Ktr. Zwolle-Lelystad, 15-06-2010, nr. 500628 HA VERZ 10-124
ECLI:NL:RBZLY:2010:BN0592
- Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad (Kantonrechter)
- Datum
15-06-2010
- Magistraten
Mr. W.F. Boele
- Zaaknummer
500628 HA VERZ 10-124
- LJN
BN0592
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBZLY:2010:BN0592, Uitspraak, Rechtbank Zwolle-Lelystad (Kantonrechter), 15‑06‑2010
Uitspraak 15‑06‑2010
Mr. W.F. Boele
Partij(en)
Beschikking op een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst
in de zaak van:
[EISENDE PARTIJ],
wonende te [woonplaats],
verzoekende partij, verder te noemen: ‘[eisende partij]’,
gemachtigde mr. S.G.M. van Veldhuizen, verbonden aan FNV Bouw te Woerden,
tegen
de besloten vennootschap [GEDAAGDE PARTIJ] B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
verwerende partij, verder te noemen: ‘[gedaagde partij]’,
verschenen bij haar directeur.
De procedure
De kantonrechter heeft kennis genomen van:
- —
het verzoekschrift d.d. 13 april 2010 met aangehechte producties,
- —
het verweerschrift d.d. 31 mei 2010 met aangehechte producties,
- —
de door [eisende partij] op 31 mei 2010 nader ingezonden producties,
- —
de op 1 juni 2010 door [gedaagde partij] overgelegde aanvulling op het verweerschrift,
- —
de op 1 juni 2010 door [eisende partij] nader overgelegde producties en
- —
de twee ter zitting door [gedaagde partij] overgelegde foto's.
De mondelinge behandeling is gehouden op 1 juni 2010. Verschenen zijn:
- —
[eisende partij], vergezeld door mr. Van Veldhuizen.
- —
namens [gedaagde partij] haar directeur, de heer E. [gedaagde partij].
[eisende partij] en [gedaagde partij] hebben op deze zitting hun standpunten doen toelichten ([eisende partij] aan de hand van pleitaantekeningen, die aan de kantonrechter zijn overgelegd) respectievelijk toegelicht en geantwoord op vragen van de kantonrechter.
Het geschil
[eisende partij] heeft verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [gedaagde partij] wegens gewichtige redenen onder toekenning van een vergoeding naar billijkheid van € 41.811,58 bruto, rekening houdende met de voor [eisende partij] geldende fictieve opzegtermijn.
[gedaagde partij] heeft zich niet verzet tegen een ontbinding. Zij heeft wel de toekenning bestreden van een vergoeding naar billijkheid.
Vaststaande feiten
Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) gemotiveerd betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:
- a.
[gedaagde partij] drijft een transportbedrijf in de ruimste zin des woords.
- b.
[eisende partij], geboren op [datum], is ooit werkzaam geweest als dakdekker, voor welk werk hij op 25 januari 1988 blijvend is uitgevallen. [eisende partij] ontvangt sindsdien een WAO-uitkering.
- c.
[eisende partij] is per 7 mei 1990 bij [gedaagde partij] in dienst getreden in de functie van chauffeur op basis van een aanstelling van 40 uur per week. Vanwege [eisende partij] beperkingen en het daardoor niet volledig productief kunnen zijn van [eisende partij], is door het Sociaal Fonds Bouwnijverheid aan [gedaagde partij] een loondispensatie toegekend voor 16 uur per week. [eisende partij] werkte daardoor volledig doch met een mindere loonwaarde.
- d.
Het dienstverband tussen [gedaagde partij] en [eisende partij] is een aantal maal in de winterperiode gedurende circa 3 maanden onderbroken geweest.
- e.
[eisende partij] is wegens toenemende lichamelijke klachten in de periode van 22 november 1999 tot 10 mei 2001 arbeidsongeschikt geweest. [eisende partij] is daarna in de periode van 3 september 2001 tot 8 april 2002 opnieuw volledig arbeidsongeschikt geweest.
- f.
[gedaagde partij] heeft ten behoeve van de door [eisende partij] te verrichten arbeid en de door hem in toenemende mate ondervonden beperkingen in oktober 2001 een (zand)vrachtauto aangeschaft die voorzien was van een volautomatische versnellingsbak, van een aangepaste ergonomische stoel en van ladingkleppen die hydraulisch kunnen worden gesloten.
