Ter zitting hebben eisers op vragen van de rechtbank toegelicht dat alleen eiser een BNT-heeft ingediend en dat dit voor beide eisers geldt.
Rb. Den Haag, 19-10-2026, nr. NL26.51300 en NL26.51303
ECLI:NL:RBDHA:2026:30774
- Instantie
Rechtbank Den Haag
- Datum
19-10-2026
- Zaaknummer
NL26.51300 en NL26.51303
- Vakgebied(en)
Vreemdelingenrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBDHA:2026:30774, Uitspraak, Rechtbank Den Haag, 19‑10‑2026; (Eerste aanleg - enkelvoudig)
Uitspraak 19‑10‑2026
Inhoudsindicatie
Asiel Turkije / aanvragen voor 12 juni 2026, besluiten na 12 juni 2026 / ingangsdatum en duur verblijfsvergunning. Eisers hebben op 25 april 2023 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft deze verzoeken op 9 augustus 2026, 3 jaar, 3 maanden en 14 dagen later, ingewilligd. In deze besluiten heeft verweerder erkend dat eisers vluchtelingen zijn en beslist om aan hen een verblijfsvergunning te verlenen. Verweerder heeft aan eisers een verblijfspas verleend met als ingangsdatum 10 augustus 2026 en een geldigheidsduur van drie jaar. De rechtbank stelt in deze procedure vast dat het verlenen van een verblijfspas met als ingangsdatum 10 augustus 2026 en met een geldigheidsduur van drie jaar niet dwingend volgt uit Verordening 2024/1347. De rechtbank stelt ook vast dat het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel, alsmede het Unierechtelijke verbod op willekeur zich verzetten tegen de verlening van een verblijfspas met als ingangsdatum 10 augustus 2026 en met een geldigheidsduur van drie jaar. Dat de nationale wetgever op de hoogte is van de aanzienlijke achterstanden in het tijdig beslissen op verzoeken om internationale bescherming en desondanks heeft gekozen om onmiddellijke werking toe te kennen aan artikel 44, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000 laat onverlet dat de Unierechtelijke algemene rechtsbeginselen in de weg staan aan de toepassing van deze nationale wetsbepaling in de onderhavige procedure. Dat de rechtbank niet bevoegd is om te toetsen aan artikel 120 van de Nederlandse grondwet, laat onverlet dat de rechtbank verplicht is om het Unierecht toe te passen omdat de onderhavige procedure wordt beheerst door het Unierecht. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eisers erkend moeten worden als vluchtelingen en dat aan hen verblijfstitels, verblijfsvergunningen en bijbehorende verblijfspassen moeten worden verleend waaruit blijkt dat zij met ingang van 25 april 2023 zijn erkend als vluchtelingen en waaruit blijkt dat aan hen een verblijfsvergunning met een duur van vijf jaar is verleend. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop in deze procedure zal de rechtbank zelf voorzien en verweerder opdragen om tot de verlening van de juiste vergunningen over te gaan. Beroepen gegrond / zelf voorzien / PKV.
Partij(en)
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.51300 en NL26.51303
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [V-nummer] , eiser,
[eiseres] ,
geboren op [geboortedatum] ,
V-nummer: [V-nummer] , eiseres,
Tezamen: eisers, beiden van Turkse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. M. Berkelmans).
Procesverloop
Eisers hebben op 25 april 2023 een verzoek om internationale bescherming ingediend.
Verweerder heeft op 6 mei 2024 een voornemen uitgebracht en heeft op 20 oktober 2024 een aanvullend voornemen uitgebracht.
De rechtbank, zittingsplaats Den Haag, heeft in haar uitspraak van 8 november 2024 het ‘beroep niet-tijdig’ van eiser kennelijk gegrond verklaard en verweerder onder verbeurte van een dwangsom opgedragen binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken (ECLI:NL:RBDHA:2024:19861).
De rechtbank, zittingsplaats Utrecht, heeft in haar uitspraak van 30 mei 2025, een tweede ‘beroep niet-tijdig’ van eiser kennelijk gegrond verklaard en verweerder onder verbeurte van een -hogere- dwangsom opgedragen binnen twee weken na de dag van verzending van de uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken (ECLI:NL:RBDHA:2025:11064).
Verweerder heeft de verzoeken om internationale bescherming in besluiten van 19 december 2025 afgewezen als ongegrond. Deze besluiten omvatten een terugkeerbesluit waarin Turkije als land van terugkeer is bepaald en een vertrektermijn van vier weken is verleend.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen deze besluiten.
Verweerder heeft de besluiten van 19 december 2025 op 20 juli 2026 ingetrokken.
Verweerder heeft bij besluiten van 9 augustus 2026 de verzoeken om internationale bescherming die op 25 april 2023 zijn ingediend ingewilligd. In deze besluiten heeft verweerder erkend dat eisers vluchtelingen zijn en beslist om aan hen een verblijfsvergunning te verlenen. Verweerder heeft aan eisers een verblijfspas verleend met als ingangsdatum 10 augustus 2026 en een geldigheidsduur van drie jaar.
Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld.
Verweerder heeft op verzoek van de rechtbank een verweerschrift uitgebracht.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 oktober 2026 op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Feiten, standpunten van partijen en aankondiging zelf voorzien
1. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Eiseres heeft ook de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] . Zij hebben op 25 april 2023 asiel aangevraagd in Nederland.
