de website van de Commissie http://ec.europa.eu/growth/single-market/goods/international-aspects/mutual-recognition-agreements/index_en.htm.
Het betreft: a) de in de Tsjechische Republiek ingevoerde en in het vrije verkeer gebrachte voorwerpen; b) de voorwerpen die zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in een lidstaat van de Unie zonder daar op de markt te zijn gebracht, en nadien zijn uitgevoerd naar de Tsjechische Republiek, en c) de voorwerpen die zijn ingevoerd en in het vrije verkeer gebracht in een lidstaat van de Unie die geen nationale regels kent die het gebruik van een waarborgmerk voorschrijven, en vervolgens zijn uitgevoerd naar de Tsjechische Republiek.
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft een zaak beslecht over de toepassing van het Nederlandse recht op dit gebied, waarin de twee waarborginstellingen tegenover elkaar stonden naar aanleiding van de verplaatsing van de activiteit van WaarborgHolland naar derde staten, en deze bij uitspraak van 29 januari 2008 rechtmatig geoordeeld. [Zie ECLI:NL:CBB:2008:BC4052 — LJN BC4052, College van Beroep voor het bedrijfsleven, AWB 07/402 op http://collegevanberoepvoorhetbedrijfsleven.jure.nl/awb%2007/402]. De tekst ervan is in het Engels beschikbaar op http://www.hallmarking.com/downloads/decision_by_the_netherlands_and_industry_appeals_tribunal_ewn_versus_min_ea.pdf
Zo heeft zij in antwoord op een vraag van het Hof meegedeeld.
Het luidt letterlijk: ‘De nationale autoriteiten erkennen de gelijkwaardigheid van de diensten die worden geleverd door de accreditatie-instanties die met succes de collegiale toetsing uit hoofde van artikel 10 hebben doorlopen, en aanvaarden daarbij op basis van het in lid 1 van dit artikel genoemde vermoeden de accreditatiecertificaten van die instanties en de verklaringen die de door hen geaccrediteerde conformiteitsbeoordelingsinstanties afgeven.’
Zie bijvoorbeeld de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Australië tot wijziging van de Overeenkomst inzake wederzijdse erkenning van overeenstemmingsbeoordeling, certificaten en markeringen tussen de Europese Gemeenschap en Australië (PB 2012, L 359, blz. 2).
Dit rechtvaardigt mijns inziens de afwijzing van de staten die partij zijn bij het Verdrag van Wenen van de zogenoemde ‘offshore hallmarking’ of verplaatsing van de activiteiten van keuringsinstellingen. Alle partijen bij dit verdrag, met uitzondering van Nederland, hebben zich tegen aanvaarding van de verplaatsing verzet tijdens de bijeenkomst van het permanente comité van het verdrag in 2008 in Londen (http://www.hallmarkingconvention.org/2008-spring-meeting-in-london-2.htm en document PMC/SR 2/2008, van 16 mei 2008, blz. 6).
Arrest Ker-Optika (C-108/09, EU:C:2010:725, punt 65).
Volgens WaarborgHolland zou het gebruik van een specifiek stempelmerk dat verschilt van het Nederlandse (in haar kantoren in derde staten) leiden tot een verlies van de handelswaarde verbonden met de goede naam van haar waarborgmerk op de markt. Gelet hierop zal zij de verplaatsing van haar contractactiviteit wellicht niet opportuun hebben gevonden.
Het vereiste van een oorsprongsmerk is gebruikelijk en is bijvoorbeeld opgenomen in het Verdrag van Wenen.
De Commissie noemt deze en andere bewijsmiddelen in haar document COM(2013) 592 final van 18 augustus 2013, Leidraad inzake het begrip ‘rechtmatig in de handel gebracht’ in verordening nr. 764/2008 inzake wederzijdse erkenning, blz. 7.