Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/17.3.1.2
17.3.1.2 Uitkering bij of leidende tot een negatief eigen vermogen
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS405772:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
In de historische beschouwingen in hoofdstuk 16 komt duidelijk naar voren dat sinds de invoering van het eerste Wetboek van Koophandel aan de uitkeringsregels de gedachte ten grondslag lag dat aandeelhouders recht hadden op uitkering van door de vennootschap gerealiseerde winsten. In zijn Belgische proefschrift wijst ook Bruloot op het “verdwijnen van de link tussen uitkeringsbeslissing en winstbegrip” (Bruloot 2012, p. 548).
Uitsluitend bij de uitkering van agio was geen sprake van winstuitdeling, omdat de uitkeerbare agioreserve niet tot stand komt door winstreservering, maar doordat aandeelhouders meer op hun aandelen storten dan het totale nominale bedrag van de door hen genomen aandelen.
Een winstuitkering op grond van de laatst vastgestelde jaarrekening behelsde een uitkering van de winst die was gemaakt in het boekjaar waarop die jaarrekening zag. Een uitkering uit vrije reserves betrof een uitkering van de winst uit eerdere boekjaren die nog niet was uitgekeerd. En een tussentijdse uitkering kon zien op de winst over een boekjaar waarvan de jaarrekening nog niet was vastgesteld of over het lopende boekjaar. Laatstgenoemde uitkeringen betroffen een voorschot en moesten uiteindelijk alsnog worden ‘getoetst’ aan de jaarrekening van het betreffende boekjaar. Zie ook de noot van Bier onder Rb. Amsterdam 21 april 2010, JOR 2011/1 (Kemp q.q./Idee BV).
Volgens Koster & Van de Streek 2012, par. 2.2, dient op de balans een negatieve winstreserve te worden opgenomen als een uitkering leidt tot een negatief eigen vermogen. Van der Zanden & Van der Zanden 2012, p. 190 menen daarom dat sprake is van uitkering van winstcapaciteit, en hierdoor de facto zelfgegenereerde goodwill wordt geactiveerd, terwijl dat volgens het accountancy systeem niet is toegestaan.
Zie par. 11.5.3.
Zie daarover par. 11.7.1.
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3 (MvT), p. 29. Bier, De Kluiver en Stokkermans hebben de vrijheid om uit te keren bij een negatief eigen vermogen toegejuicht (Bier 2006a, p. 247, De Kluiver 2006, p. 575 en Stokkermans 2012, par. 3). Lennarts en Van der Zanden hebben daarbij juist vraagtekens geplaatst (zie hierna).
Zie hierover Rickford 2006 en Schön 2006.
Lennarts 2007, p. 968.
Aldus ook Van der Zanden 2007, p. 980 en Van der Zanden 2006, p. 584.
Vgl. Lennarts 2007, p. 968.
Doordat uitkeringen sinds de flexibilisering van het BV-recht niet langer hoeven te geschieden uit het eigen vermogen van de vennootschap, maar ook kunnen plaatsvinden als na de uitkering een negatief eigen vermogen resteert, is de klassieke relatie tussen de door de vennootschap gerealiseerde winst en de uitkering van dividend in art. 2:216 BW naar de achtergrond geraakt.1 Onder het oude BV-recht hield een uitkering (bijna)2 altijd verband met de door de vennootschap gemaakte winsten.3 Onder het huidige recht dient de jaarlijkse winst na vaststelling van de jaarrekening een bestemming te krijgen, maar speelt het winstbegrip geen wezenlijke rol meer bij uitkering. De vraag rijst wat de vennootschap precies uitkeert als haar eigen vermogen negatief is en winst over het lopende boekjaar ontbreekt. In ieder geval kan dan niet worden gesproken van uitkering van winst of (winst) reserves.4
Het Amerikaanse en Duitse vennootschapsrecht bieden geen mogelijkheid om uitkeringen te doen bij een negatief eigen vermogen als winst over het lopende boekjaar ontbreekt. In de VS moeten uitkeringen voldoen aan een balanstest en kunnen uitkeringen die resulteren in een negatief eigen vermogen van de aandeelhouders worden teruggevorderd op grond van fraudulent transfer law. In Duitsland zijn uitkeringen slechts toegestaan voor zover het eigen vermogen groter is dan het Stammkapital en kunnen dividenden die in strijd met dit voorschrift worden uitgekeerd, van de aandeelhouders worden teruggevorderd op grond van § 31 GmbHG.5 Sterker nog, het Duitse faillissementsrecht schrijft voor dat bestuurders het faillissement van de vennootschap moeten aanvragen als haar eigen vermogen negatief is geworden, zij het dat deze verplichting in 2008 enigszins is afgezwakt.6 De Nederlandse regeling is op dit punt kortom opvallend flexibel.
In de toelichting bij de wet Flex-BV is overwogen dat er situaties denkbaar zijn waarin een uitkering weliswaar tot een negatief eigen vermogen leidt, maar geen gevolgen heeft voor de mogelijkheid van de vennootschap om aan haar opeisbare verplichtingen te voldoen.7 Een balanstest die voorschrijft dat uitkeringen uitsluitend uit het eigen vermogen gefinancierd mogen worden, heeft als nadeel dat geen rekening wordt gehouden met het moment waarop verplichtingen opeisbaar worden.8 Niettemin meen ik met Lennarts dat onder de huidige liberale regeling het risico bestaat dat bij uitkering te weinig rekening wordt gehouden met de lange termijn verplichtingen van de vennootschap.9 Als de vennootschap overgaat tot uitkering bij of leidende tot een negatief eigen vermogen, is het economische belang van de aandeelhouder in de vennootschap verdwenen. De onderneming wordt na het bereiken van de nullijn in feite voor rekening en risico van haar crediteuren gedreven; zij zijn vanaf dat moment de residual riskbearers geworden. Een uitkering bij een negatief eigen vermogen is een uitkering van winst die nog moet worden gerealiseerd en het risico dat deze winst niet zal worden gemaakt komt (balanstechnisch) uitsluitend voor rekening van de crediteuren.10 Hoewel (de toelichting bij) art. 2:216 BW uitkering bij of leidende tot een negatief eigen vermogen uitdrukkelijk toelaat, zou ik daarom menen dat een rechter bij de ex post beoordeling van een uitkering – bijvoorbeeld in het kader van een aansprakelijkheidsprocedure in faillissement – gewicht kan toekennen aan het gegeven dat na een uitkering een negatief eigen vermogen resteerde. Het ligt naar mijn oordeel in dat geval op de weg van de betrokken bestuurders en aandeelhouders om te onderbouwen waarom de uitkering in die omstandigheden toch gerechtvaardigd werd geacht.11