2. Verweerder heeft op 9 augustus 2026 inwilligende besluiten genomen en vastgesteld dat eisers moeten worden erkend als vluchteling. Verweerder meent dat op de procedure van eisers de bepalingen over vergunningverlening zoals die vanaf 12 juni 2026 van toepassing zijn onverkort kunnen en moeten worden toegepast en dat daarom aan eisers geen verblijfsvergunning en bijbehorende verblijfspas met als ingangsdatum 25 april 2023 en een geldigheidsduur van vijf jaar kunnen worden verleend.
3. Eisers voeren aan dat ten onrechte toepassing is gegeven aan het recht zoals dat geldt vanaf 12 juni 2026 omdat dit recht niet van toepassing is op hun in 2023 ingediende asielaanvragen. Eisers stellen zich daarom op het standpunt dat de ingangsdatum ten onrechte is vastgesteld op de dag na het nemen van de beschikking in plaats van op de datum van de asielaanvragen en dat de geldigheidsduur van de verblijfsvergunningen ten onrechte is vastgesteld op drie jaar in plaats van vijf jaar. Verder voeren eisers aan dat het ontbreken van overgangsrecht voor de ingangsdatum en geldigheidsduur van een verblijfsvergunning in strijd is met het rechtszekerheids- en gelijkheidsbeginsel. Het verloop van de procedure en de vertraging hierin zijn aan verweerder te wijten en eisers mogen hierdoor niet benadeeld worden. Ook voeren eisers aan dat de erkenning van eisers als vluchteling bevestigt dat die status al bestond op het moment dat aan de voorwaarden voor vluchtelingschap was voldaan en niet pas op het moment van het besluit. Een ingangsdatum die afhankelijk is van de duur van de behandeling door verweerder, verhoudt zich naar de mening van eisers slecht met het declaratoire karakter van de erkenning als vluchteling.
4. Verweerder heeft in het verweerschrift gewezen op de keuze van de wetgever om aan artikel 44, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000 onmiddellijke werking toe te kennen en stelt zich op het standpunt dat dit geen afbreuk doet aan de gevraagde bescherming omdat die niet afhankelijk is van de ingangsdatum van de verblijfsvergunning. Verweerder heeft zijn standpunt ook onderbouwd door te wijzen op artikel 24 van Verordening 2024/1347 en vindt dat zijn nieuwe beleid hiermee in overeenstemming is. Verweerder heeft voorts, met bronvermelding, het navolgende in zijn verweerschrift vermeld:
(…)
“Artikel 24 van de kwalificatieverordening spreekt dus van verlening van de verblijfstitel in de periode van één tot maximaal 90 dagen na de kennisgeving. Uit deze bewoordingen volgt dat de geldigheidsduur een aanvang neemt op of na de datum waarop de verblijfstitel wordt verleend, en vermeldt niet de mogelijkheid van verlening met terugwerkende kracht. Het verlenen van de verblijfstitel op een eerder moment is daarom een gunstigere bepaling.
De Kwalificatieverordening is van toepassing met ingang van 12 juni 2026. Op die datum is de Kwalificatierichtlijn ingetrokken (artikelen 41 en 42 van de Kwalificatieverordening). Bijgevolg is de ruimte die artikel 3, tweede lid van de Kwalificatierichtlijn bood voor gunstigere nationale bepalingen met de onmiddellijke inwerkingtreding van de Kwalificatieverordening vervallen. Uit het voorstel voor de Kwalificatieverordening blijkt dat dit een bewuste keuze van de Uniewetgever is geweest:
"Aangezien voor dit voorstel als rechtsinstrument een verordening is gekozen, is er geen bepaling meer op grond waarvan de lidstaten gunstigere behandeling kunnen kiezen."
Dit betekent naar het oordeel van verweerder dat een lidstaat geen gunstiger
ingangsdatum van de verblijfsvergunning (meer) mag bepalen.
De beslissing van de wetgever om artikel 44, tweede lid, van de
Vreemdelingenwet onmiddellijke werking toe te kennen, is derhalve geheel in
lijn met het Unierecht. Zowel die wijziging als de onmiddellijke werking
daarvan volgen volgens de minister dus dwingend uit de Kwalificatieverordening.”
(…)
5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wijziging van artikel 44, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000 en de onmiddellijke werking hiervan dwingend voortvloeien uit Verordening 2024/1347 en er daarom geen ruimte is om op grond van nationale algemene rechtsbeginselen zoals het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, af te wijken van Verordening 2024/1347. Verweerder vindt verder dat er geen sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat de formele wet vanwege strijd met een algemeen beginsel buiten toepassing moet worden gelaten zoals bedoeld in de Afdelingsuitspraak van 1 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:772). Verder beoogt de wetgever met het toekennen van onmiddellijke werking zijn wens tot uitdrukking te brengen om ‘te behoren tot de categorielidstaten met de strengste toelatingsregels van de EU, een spoedige uitvoering van het Asiel- en Migratiepact te bewerkstelligen en komt dit voort uit de noodzaak om op korte termijn nuttig effect te sorteren”. Verweerder stelt dat bij deze keuze rekening is gehouden met de tegelijk ingevoerde nareisbeperkingen en de aanzienlijke achterstanden bij verweerder. Verweerder beroept zich op het toetsingsverbod in artikel 120 van de Grondwet en de Aanwijzing voor de regelgeving waaruit ook volgt dat onmiddellijke werking het uitgangspunt is bij nieuwe wetgeving. Verweerder stelt zich tot slot op het standpunt dat het beroep van eisers op de declaratoire aard van de vluchtelingenstatus en hun standpunt dat dit zich verzet tegen het besluit van verweerder niet slaagt omdat uit Verordening 2024/1347 en de Hofjurisprudentie volgt dat de verblijfstitel en de vluchtelingenstatus twee verschillende begrippen zijn en dat ‘het recht om te blijven’ niet hetzelfde is als ‘het recht op een verblijfsvergunning’.