- g.
In de periode van 16 tot en met 23 oktober 2002 is [eisende partij] wederom volledig uitgevallen, waarna hij zich op 9 december 2002 ziek heeft gemeld. [eisende partij] heeft daarop 8 juni 2003 hervat, maar is op 11 augustus 2003 opnieuw volledig arbeidsongeschikt geraakt. [eisende partij] heeft daarna niet meer voor [gedaagde partij] gewerkt.
- h.
[gedaagde partij] heeft de doorbetaling van loon per 9 augustus 2004 gestaakt. Daartegen is [eisende partij] niet opgekomen.
- i.
In het kader van de herbeoordeling van [eisende partij]s aanspraken op een WAO-uitkering heeft de arbeidsdeskundige van het UWV — de heer [S] — op 18 augustus 2004 een rapport uitgebracht waarin hij onder meer heeft verwoord: ‘Hoewel zowel werkgever als werknemer stellen dat herplaatsing waarschijnlijk niet mogelijk is, heb ik beide partijen dringend geadviseerd zich alsnog te beraden. Het is aannemelijk dat verzekerde, zeker de laatste jaren, niet heeft gewerkt conform de indertijd met de arbeidsdeskundige gemaakte afspraken (zie ook de arbeidsdeskundige rapportage d.d. 9 maart 1990). Het werk dat verzekerde laatstelijk uitvoerde, kan zonder meer als te zwaar worden beschouwd. In dat werk diende hij nl. ook de vrachtauto te onderhouden en schoon te maken. Bovendien moest hij regelmatig op de vrachtauto klauteren om resten lading te verwijderen.’ Vanwege spanningsklachten heeft de verzekeringsarts [eisende partij] echter volledig arbeidsongeschikt geacht voor zijn arbeid bij [gedaagde partij].
- j.
Bij beslissing van 27 augustus 2004 heeft het UWV de WAO-uitkering van [eisende partij] naar de klasse van 35 tot 45% met ingang van 19 oktober 2004 ingetrokken, zulks vanwege de beoordeelde resterende verdiencapaciteit. Na bezwaar tegen beslissing van zowel [eisende partij] als [gedaagde partij] heeft UWV in het najaar van 2005 deze beslissing herzien en de WAO-uitkering met ingang van 19 oktober 2004 verlaagd naar de klasse van 15 tot 25%.
- k.
[gedaagde partij] heeft op 28 december 2005 aan het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) om toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst op te zeggen, zulks in verband met [eisende partij]s arbeidsongeschiktheid voor meer dan twee jaar en het ontbreken van passende arbeid.
- l.
In opdracht van het CWI heeft daarop een arbeidsdeskundige van het UWV — wederom de heer [S] — een onderzoek verricht naar het al dan niet bij [gedaagde partij] voorhanden zijn van mogelijkheden tot het verrichten van [eisende partij]s eigen (aangepast) werk dan wel ander passend werk. [eisende partij] heeft daarbij gesteld bij [gedaagde partij] te kunnen functioneren indien hij gedurende 24 uur per week een aangepaste vrachtwagen bestuurt, zonder extra werkzaamheden zoals het aanbrengen van dekkleden, schoonmaak en onderhoud. De arbeidsdeskundige heeft na onderzoek van de hiervoor sub f. bedoelde vrachtauto en na overleg met de verzekeringsarts geconcludeerd dat [eisende partij] in staat geacht wordt ‘tot het verrichten van de indertijd (1990) overeengekomen werkzaamheden bij werkgever [gedaagde partij] b.v.’. De bevindingen van de arbeidsdeskundige zijn bij brief van 16 maart 2006 aan [gedaagde partij] meegedeeld.
- m.
Bij beslissing van 19 mei 2006 heeft het CWI de door [gedaagde partij] verzochte toestemming geweigerd, waartoe zij — onder meer — heeft overwogen: ‘In overweging nemend hetgeen door partijen en de arbeidsdeskundige van UWV is ingebracht kan ik alles overziend geen helderheid verkrijgen of werkgever betrokkene inderdaad een reële kans heeft geboden de aangepaste werkzaamheden conform de eerder gemaakte afspraken te verrichten. Het ontbreekt mij informatie waaruit dit blijkt en ook heeft werkgever diens stelling dat het parttime inzetten van werknemer organisatorisch gezien niet mogelijk is, niet nader onderbouwd. Voor dit moment is derhalve in onvoldoende mate aannemelijk geworden dat werkgever niet de mogelijkheid heeft om werknemer thans of binnen zesentwintig weken in een aangepaste of passende functie binnen de onderneming te herplaatsen.’
