Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/6.4.4.3
6.4.4.3 Onjuiste informatie die een criminal charge tot gevolg heeft
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS499491:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 8 april 2004 (Weh t. Oostenrijk), § 55-56. Deze benadering van de nemo tenetur-problematiek lijkt te worden bevestigd in EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis), NJ 2008, 25 (m.nt. Alkema); FED 2008/81 (m.aant. Thomas). In ieder geval voor zover het Francis’ zaak betreft. Vgl. pt. 3 van de noot van J. Silvis onder HR 16 september 2008, JIN 2008/706. Zie nadien ook EHRM 10 januari 2008 (Lückhof en Spanner t. Oostenrijk), § 57.
EHRM 10 september 2002 (Allen t. Verenigd Koninkrijk), FED 2003/589 (m.nt. Thomas), NJCM-Bulletin 2003, p. 160, § 1.
EHRM 29 juni 2007 (O’Halloran en Francis t. Verenigd Koninkrijk), FED 2008/81 (m.nt. Thomas). Vgl. Haas 2009, p. 146.
Zie daarover § 12.4 hierna.
Dat het EHRM in Weh geen rekening houdt met het (belastende) resultaat van de beperkte antwoordplicht, kan mijns inziens worden verklaard doordat de klager (bewust) onjuiste informatie had verstrekt, teneinde een door hem begane (verkeers)overtreding te verhullen en zo bestraffing te ontlopen. Weh had verklaard dat een derde de auto had bestuurd (waarmee een verkeersovertreding was begaan). Hij was op het moment van verklaren nog niet ‘charged with a criminal offence’. Zijn bestraffing wegens het verstrekken van onjuiste informatie – dus niet voor de verkeersovertreding zelf –, betekent volgens het Hof niet dat de beperkte antwoordplicht (alsnog) belastend is. De relatie tussen de verplichting van Weh om de bestuurder van zijn auto kenbaar te maken en een mogelijke strafprocedure tegen hem vanwege de geconstateerde overtreding, is daarvoor (te) ver verwijderd en (dus) hypothetisch.1 Het betrof niet dezelfde feiten (‘same facts’).
Impliciete aansluiting bij Allan?
Wanneer Weh daadwerkelijk bestraffing probeerde te ontlopen, dan maakt dat wel duidelijk dat er strafdreiging bestond en het gevraagde potentieel zelfbelastend was: een juist antwoord zou hem hebben gekoppeld aan de overtreding. Het Hof heeft dit ongetwijfeld ingezien. Kennelijk wil het onjuiste informatieverstrekking ter voorkoming van bestraffing buiten het toepassingsbereik van het zwijgrecht houden. Met betrekking tot de tegenover Weh geuite beschuldiging overweegt het dat, hoewel dit geen beslissend element was, hij niet weigerde te verklaren, maar zichzelf buitenspel zette doordat hij aan de autoriteiten had verklaard dat een derde zijn auto had bestuurd op het moment dat daarmee een overtreding was begaan. Zou het gevraagde niet (potentieel) belastend zijn, dan had het Hof dit niet hoeven overwegen.
Wat opvalt, is dat deze redenering naadloos aansluit op de zaak Allen. Allens gehoudenheid om opgaaf te doen van bezittingen aan de Engelse belastingautoriteiten, is volgens het Hof geen voorbeeld van gedwongen zelfbelasting. De onjuiste opgaaf was de overtreding zelf. Het recht tegen gedwongen zelfbelasting kan niet zo worden uitgelegd dat het een algemene immuniteit geeft voor handelingen die zijn ingegeven door de wens om onderzoek van de autoriteiten te ontwijken. Hieraan doet niet af dat Allen loog om de belastingautoriteiten onwetend te houden over gedragingen (belastingfraude) die mogelijk een strafvervolging tot gevolg hadden.2 Mij dunkt dat dit laatste ook speelt in de zaak Weh. Een verschil is wel dat in Allen de autoriteiten de door hem gepleegde fraude nog niet op het spoor waren (hij werd aangepakt voor de onjuiste opgaaf van bezittingen).
Alternatieve verklaring voor ontbreken nemo tenetur-bescherming; toetsing latere gebruik
Een alternatieve verklaring voor het ‘negeren’ door het Hof van het potentieel belastende karakter van Weh’s antwoordplicht, is dat zijn zaak niet gaat over de vraag of de verplichting om te verklaren rechtmatig was, maar of het latere gebruik van de verklaring (voor de strafvervolging) het recht tegen gedwongen zelfbelasting ondermijnt. In O’Halloran en Francis heeft het Hof er geen moeite mee dat Francis, die werd gevraagd te verklaren wie zijn ‘geflitste’ auto had bestuurd, werd bestraft voor het niet geven van die informatie.3 Tegen deze uitleg pleit dat de toepasselijkheid van het zwijgrecht kennelijk al was gestrand op de beperkte antwoordplicht van Francis.
Publiek belang verkeersregulering
Ik wil niet uitsluiten dat de verklaring voor het ‘negeren’ door het Hof van het potentieel belastende karakter van Weh’s antwoordplicht veel eenvoudiger is dan zijn overwegingen doen vermoeden, namelijk dat het wel inziet dat de ruime erkenning van het zwijgrecht in verkeerszaken betekent dat veel zaken onopgelost/onbestraft blijven. Pas in O’Halloran en Francis speelt het Hof de kaart van een bijzonder regime in verkeerszaken.4
Relatie met de strafcontext als toepasselijkheidscriterium
Dat het verstrekken van onjuiste informatie die een criminal charge tot gevolg heeft geen gedwongen zelfbelasting is, raakt niet alleen aan de notie van zelfbelasting. Het raakt ook – of misschien zelfs vooral – aan de dadelijk te bespreken strafcontext als derde en laatste toepasselijkheidscriterium: de antwoordplicht van Weh riep weliswaar potentiële zelfbelasting op, maar niet in een (bestaande) strafcontext. Hij was immers nog niet ‘charged with a criminal offence’ op het moment dat hij werd gevraagd te verklaren. Mij dunkt dat deze lijn duidelijker is dan ’s Hofs benadering in de zaken Weh en Allen.