6. De rechtbank zal de beroepen gegrond verklaren en zelf voorzien en motiveert dit als volgt.
Afbakening geding
7. De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geding is dat sprake is van procesbelang. Voor zover verweerder in zijn verweerschrift heeft vermeld dat eisers met hun procedure beogen om bescherming tegen vervolging en ernstige schade te verkrijgen en dat zij dit ongeacht de ingangsdatum en duur van de verblijfsvergunning hebben bewerkstelligd, heeft de rechtbank verweerder ter zitting voorgehouden dat dit een zeer simplistische kijk op de aan de orde zijnde rechtsvragen is. Verweerder heeft daarop aangegeven dat deze opmerking op een verkeerde plaats in het verweerschrift is opgenomen en dat verweerder begrijpt dat zowel eisers als de rechtbank aangeven dat de ingangsdatum en de duur van de periode waarop eisers aanspraken aan hun verblijfsvergunning kunnen ontlenen moet worden aangemerkt als procesbelang. De rechtbank zal het beroep dus inhoudelijk beoordelen.
8. Artikel 24 van Verordening 2024/1347 bepaalt onder meer het navolgende:
Artikel 24 – Verblijfstitels
(…)
2. Zo spoedig mogelijk na de toekenning van de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus en uiterlijk 90 dagen na de kennisgeving van de beslissing om internationale bescherming toe te kennen, wordt een verblijfstitel afgegeven volgens het uniforme model van Verordening (EG) nr. 1030/2002.
(…)
4. Een verblijfstitel heeft een initiële geldigheidsduur van ten minste drie jaar voor personen aan wie de vluchtelingenstatus is verleend en van ten minste één jaar voor personen aan wie de subsidiairebeschermingsstatus is verleend. (…)
(…).
Artikel 44, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000, bepaalt onder meer het navolgende:
(…)
2.Indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29 tot en met 29d, wordt ingewilligd, wordt deze verblijfsvergunning verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking.
(…)
9. De rechtbank overweegt dat de uitspraak in de onderhavige procedure niet ziet op de vraag of deze hiervoor genoemde bepalingen als zodanig geldig zijn en verenigbaar moeten worden geacht met het primaire Unierecht en de Unierechtelijke algemene (rechts)beginselen.
10. De rechtbank overweegt voorts dat de uitspraak in de onderhavige procedure niet ziet op aanvragen die zijn ingediend voordat Verordening 2024/1347 van toepassing is geworden en waarin inwilligende uitspraken binnen de beslistermijn zijn genomen nadat richtlijn 2011/95 is ingetrokken.
11. Aan de orde is namelijk de situatie dat asielaanvragen zijn ingediend op 25 april 2023, de Unierechtelijke beslistermijn is verstreken, er tweemaal een rechterlijke uitspraak is gedaan waarin is opgedragen om binnen twee weken een besluit te nemen1.en aan welke uitspraken niet is voldaan door verweerder. De rechtbank acht ook relevant dat verweerder aanvankelijk op 9 december 2025 heeft beslist op de asielaanvragen maar vervolgens, 7,5 maand later uit eigen beweging, tot de conclusie is gekomen dat de aanvragen ten onrechte zijn afgewezen omdat eisers moeten worden erkend als vluchteling.
12. Verweerder heeft dus voor de beslissing op asielaanvragen die zijn ingediend ruim drie jaar voordat Verordening 2024/1347 van toepassing is geworden, 3 jaar, 3 maanden en 14 dagen nodig gehad om te erkennen dat eisers voldoen aan de materiële voorwaarden om als vluchteling erkend te worden. De rechtsvraag in deze procedure is niet beperkt tot de vraag hoe artikel 24, lid 2, van Verordening 2024/1347 in de onderhavige procedure moet worden uitgelegd, maar veeleer of de ingangsdatum en duur van de inwilligende besluiten die zijn genomen op asielaanvragen die op 25 april 2023 zijn gedaan, mogen worden gegrond op regelgeving die vanaf 12 juni 2026 van toepassing is geworden. De rechtbank acht tevens relevant dat deze regelgeving geen verband houdt met de materiële voorwaarden voor internationale bescherming in die zin dat “voor en na 12 juni 2026” dezelfde materiële voorwaarden aan de noodzaak tot internationale bescherming worden gesteld. In dit verband is tevens relevant dat verweerder geen enkel inzicht heeft geboden in de oorzaken van deze ongekend lange behandelduur en ter zitting, na hierover bevraagd te zijn, geen nadere toelichting heeft kunnen verschaffen. Uit het dossier blijkt voorts geen enkele indicatie dat de proceshouding van eisers enige invloed heeft gehad op het niet voldoen aan de beslistermijn en de twee rechterlijke uitspraken.
13. Verweerder stelt zich enerzijds op het standpunt dat het verlenen van een verblijfsvergunning met ingang van de datum waarop eisers hun verzoeken om internationale bescherming hebben ingediend en met een duur van vijf jaar niet is toegestaan en anderzijds dat de wetgever met ‘het toekennen van onmiddellijke werking’ en dus met de verleningsdatum en duur van de verblijfsvergunning, tot uitdrukking wil brengen dat Nederland wil behoren tot de categorie lidstaten met de strengste toelatingsregels van de Unie, dat een spoedige uitvoering van het Asiel- en Migratiepact is gewenst en dat er een noodzaak bestaat om op korte termijn nuttig effect te sorteren. De rechtbank overweegt dat beide argumenten de besluiten niet kunnen dragen.