- n.
Bij brief van zijn gemachtigde d.d. 16 juni 2006 heeft [eisende partij] zich beschikbaar gesteld voor het verrichten arbeid, te weten passend arbeid ‘mits de afspraken die daarover in 2004 reeds zijn gemaakt, door [[gedaagde partij]] worden nagekomen.’ [gedaagde partij] heeft daar bij brief van 21 juni 2006 op geantwoord — geparafraseerd — dat zij geen afspraken van 2004 kent en dat zij niet loonbetaling zal overgaan.
- o.
Bij aan [gedaagde partij] gerichte brief van zijn gemachtigde d.d. 4 augustus 2006 heeft [eisende partij] zijn beschikbaarheid herhaald, in welke brief voorts [gedaagde partij] wordt gevraagd te bevestigen dat er voor [eisende partij] geen plek meer is, zodat er volgens [eisende partij] niet aan een afvloeiingsregeling kan worden ontkomen. Bij brief van 20 september 2006 heeft [eisende partij] zijn beschikbaarheid voor arbeid herhaald en aanspraak gemaakt op betaling van loon.
- p.
Bij brief van 28 september 2006 heeft [gedaagde partij] geantwoord dat haars inziens binnen haar onderneming voor [eisende partij] geen mogelijkheden meer aanwezig zijn voor het verrichten van werkzaamheden en dat [eisende partij]s gemachtigde ook bij brief van 9 september 2004 heeft gevraagd om spoedige invulling van de formulieren ten behoeve van een WW-aanvraag en om een bevestiging dat er binnen [gedaagde partij]s onderneming geen plaatsingsmogelijkheden meer bestaan. [gedaagde partij] heeft er voorts op gewezen dat het plan van aanpak tot [eisende partij]s reïntegratie een groot risico op hernieuwde uitval aangeeft.
- q.
Bij brief van 20 maart 2007 heeft de gemachtigde van [eisende partij] aan [gedaagde partij] bericht dat door toedoen van [gedaagde partij] de arbeidsverhouding verstoord is geraakt en dat [eisende partij] om die reden een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal doen doch dat hij bereid is tot overleg over een minnelijke regeling. [gedaagde partij] heeft bij brief van 10 april 2007 op een en ander afwijzend gereageerd.
- r.
Na voormeld antwoord van [gedaagde partij] d.d. 10 april 2007 is niet meer tussen partijen gecorrespondeerd.
- s.
[eisende partij] werkt sinds eind 2006 — incidenteel — elders als chauffeur.
Het verzoek
[eisende partij] heeft — samengevat — het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd.
Aan de arbeidsrelatie dient een einde te komen nu deze volledig verstoord is geraakt en deze tot een lege huls is geworden. Ondanks de duidelijke afwijzing van [gedaagde partij]s verzoek om toestemming aan het CWI, is [gedaagde partij] blijven weigeren om [eisende partij] tewerk te stellen. Na die weigering zijn drie jaren verstreken waarin partijen geen contact meer hebben gehad. Een ontbinding is dan ook onontkoombaar. Er zijn echter meerdere gronden voor de toekenning van een vergoeding naar billijkheid. Het dienstverband heeft twintig jaar geduurd. [gedaagde partij] heeft zich niet als een goed werkgever gedragen door [eisende partij] te zware werkzaamheden te laten verrichten, wat tot de fysieke en psychische arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] heeft geleid. De verhoudingen zijn daardoor verstoord geraakt. [gedaagde partij] heeft de reïntegratie belemmerd door onvoldoende reïntegratie-inspanningen te verrichten. [gedaagde partij] heeft zonder nader overleg abrupt een verzoek aan het CWI gedaan. Na de afwijzing door het CWI heeft [gedaagde partij] nagelaten om [eisende partij] op te roepen voor overleg en het verzoek om wedertewerkstelling categorisch afgewezen. [gedaagde partij] heeft voorts het dienstverband laten voortslepen, wat oneigenlijk is gezien haar weigering om [eisende partij] tewerk te stellen. [gedaagde partij] heeft tot slot door de oneigenlijke voortzetting verhinderd dat zij tot eindafrekening hoefde over te gaan, welke afrekening overigens nog in een separate procedure aan de orde zal worden gesteld. Aan [eisende partij] behoort dan ook een vergoeding te worden toegekend conform de kantonrechtersformule onder toepassing van de C-factor op 1, te stellen op een bedrag van € 41.811,59 bruto. Bij de ontbinding dient tot slot rekening te worden gehouden met de voor [eisende partij] geldende fictieve opzegtermijn.
