Levering en verpanding van toekomstige goederen
Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/6.2.2:6.2.2 Prioriteitsregel
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/6.2.2
6.2.2 Prioriteitsregel
Documentgegevens:
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS479317:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 3. Zie hierover ook Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/31; en Snijders & Rank-Berenschot 2012/66 en 461.
Vgl. TM, Parl. Gesch. Boek 5, p. 3. Vgl. ook art. 3:21 lid 1 BW voor registergoederen.
Vgl. MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 403.
Vgl. HR 11 februari 1994, NJ 1994/651, m.nt. H.J. Snijders (Van Kooten/Wilmink).
Vgl. Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/315 en 320.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/254; en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/782.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
246. De regel van art. 3:97 lid 2 BW is te beschouwen als een toepassing van het goederenrechtelijke prioriteitsbeginsel dat een ouder recht voor het jongere recht gaat (prior tempore, potior iure). Dit beginsel is een erkend uitgangspunt van het goederenrecht, hoewel een codificatie ontbreekt.1 Het prioriteitsbeginsel is – voor de onderlinge verhouding van volledige of beperkte rechten op hetzelfde goed – wel verklaard uit het adagium dat men niet meer rechten kan verlenen dan men zelf heeft (nemo plus iuris adalium transferre potest quam ipse habet). De verkrijger van het oudere recht kan aldus aan de verkrijger van het jongere recht tegenwerpen dat de vervreemder ten aanzien van de tweede overdracht of vestiging (gedeeltelijk) beschikkingsonbevoegd was.2 Deze verklaring schiet echter tekort ten aanzien van de dubbele levering bij voorbaat. Een levering bij voorbaat maakt de vervreemder immers nog niet onbevoegd om nogmaals bij voorbaat over hetzelfde goed te beschikken, nu de rechtsovergang ten gevolge van de eerste levering bij voorbaat nog niet tot stand is gekomen. Mede om deze reden heeft de wetgever ervoor gekozen de prioriteitsregel ten aanzien van de levering bij voorbaat uitdrukkelijk wettelijk te verankeren in art. 3:97 lid 2 BW.3 Een vergelijkbare uitbreiding van de prioriteitsregel is te vinden in art. 3:21 lid 2 BW ten aanzien van onderling onverenigbare inschrijvingen in de openbare registers. In die gevallen wordt de prioriteit bepaald aan de hand van het tijdstip van het opmaken van de aangeboden akte. Art. 3:97 lid 2 BW is ook verwant aan art. 3:298 BW dat in de onderlinge (verbintenisrechtelijke) verhouding van twee botsende rechten op levering van hetzelfde goed als vuistregel prioriteit verleent aan het oudste recht op levering.4 Ook hier is aansluiting gezocht bij de goederenrechtelijke prioriteitsregel.5
Wordt hetzelfde toekomstige goed verscheidene malen bij voorbaat geleverd, dan zal bij verkrijging van het goed door de vervreemder de eerste levering bij voorbaat tot een automatische overdracht leiden.6 Bij een meervoudige vestiging bij voorbaat van een pandrecht, volgt uit art. 3:98 jo. 3:97 lid 2 BW dat de pandrechten onderling rang nemen naar het tijdstip van het verrichten van de vestigingshandeling.7 Een samenloop van zowel een levering als vestiging bij voorbaat ten aanzien van hetzelfde toekomstige goed werkt op een overeenkomstige wijze uit. Is het toekomstige goed eerst bij voorbaat geleverd, dan verkrijgt deze verkrijger het goed vrij van het bij voorbaat gevestigd pandrecht. Dit latere recht werkt immers niet ten opzichte van de eerdere verkrijger bij voorbaat. De automatische overdracht van het goed maakt de vervreemder beschikkingsonbevoegd in zijn verhouding tot de pandhouder bij voorbaat, waardoor het beperkte recht niet tot stand komt. In het spiegelbeeldige geval dat de vestiging bij voorbaat is geschied voordat het goed aan een ander bij voorbaat is geleverd, leidt de verkrijging van het goed door de vervreemder tot de vestiging van het pandrecht, alsmede een overdracht van het goed in bezwaarde toestand. De verkrijger van het pandrecht hoeft de latere levering ingevolge art. 3:98 jo. 3:97 lid 2 BW niet tegen zich te laten gelden. Hij verkrijgt aldus een pandrecht op het goed. Het pandrecht is echter niet onverenigbaar met de verkrijging van hetzelfde goed door de latere verkrijger bij voorbaat. De latere verkrijger bij voorbaat zal het eerder bij voorbaat gevestigde pandrecht tegen zich moeten laten gelden. Hij verkrijgt het goed aldus bezwaard met het bij voorbaat gevestigde pandrecht.8