Is verlening vergunning met ingang van datum aanvraag en met een duur van vijf jaar verenigbaar met Unierecht?
14. Artikel 44, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000 bepaalt op welke dag de ingangsdatum van de verblijfsvergunning moet worden bepaald. Artikel 24, lid 2, van Verordening 2024/1347 regelt dit echter niet. De rechtbank stelt vast dat niet is voorzien in overgangsrecht in het Unierecht en in de Vreemdelingenwet 2000 in die zin dat niet is vastgesteld of deze bepalingen van toepassing zijn op asielaanvragen die zijn ingediend voordat Verordening 2024/1347 van toepassing is geworden. De Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 bevat in artikel IX, zesde lid, overgangsrecht voor aanvragen die zijn ingediend vóór 12 juni 2026, maar dat overgangsrecht is beperkt tot acht met name genoemde onderwerpen. De ingangsdatum en geldigheidsduur van een verleende asielvergunning zijn daarin niet opgenomen.
15. Het standpunt van verweerder dat de Uniewetgever in Verordening 2024/1347 heeft uitgesloten dat een verblijfstitel en verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt verleend acht de rechtbank echter niet juist. Uit de bewoordingen van artikel 24 van Verordening 2024/1347 volgt dit namelijk niet en de Uniewetgever heeft in deze verordening nergens uitdrukkelijk bepaald dat een verblijfstitel en verblijfsvergunning niet mogen worden verleend met ingang van de datum waarop een verzoek om internationale bescherming is ingediend als, net als in deze procedure, evident is dat vanaf die indiening reeds is voldaan aan de materiële voorwaarden voor het verlenen van de internationalebeschermingsstatus.
16. De rechtbank neemt aan dat indien de Uniewetgever dit heeft willen uitsluiten, dit ook uitdrukkelijk zo zou zijn bepaald omdat dit in andere situaties wel is geschied. De rechtbank wijst in dit verband op punt 64 van Verordening 2024/1347 waarin het navolgende is bepaald:
“Een beslissing om de internationale bescherming te beëindigen mag geen terugwerkende kracht hebben. Een beslissing om de internationale bescherming te herroepen moet terugwerkende kracht hebben. Indien een beslissing is gebaseerd op een beëindigingsgrond mag zij geen terugwerkende kracht hebben. Indien de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus wordt herroepen op grond van het feit dat hij nooit had mogen worden toegekend, kunnen de verworven rechten behouden blijven of verloren gaan, overeenkomstig het nationaal recht.”
17. Artikel 24, lid 2, van Verordening 2024/1347 bepaalt de termijn die (maximaal) mag verstrijken na de toekenning van de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus alvorens over te gaan tot de afgifte van een verblijfstitel en bepaalt dus niet dwingend dat de verblijfstitel niet mag worden verleend met terugwerkende kracht. Dit volgt evenmin uit artikel 20, lid 3, van Verordening 2024/1347.
18. In het hoofdgeding rijst de vraag of het toepassen van artikel 44, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000 verenigbaar is met het Unierecht. De rechtbank overweegt dat de Uniewetgever niet heeft voorgeschreven dat indien de initiële beslistermijn eindigt voordat Verordening 2024/1347 van toepassing is, de autoriteiten verplicht zijn om het recht en het nationale beleid zoals dat van toepassing was vóór 12 juni 2026 moeten toepassen. De Uniewetgever heeft evenwel, zoals hiervoor overwogen, ook niet uitgesloten dat er aanleiding kan bestaan om, in verband met concrete feiten en omstandigheden, met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning te verlenen en hieraan een verblijfsduur van vijf jaar toe te kennen.
19. Het standpunt van verweerder dat in richtlijn 2011/95 is vermeld dat de lidstaten gunstigere bepalingen mogen vaststellen en dat dit de grondslag is geweest voor het bepalen van de ingangsdatum en duur en verweerder hiertoe nu niet meer bevoegd is omdat een vergelijkbare bepaling ontbreekt in Verordening 2024/1347, is niet overtuigend. Artikel 3 van richtlijn 2011/95 bepaalt dat “de lidstaten ter bepaling van wie als vluchteling of als
voor subsidiaire bescherming in aanmerking komend persoon wordt erkend en ter bepaling van de inhoud van de internationale bescherming, gunstiger normen kunnen vaststellen of handhaven indien die met deze richtlijn verenigbaar zijn.” De rechtbank overweegt dat de ingangsdatum en duur van een verblijfsvergunning niet goed zijn te kwalificeren als ‘inhoud van de internationale bescherming’ omdat hier veeleer mee bedoeld zal zijn de rechten die kunnen worden ontleend aan de internationale beschermingsstatus op het moment dat deze rechten worden genoten en ongeacht de ingangsdatum en duur van de verleende vergunning.
20. In overweging 7 van de preambule van Verordening 2024/1347 is bepaald dat het hoofddoel van deze verordening is enerzijds te verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die daadwerkelijk internationale bescherming nodig hebben, en anderzijds ervoor te zorgen dat personen die internationale bescherming genieten in alle lidstaten een gemeenschappelijk pakket rechten genieten.