Het verweer
[gedaagde partij] heeft — samengevat — het volgende ter afwering aangevoerd.
Het verzoek van [eisende partij] tot ontbinding kan worden ingewilligd. Een ontbindingsvergoeding is niet op zijn plaats, mede gelet op de huidige bedrijfseconomische situatie van de onderneming.
[gedaagde partij] heeft zich altijd voor [eisende partij] ingespannen. Zo heeft zij in 2001 speciaal voor [eisende partij] een aangepaste (zand)vrachtauto aangeschaft, waarmee [eisende partij] — ook volgens de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige — zijn werkzaamheden zou moeten kunnen doen. [eisende partij] heeft echter vanaf 22 november 1999 nauwelijks meer voor [gedaagde partij] gewerkt. In de periode van 8 juni 2003 tot 11 augustus 2003 heeft [eisende partij] enkel gewerkt met die speciaal voor hem aangeschafte auto, terwijl ook toen bleek dat [eisende partij] zijn werkzaamheden niet kon volhouden. Het UWV — met name arbeidsdeskundige [S] — heeft meermalen onjuiste informatie voor juist gehouden en onjuiste informatie doorgegeven. Tot augustus 2004 was het standpunt dat het werk voor [eisende partij] fysiek niet meer mogelijk was, terwijl in augustus 2004 plotsklaps werd gesteld dat er een verstoorde verhouding aan de orde zou zijn en de WAO-uitkering van [eisende partij] werd ingetrokken. De gemachtigde van [eisende partij] heeft nog in september 2004 aan [gedaagde partij] gevraagd om te bevestigen dat [eisende partij] bij [gedaagde partij] geen arbeidsmogelijkheden zou hebben. Vervolgens werd in maart 2006 gesteld dat [eisende partij] voor 24 uren zou kunnen hervatten. [eisende partij] had echter een dienstverband van 40 uren met een loondispensatie voor 16 uren, dat willen zeggen 40 uur werken met een productie van 60%. [eisende partij] heeft voorts onjuiste informatie verspreid door te stellen dat de ergonomische stoel in de vrachtauto niet zou voldoen, wat ook volgens de arbeidsdeskundige onjuist was. Nu aan de auto en aan de werkzaamheden niets was veranderd en de klachten van [eisende partij] sinds 2001 onveranderd waren, is niet te begrijpen dat [eisende partij] zou kunnen hervatten. Evenmin is te begrijpen dat [eisende partij] [gedaagde partij] zoveel verwijten maakt. [gedaagde partij] heeft zich altijd loyaal naar [eisende partij] opgesteld. Voor een vergoeding is dan ook geen reden.
De beoordeling
1.
Nu het verzoek tot ontbinding is gedaan door [eisende partij] als werknemer en de in de artikel 7:670 BW neergelegde opzegverboden zich richten tot een werkgever, staat een (eventuele) (situatieve) ongeschiktheid van [eisende partij] voor zijn werk niet aan een inwilliging van het verzoek in de weg.
2.
Uit de tekst van artikel 7:685 BW vloeit voort dat ieder van partijen zich altijd tot de kantonrechter kan wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Zo'n verzoek moet daarbij steunen op gewichtige redenen, zijnde dringende redenen als bedoeld in artikel 7:677, lid 1, BW dan wel veranderingen in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
3.