21. De rechtbank acht het daarom ook niet vreemd dat de Uniewetgever niet uitdrukkelijk heeft bepaald dat de afgifte van een verblijfstitel en bijbehorende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht geschiedt. De ingangsdatum en duur van de verblijfstitel houdt immers geen verband met het verzekeren dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die daadwerkelijk internationale bescherming nodig hebben en ervoor te zorgen dat personen die internationale bescherming genieten in alle lidstaten een gemeenschappelijk pakket rechten genieten. In punt 64 van Verordening 2024/1347 zijn alleen waarborgen opgenomen voor statushouders die gedurende enige tijd daadwerkelijk hebben voldaan aan de materiële voorwaarden voor internationale bescherming. In punt 57 van Verordening is vermeld dat tijdens de periode tussen het verlenen van internationale bescherming en de afgifte van een verblijfstitel de lidstaten ervoor moeten zorgen dat personen die internationale bescherming genieten, effectief toegang hebben tot alle in deze verordening vastgestelde rechten, met uitzondering van de vrijheid van verkeer binnen de Unie en de afgifte van een reisdocument. Ook deze bepaling sluit niet uit dat in omstandigheden zoals die aan de orde zijn in de onderhavige procedure, een verblijfstitel en verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de datum van de asielaanvraag.
22. Artikel 24, lid 2, van Verordening 2024/1347 bepaalt dat een verblijfstitel een initiële geldigheidsduur heeft van ten minste drie jaar voor personen aan wie de vluchtelingenstatus is verleend en van ten minste één jaar voor personen aan wie de subsidiairebeschermingsstatus is verleend. Uit deze bepaling valt in het geheel niet af te leiden dat het verlenen van een verblijfsduur van vijf jaar op grond van het Unierecht is uitgesloten. Het is evident dat de Uniewetgever de lidstaten alleen heeft opgedragen welke minimale duur zij moeten toekennen aan een verblijfstitel.
23. De rechtbank concludeert dat de verlening van een verblijfsvergunning met ingang van de datum van de asielaanvraag en met een duur van vijf jaar in Verordening 2024/1347 niet is uitgesloten en dus verenigbaar met het Unierecht is. De nationale wetgever heeft dus onverplicht dwingend bepaald dat indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, wordt ingewilligd, deze verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking. Tevens stelt de rechtbank vast dat het Unierecht niet dwingt tot het verlenen van een verblijfstitel met een maximale duur van drie jaar.
Staan Unierechtelijke algemene rechtsbeginselen in de weg aan het verlenen van de verblijfsvergunningen met ingang van 10 augustus 2026 en met een duur van drie jaar?
24. De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat artikel 44, lid 2, van de Vreemdelingenwet, waarin is bepaald dat indien de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in de artikelen 29 tot en met 29d, wordt ingewilligd, deze verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag na de bekendmaking van de beschikking, niet dwingend voortvloeit uit Verordening 2024/1347 en dit dus, net als het verlenen van een verblijfstitel met een duur van drie in plaats van vijf jaar, een keuze van de nationale wetgever is geweest.
25. Voorzover de wetgever met ‘het toekennen van onmiddellijke werking’ en dus met de keuze voor een ingangsdatum en duur van de verblijfstitel en vergunning, tot uitdrukking heeft wil brengen dat Nederland wil behoren tot de categorielidstaten met de strengste toelatingsregels van de Unie, dat een spoedige uitvoering van het Asiel- en Migratiepact is gewenst en dat er een noodzaak bestaat om op korte termijn nuttig effect te sorteren, vermag de rechtbank niet in te zien waarom dat in de onderhavige procedure door verweerder als motivering van zijn besluiten wordt aangedragen. Het ontgaat de rechtbank volledig hoe dit doel kan worden bereikt in een procedure die op 25 april 2023 is ingeleid met verzoeken om internationale bescherming.
26. Eisers hebben Turkije op 25 april 2023 verlaten en hebben zich diezelfde dag aan de buitengrens van de Unie op luchthaven Schiphol gemeld en een asielaanvraag gedaan, waarna zij in grensdetentie zijn geplaatst en hun vrijheid tot opheffing van de maatregel op 2 mei 2023 is ontnomen. Indien verweerder met ingang van 12 juni 2026 “wil behoren tot de categorielidstaten met de strengste toelatingsregels van de Unie, een spoedige uitvoering van het Asiel- en Migratiepact wenst en meent dat er een noodzaak bestaat om op korte termijn nuttig effect te sorteren” zal dit dus 0,0 invloed hebben op gedragingen van eisers die op 12 juni 2026 namelijk al ruim drie jaar in Nederland waren.
27. Met nieuw beleid en met nieuwe wetgeving kan worden gepoogd om toekomstige gedragingen van derdelanders te beïnvloeden en ‘nieuw beleid maken voor nieuwe verzoekers om internationale bescherming’ is juridisch toegestaan, ook indien op voorhand niet duidelijk is of dit enig effect zal sorteren. Verweerder kan deze doelen van de nieuwe regelgeving en beleid echter niet als onderbouwing van de besluiten in deze procedure aandragen. Daargelaten dat verweerder op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat het voeren van een meer restrictief beleid gevolgen heeft voor mensen die zich genoodzaakt zien om te vluchten, valt niet in te zien op welke wijze dit verband houdt met eisers en de keuze om aan eisers geen vergunning te verlenen met ingang van 25 april 2023 en met een duur van vijf jaar. Eisers zijn immers al jaren in Nederland in afwachting van de besluitvorming van verweerder. Een spoedige uitvoering van het Pact mag door verweerder -terecht- wenselijk worden geacht, maar ontslaat verweerder niet van het nemen van zorgvuldig voorbereide en deugdelijk gemotiveerde besluiten op verzoeken die zijn ingediend vóór 12 juni 2026.
28. Verweerder kan het bepalen van de ingangsdatum en duur van de verblijfstitels die hij aan eisers moet verlenen dus niet motiveren met de stelling dat hij gelet op het Unierecht hiertoe verplicht is of dat hij hiermee zijn nieuwe beleid tot uitdrukking wil brengen.