Hoewel kan worden betwijfeld, gezien de omstandigheden dat [eisende partij] al vanaf 11 augustus 2003 geen arbeid meer voor [gedaagde partij] heeft verricht en dat partijen kennelijk — in ieder geval vanaf april 2007 — hebben berust in die inactiviteit, of in dit geval thans sprake is van veranderingen in voormelde zin, begrijpt de kantonrechter wel uit het verzoek dat [eisende partij] niet (meer) bereid is om in de toekomst arbeid voor [gedaagde partij] te verrichten. Die houding, gevoegd bij het (immateriële) belang dat een werknemer kan hebben bij het eindigen van een tot lege huls verworden arbeidsrelatie, vormt een voldoende relevante verandering in de omstandigheden die een ontbinding rechtvaardigt. Voorts geldt dat partijen — ieder om eigen redenen — het er over eens zijn dat een vruchtbare voorzetting van de arbeidsovereenkomst niet meer te verwachten is. Een en ander moet ook worden aangemerkt als een zodanige wijziging van de omstandigheden dat deze een gewichtige reden vormt voor ontbinding. Dit leidt ertoe dat de kantonrechter het voornemen heeft de overeenkomst te ontbinden per 1 juli 2010, waarbij er geen reden is om met de door [eisende partij] gestelde fictieve opzegtermijn, wat daar verder in zijn specifieke omstandigheden ook van zij, rekening te houden.
4.
Wat betreft de vraag of er gronden zijn om aan [eisende partij] ten laste van [gedaagde partij] een vergoeding toe te kennen, wordt het navolgende overwogen.
4.1
Anders dan [eisende partij] heeft betoogd, is naar het oordeel van de kantonrechter in onvoldoende mate aannemelijk geworden dat [gedaagde partij] een relevant verwijt treft van de zich vanaf november 1999 voordoende arbeidsongeschiktheid van [eisende partij]. Uit de overgelegde stukken heeft de kantonrechter niet (voldoende) kunnen afleiden dat de al vanaf januari 1988 bij [eisende partij] bestaande beperkingen zijn verergerd door omstandigheden waarvan [gedaagde partij] een verwijt valt te maken. In de arbeidsdeskundige rapportages van 18 augustus 2004 en 16 maart 2006 is weliswaar gesteld dat [eisende partij] bij [gedaagde partij] onder te zware omstandigheden zou hebben moeten werken, maar dat verwijt is immer gemotiveerd door [gedaagde partij] bestreden. Die stelling laat zich ook moeilijk rijmen met het uitgangspunt voor partijen dat [eisende partij] in 40 uren slechts een bijbehorende productie van 60% behoefde te realiseren. In ieder geval is onvoldoende onderbouwde informatie overgelegd die steun geven aan deze stelling, in het bijzonder voor de omstandigheid dat omstreeks augustus 2004 (ook) [eisende partij]s psychische klachten aan een arbeidsgeschiktheid in de weg stonden, terwijl hij vanwege fysieke beperkingen per 11 augustus 2003 is uitgevallen.
4.2
Anders dan [eisende partij] meent, is er naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende aanleiding om [gedaagde partij] een verwijt te maken van het uitblijven van een reïntegratie, althans van inspanningen daartoe.
- A.
Gesteld noch gebleken is wat [eisende partij] daartoe in de periode tot het verzoek van [gedaagde partij] d.d. 28 december 2005 aan het CWI om toestemming voor opzegging van het dienstverband (vergeefs) heeft ondernomen. In de overgelegde stukken heeft de kantonrechter slechts kunnen ontdekken dan dat [eisende partij] zich tot dat moment onveranderd volledig arbeidsongeschikt beschouwde.
- B.
[gedaagde partij] heeft daarbij voldoende onderbouwd aangevoerd dat [eisende partij] in de periode van 8 juni 2003 tot 11 augustus 2003 slechts beperkt heeft gewerkt en dan nog alleen met de speciaal voor hem aangeschafte (zand)vrachtauto. Vaststaat dat [eisende partij] dat werk (fysiek) niet (meer) kon volhouden. Uit de rapportage d.d. 16 maart 2006 blijkt duidelijk dat die vrachtwagen met de daarin en daaraan aangebrachte voorzieningen als adequaat zijn aangemerkt, terwijl gesteld noch gebleken is dat toen van [eisende partij] nog schoonmaken van de ladingbak werd verlangd, zodat het de kantonrechter niet duidelijk is geworden wat [gedaagde partij] meer had moeten / kunnen doen.
- C.
Uit laatstgemelde arbeidsdeskundige rapportage en uit de afwijzende beslissing van het CWI d.d. 19 mei 2006 moest [gedaagde partij] weliswaar afleiden dat zij — opnieuw — moeite moest doen om [eisende partij] te herplaatsen, maar dat over zo'n herplaatsing bij [gedaagde partij] ten minste onduidelijkheid en wellicht verwarring bestond, valt wel te begrijpen. [eisende partij] had zich immers tot januari 2006 in die zin stil gehouden en zelfs in september 2004 nog — via zijn gemachtigde — aan [gedaagde partij] om een bevestiging gevraagd als beschreven in de vaststaande feiten sub p. Daarbij stelde [eisende partij] zich vanaf januari 2006 op het standpunt dat de vrachtwagen niet zou voldoen, terwijl [gedaagde partij] — gezien het oordeel daarover van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige van het UWV — het tegendeel mocht menen. Voorts meende [eisende partij] dat zijn herplaatsing niet verder behoefde te strekken dan 24 uur per week, terwijl hij in beginsel geacht werd — gezien zijn verminderde loonwaarde — 40 uren voor [gedaagde partij] actief te zijn. [gedaagde partij] heeft die aspecten in voldoende duidelijke bewoordingen in haar brieven van 21 juni 2006 en 28 september 2006 aan de orde gesteld, waarop [eisende partij] echter niet inhoudelijk is ingegaan.
- D.
Vastgesteld moet worden dat [eisende partij] na zijn brief van 16 juni 2006 niet meer op overleg ter zake heeft aangedrongen doch daarna enkel aanspraak heeft gemaakt op een tewerkstelling ‘conform afspraken uit 2004’ althans een afvloeiingsregeling (brief van 4 augustus 2006), op een tewerkstelling en loonvordering (brief van 20 september 2006) en op een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een vergoeding (brief van 20 maart 2007).
Gelet op een en ander en gezien [eisende partij]s stilzitten sinds maart 2007 is er geen reden om aan [gedaagde partij] het uitblijven van een reïntegratie te verwijten, althans aan [gedaagde partij] meer dan aan [eisende partij] kan worden gedaan.
4.3
[gedaagde partij] treft evenmin een verwijt dat zij in december 2005 een verzoek aan het CWI heeft gedaan ter verkrijging van toestemming om het dienstverband op te zeggen, niet in de laatste plaats omdat buiten discussie is dat [eisende partij] op dat moment al meer dan twee jaren niet meer voor [gedaagde partij] had gewerkt. Er is evenmin grond gebleken voor de verwijten dat [gedaagde partij] ‘bewust het dienstverband met [eisende partij] heeft laten voortduren’, ‘ten onrechte heeft geweigerd om enige voorziening te treffen in verband met de beëindiging van het dienstverband’, ‘door het laten voortduren van het dienstverband het entameren van een bodemprocedure ter verkrijging van zo'n financiële voorziening ten onrechte onmogelijk heeft gemaakt’ en ‘bewust heeft verhinderd dat tot een eindafrekening kon worden overgegaan’.
4.4
De kantonrechter is dan ook niet tot de conclusie kunnen komen dat in de gegeven omstandigheden, de leeftijd, de duur van het dienstverband en de andere persoonlijke omstandigheden van [eisende partij] daaronder begrepen, het redelijk en billijk is dat het verzoek slechts kan worden ingewilligd indien en voor zover aan [eisende partij] een vergoeding als bedoeld in artikel 7:685, achtste lid, BW wordt toegekend. Zo'n vergoeding zal dan ook niet worden bepaald.
5.
Bovenstaande beslissing brengt mee dat [eisende partij] in overeenstemming met het tiende lid van artikel 7:685 BW de gelegenheid moeten krijgen zijn verzoek in te trekken.
6.
Ongeacht of het verzoek wordt gehandhaafd dan wel ingetrokken, bestaat er aanleiding om de proceskosten te compenseren als nader in het dictum te melden.
De beslissing
De kantonrechter:
- —
stelt partijen in kennis van zijn voornemen de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden per 1 juli 2010 zonder toekenning aan [eisende partij] ten laste van [gedaagde partij] van een vergoeding naar billijkheid;
- —
stelt [eisende partij] in de gelegenheid het verzoek in te trekken uiterlijk op woensdag 30 juni 2010 door middel van een schriftelijke verklaring ter griffie van de sector kanton, onder onverwijlde mededeling daarvan aan de wederpartij;
voor het geval [eisende partij] het verzoek niet intrekt:
- —
ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst en bepaalt dat deze eindigt op 1 juli 2010;
ongeacht of [eisende partij] het verzoek intrekt dan wel handhaaft:
- —
compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
Aldus gegeven door mr. W.F. Boele, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 15 juni 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.