29. De rechtbank overweegt dat verweerder niet (kenbaar) is nagegaan of het Unierecht zich wellicht verzet tegen de door hem toegekende ingangsdatum en duur van de verblijfstitels omdat er verweerder er -ten onrechte- van is uitgegaan dat artikel 44, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000 dwingend voortvloeit uit Verordening 2024/1347.
30. Verweerder heeft zich beperkt tot het standpunt gesteld dat “er geen ruimte is om alsnog op grond van nationale algemene rechtsbeginselen van de verplichtingen uit hoofde van de Kwalificatieverordening af te wijken.2.” Verweerder heeft in aanvulling hierop en in reactie op de beroepsgronden verwezen naar het toetsingskader zoals de Afdeling dat uiteen heeft gezet in haar uitspraak van 1 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:772, r.o. 9.11-9.14.) en heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen situatie is waarin kan worden voorbijgegaan aan het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet.
31. De rechtbank overweegt dat verweerder miskent dat sprake is van een niet geheel nationaalrechtelijk kader. De verlening van internationale bescherming is immers in het Unierecht geregeld en de nationale regelgeving en het beleid moeten dus in overeenstemming zijn met het Unierecht. Het verbod om aan artikel 120 van de Grondwet te toetsen betekent niet dat de besluitvorming van verweerder niet hoeft te voldoen aan de Unierechtelijke algemene (rechtsbeginselen). Ook indien in het Unierecht en in de nationale wetgeving, regelgeving en beleid niet is voorzien in overgangsrecht, ontslaat dat verweerder dus niet van het nagaan of zijn besluit in een concrete procedure verenigbaar is met de algemene Unierechtelijke (rechts)beginselen. Dit geldt temeer nu, zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, de Uniewetgever niet heeft uitgesloten dat een verblijfstitel met terugwerkende kracht wordt verleend. De rechtbank merkt hierbij op dat Verordening 2024/1347 secundair Unierecht is en dus in overeenstemming moet zijn met het primaire Unierecht. De rechtbank zal in deze procedure geen prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie stellen maar wijst wel op artikel 18 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, in welke bepaling het recht op asiel is neergelegd. Het recht op asiel impliceert in wezen dat binnen de beslistermijnen wordt vastgesteld of een derdelander in aanmerking komt voor asiel en impliceert in wezen dat de rechten die kunnen worden ontleend aan het recht op asiel, daadwerkelijk kunnen worden genoten op het moment dat wordt voldaan aan de materiële voorwaarden om voor in asiel in aanmerking te komen.
32. Artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie bepaalt dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.
De rechtbank overweegt dat de Uniewetgever beslistermijnen heeft vastgesteld om onder meer zekerheid te bieden over het tijdsverloop in een procedure die wordt ingeleid met een verzoek om internationale bescherming en om zekerheid te bieden over welke regels en beleid van toepassing zullen zijn bij de beoordeling van die verzoeken. De ‘redelijke termijn’ in asielprocedures is een vaste termijn als het gaat om de tijd die verweerder heeft om te beslissen op een asielaanvraag. Deze termijn draagt ertoe bij dat het recht op asiel is gegarandeerd. Het recht op asiel vereist namelijk niet alleen toegang tot de asielprocedure maar vereist ook een beslissing op een asielaanvraag. Het Unierechtelijke beginsel van rechtszekerheid houdt onder meer in dat verweerder zich moet inspannen om te voldoen aan deze beslistermijnen. Verweerder heeft, hoewel daartoe ter zitting uitdrukkelijk bevraagd, geen enkele verklaring gegeven voor het niet voldoen aan de wettelijke beslistermijn en het bij herhaling niet voldoen aan rechterlijke uitspraken. Het vervolgens bepalen dat de ingangsdatum en duur van de verblijfsvergunning niet wordt vastgesteld op grond van regels en beleid dat van toepassing was ten tijde van de aanvragen, ten tijde van het verstrijken van de wettelijke beslistermijn of ten tijde van het verstrijken van de door de rechter – bij herhaling- vastgestelde termijn om een beslissing te nemen, acht de rechtbank dan ook in strijd met het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel.
33. De wettelijke beslistermijnen zijn dwingend voorgeschreven. Hierdoor hebben eisers er op mogen vertrouwen dat verweerder binnen deze termijnen in staat zou zijn om te beslissen op hun asielaanvragen en hebben er dus op mogen vertrouwen dat het bepalen van de ingangsdatum en duur van de verleende verblijfsvergunning zou geschieden op grond van de regelgeving en beleid die op dat moment van toepassing waren. De rechtbank merkt hierbij op dat eisers echt bevonden paspoorten, identiteitskaarten en vele andere documenten hebben overgelegd om hun asielverzoeken te staven en steeds hebben voldaan aan hun verplichtingen om mee te werken met verweerder en zich beschikbaar te houden voor verweerder. Verweerder heeft ter zitting op vragen van de rechtbank geen bijzondere feiten en omstandigheden aangedragen die het aanzienlijke tijdsverloop in deze procedure kunnen verklaren. Het Unierecht schrijft voor dat een vreemdeling een mogelijkheid moet hebben om de naleving van deze verplichting af te kunnen dwingen. Eisers zijn genoodzaakt geweest om tweemaal de rechter te verzoeken om besluitvorming op te dragen. Verweerder heeft evenwel de uitspraken van de rechter naast zich neergelegd. Dit is (slechts) een feitelijke constatering door de rechtbank. De rechtbank acht het bepalen van de ingangsdatum en duur van de verblijfsvergunning op grond van regels die 3 jaar, 3 maanden en 14 dagen na het indienen van de asielaanvragen van toepassing zijn, in strijd met het Unierechtelijk vertrouwensbeginsel.
34. Verweerder maakt niet inzichtelijk op welke wijze hij bepaalt welke asielaanvragen in welke volgorde worden behandeld. Het tijdsverloop in de procedures die zijn ingeleid met een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend vóór 12 juni 2026 is, zo is de ervaring van de rechtbank, gemiddeld genomen veel groter dan wanneer deze verzoeken zijn ingediend na 12 juni 2026. De rechtbank wijst er op dat voor de “pre-Pactzaken” óók Unierechtelijke beslistermijnen golden en verweerder niet motiveert waarom hij meent bevoegd te zijn om asielaanvragen niet op volgorde van indienen van de asielaanvraag te behandelen. Zoals eerder overwogen ontslaat de omstandigheid dat een spoedige uitvoering van het Asiel- en Migratiepact wenselijk wordt geacht, verweerder niet van zijn verplichting om de “pre-Pactzaken” voortvarend en binnen de wettelijke beslistermijnen te behandelen. Verweerder maakt, naar het oordeel van de rechtbank, een ongerechtvaardigd onderscheid bij de prioritering van de beoordeling van asielaanvragen. In de onderhavige procedure heeft verweerder, zonder dat een rechterlijke uitspraak hem daartoe verplichtte, zijn aanvankelijke besluiten van 19 december 2025 op de asielaanvragen van eisers op 20 juli 2026 ingetrokken. Verweerder heeft niet toegelicht waarom verweerder pas op 20 juli 2026 heeft ingezien dat eisers moeten worden erkend als vluchtelingen en zijn -aanzienlijk te laat genomen- besluiten van 19 december 2025 evident onjuist waren. Omdat verweerder geen enkele omstandigheden weet aan te dragen om toe te lichten waarom verweerder in de procedures van eisers 3 jaar, 3 maanden en 14 dagen besluiten neemt op de aanvragen, terwijl in nagenoeg alle andere procedures eerder wordt beslist en dat ten aanzien van de zaken die zijn ingeleid met een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend op of na 12 juni 2026, acht de rechtbank het pas op 9 augustus 2026 beslissen op de asielaanvragen van eisers en het toekennen van de ingangsdatum en duur zoals dat in de besluiten van 9 augustus 2026 is gedaan, in strijd met het Unierechtelijke gelijkheidsbeginsel.
35. De rechtbank overweegt voorts dat het grondrecht op behoorlijk bestuur mede omvat dat indien een bestuursorgaan niet beslist binnen de wettelijke termijn en binnen de termijnen dat de rechter opdraagt om dat te doen, nadeligere regels die uitsluitend van toepassing zijn geworden doordat het bestuursorgaan ernstig in gebreke is om te voldoen aan zijn verplichtingen, niet onverkort worden toegepast indien dit er toe leidt dat materiële aanspraken die kunnen worden ontleend aan de erkenning als vluchteling anders of van kortere duur zijn.
36. De Uniewetgever heeft in overweging 66 van de preambule van Verordening 2024/1347 bepaald dat om ervoor te zorgen dat personen die internationale bescherming genieten de toegestane periode van verblijf overeenkomstig het betreffende nationaal, Unie- of internationaal recht eerbiedigen, Richtlijn 2003/109/EG van de Raad moet worden gewijzigd, teneinde te bepalen dat de berekening van de periode van vijf jaar waarna personen die internationale bescherming genieten in aanmerking komen voor de status van langdurig ingezetene van de Unie, in beginsel steeds opnieuw van nul moet beginnen iedere keer dat een persoon die internationale bescherming geniet wordt aangetroffen in een andere lidstaat dan de lidstaat die hem of haar internationale bescherming heeft verleend, zonder dat hij of zij het recht heeft daar te wonen of te verblijven. De rechtbank overweegt dat deze overweging 66 meebrengt dat het niet zo kan zijn dat de periode tot aan 9 augustus 2026, gedurende welke periode eisers rechtmatig in Nederland hebben verbleven terwijl zij reeds op de datum van de indiening van hun asielverzoek aan de materiële voorwaarden voor de erkenning als vluchteling voldeden, geheel buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de berekening van de periode van vijf jaar waarna zij, indien gewenst, in aanmerking komen voor de status van langdurig ingezetene van de Unie. De rechtbank vindt dit met name van belang omdat verweerder geen verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd meer verleent. Een status als langdurig ingezetene levert een sterke juridische verblijfsrechtelijke positie op. Naar het oordeel van de rechtbank is ook deze omstandigheid van belang bij de beoordeling of de Unierechtelijke algemene rechtsbeginselen zich verzetten tegen de besluiten van verweerder voor zover hierin is bepaald dat de verblijfsvergunning ingaat per 10 augustus 2026 en een duur van drie jaar heeft.
37. In de onderhavige procedure is sprake van langdurig (procedureel) rechtmatig verblijf in Nederland terwijl eisers, zo erkent verweerder inmiddels, vluchtelingen zijn. Het beleid dat verweerder thans wil voeren, door artikel 44 van de Vw onverkort toe te passen in die zin dat aan deze langdurige periode van rechtmatig verblijf in de hoedanigheid van vluchteling geen enkel gewicht toekomt, acht de rechtbank ook om deze reden onverenigbaar met het Unierecht en de Unierechtelijke algemene beginselen die rechtszekerheid en vertrouwen waarborgen. Eisers hebben in dit verband terecht gewezen op de declaratoire kracht van de erkenning van de vluchtelingenstatus die de Uniewetgever uitdrukkelijk heeft benoemd in overweging 22 van de preambule van Verordening 2024/1347 en die, zo meent de rechtbank, een codificatie is van de rechtspraak van het Hof van Justitie.
38. De rechtbank overweegt tot slot en in aanvulling op het bovenstaande dat dit tijdsverloop tot willekeur kan leiden, ook als dit niet bewust is ontstaan door bijvoorbeeld af te wachten totdat nieuw landgebonden beleid of nieuwe regelgeving van toepassing wordt of bewust op de koop toe is genomen door bijvoorbeeld de prioritering van zaken. De enkele feitelijke vaststelling van het overschrijden van de wettelijke beslistermijn en het tot tweemaal toe niet voldoen aan rechterlijke uitspraken betekent namelijk reeds dat eisers, zoals zij zelf terecht aanvoeren, volstrekt afhankelijk zijn van het moment waarop verweerder tijd vrijmaakt om hun verzoeken deugdelijk te beoordelen en -uiteindelijk- deze beoordeling op inhoudelijk juiste wijze te verrichten. Verzoekers hebben maar één mogelijkheid om verweerder, indien verweerder niet voldoet aan zijn wettelijke beslistermijn, te bewegen om tot besluitvorming over te gaan en wel door zich tot de rechter te wenden met het verzoek om verweerder te verplichten om op hun verzoeken om internationale bescherming te beslissen. Verweerder heeft tot tweemaal toe geen uitvoering gegeven aan rechterlijke uitspraken. Doordat verweerder zich in deze procedure feitelijk niets gelegen heeft gelaten aan de wettelijke beslistermijn en twee rechterlijke uitspraken en de wetgever en de rechter dus niet in staat zijn om tijdige besluitvorming bij verweerder af te dwingen, kan de rechtbank niet anders dan vaststellen dat de huidige beslispraktijk tot willekeur leidt. Het verbod op willekeur moet in deze procedure ook leiden tot de vaststelling dat dit Unierechtelijke algemene rechtsbeginsel zich verzet tegen het verlenen van een verblijfsvergunning met ingang van 10 augustus 2026 en met een duur van drie jaar.
Conclusie en afdoening
39. Eisers hebben op 25 april 2023 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft deze verzoeken op 9 augustus 2026 ingewilligd. In deze besluiten heeft verweerder erkend dat eisers vluchtelingen zijn en beslist om aan hen een verblijfsvergunning te verlenen. Verweerder heeft aan eisers een verblijfspas verleend met als ingangsdatum 10 augustus 2026 en een geldigheidsduur van drie jaar.
40. De rechtbank stelt in deze procedure vast dat het verlenen van een verblijfspas met als ingangsdatum 10 augustus en met een geldigheidsduur van drie jaar niet dwingend volgt uit Verordening 2024/1347. De rechtbank stelt ook vast dat het Unierechtelijke rechtszekerheidsbeginsel en vertrouwensbeginsel, alsmede het Unierechtelijke verbod op willekeur zich verzetten tegen de verlening van een verblijfspas met als ingangsdatum 10 augustus en met een geldigheidsduur van drie jaar.
41. Dat de nationale wetgever op de hoogte is van de aanzienlijke achterstanden in het tijdig beslissen op verzoeken om internationale bescherming en desondanks heeft gekozen om onmiddellijke werking toe te kennen aan artikel 44, lid 2, van de Vreemdelingenwet 2000 laat onverlet dat de Unierechtelijke algemene rechtsbeginselen in de weg staan aan de toepassing van deze nationale wetsbepaling in de onderhavige procedure. Dat de rechtbank niet bevoegd is om te toetsen aan artikel 120 van de Nederlandse grondwet, laat onverlet dat de rechtbank verplicht is om het Unierecht toe te passen omdat de onderhavige procedure wordt beheerst door het Unierecht.
42. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat eisers erkend moeten worden als vluchtelingen en dat aan hen verblijfstitels, verblijfsvergunningen en bijbehorende verblijfspassen moeten worden verleend waaruit blijkt dat zij met ingang van 25 april 2023 zijn erkend als vluchtelingen en waaruit blijkt dat aan hen een verblijfsvergunning met een duur van vijf jaar is verleend. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop in deze procedure zal de rechtbank zelf voorzien en verweerder opdragen om tot de verlening van de juiste vergunningen over te gaan.
43. De beroepen zijn gegrond zodat de rechtbank een proceskostenveroordeling zal uitspreken. Inhoudelijk zijn de beroepen gelijkluidend maar omdat verweerder twee zelfstandige besluiten heeft genomen, heeft de gemachtigde van eisers twee zelfstandige beroepen moeten instellen. De rechtbank kent daarom 3 punten toe.
44. Beslist wordt als volgt.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen gegrond;
-vernietigt de bestreden besluiten voor zover hierin is bepaald dat aan eisers een verblijfspas wordt verleend met als ingangsdatum 10 augustus 2026 en met een geldigheidsduur van drie jaar.
- bepaalt dat eisers internationale bescherming op grond van de vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 jo hoofdstukken II en III van Verordening (EU) 2024/1347 genieten per datum van de aanvraag, zijnde 25 april 2023;
- bepaalt dat de onderhavige uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;
- draagt verweerder op om overeenkomstig artikel 13 jo hoofdstukken II en III jo artikel 24 van Verordening (EU) 2024/1347 in samenhang bezien met de toepasselijke Nederlandse uitvoeringswetgeving binnen een periode van 90 dagen na heden aan eisers een verblijfsvergunning en verblijfstitel overeenkomstig de vluchtelingenstatus te verstrekken;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid vanmr.M.M.M.F. Roijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 19 oktober 2026
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 19‑10‑2026
Verweerschrift van 9 oktober 2026, pagina 3.