Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/II.A.7
II.A.7. De lakmoesproef van W. Snijders als bewijs (de 'quasi-executeur')
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS410511:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
W SNIJDERS, Bekrachtiging en aanverwante rechtsfiguren, WPNR (2003) 6547, p.706. Onduidelijke bepalingen kunnen wel in een bij notariele akte aangegane vaststellingsovereenkomst nader ingevuld worden.
Hiermee bedoel ik dat net zoals een overeenkomst erfrechtelijke aspecten kan hebben ('qua-si-legaten'), een eenzijdige rechtshandeling contractuele aspecten kan hebben ('quasi-overeenkomst'). De term quasi-executeur spreekt in deze wat mijbetreft in ieder geval boekdelen.
Let wel: in dat geval geldt de helende werking van art. 3:77 BW niet. Erflater herleeft dan niet met alle gevolgen van dien. Hij is dan niet meer de auteur van de rechtshandeling.
En wellicht indirect een van de geheimen van een belangrijk leerstuk van ons algemene vermogensrecht: de vertegenwoordiging.
De 'slechte pers' wordt met name veroorzaakt door het eindigen van de last ingeval van faillissement van de lastgever en door de vraag of het een vreemde eend in de bijt is, dan wel ofdeze rechtsfiguur 'dogmatisch voortreffelijk' is. Zie onder meer DW AERTSEN, De trust, Beschouwingen over invoering van de trust in het Nederlandse recht (diss. Nijmegen), Deventer: Kluwer 2004, p. 128-130. De vraag is echter ofdit ook speelt bij executele. Interessant is in ieder geval dat deze rechtsfiguur in de parlementaire geschiedenis als een alternatief voor de trust is genoemd, MvT, 23 027, nr. 3, p. 6.
A-G VERKADE spreekt in zijn conclusie bij het ProCall-arrest, HR 13 juni 2003, NJ 2004, 196 van'S.C.J.J. Kortmann en zijn leerlingen.'
Voor zover er nog twijfels mochten bestaan over de 'quasi-overeenkomst'ge-dachte zijn deze met de WPNR-publicatie1 van een van de belangrijkste 'geestelijke vaders' van ons NBW,W.Snijders, geheel weggenomen, althans in ieder geval bij mij. Wat was het geval? In het door hem besproken preadvies van de KNB (2003) van de hand van Verstappen, p.138 wordt de situatie beschreven dat een erflater onder nieuw erfrecht een executeur bij codicil benoemt. Een gebrek dat volgens Snijders niet te helen is. Niet met een vaststellingsovereenkomst, maar ook niet door een notariele akte van de erfgenamen vanwege het bepaalde in art. 4:42 lid 3 BW.
Snijders gaat 'op zoek' en bekijkt op welke wijze de erfgenamen de fout van erflater (nietig codicil) nog contractueel zouden kunnen repareren. Ook hij hanteert hierbij als het ware een spiegelbeeldbenadering.2 Vaststellingsovereenkomst en notariele akte zijn helemaal niet nodig. Snijders wijst een eenvoudigere weg:
'De erfgenamen kunnen m.i. contractueel aan de executeur dezelfde bevoegdheden geven als voor hem zouden zijn voortgevloeid uit de art. 4:142-152. Men kan m.i. rechtsgeldig bedingen dat deze bepalingen tussen erfgenamen en quasi-executeur van toepassing zullen zijn. De art. 3:168 en 7:414-424 BW bieden daarvoor m.i. voldoende armslag.' (Curs. BS)
Prachtig.
Indien men met (privatieve) lastgeving (art. 7:414-424 BW) een executeur kan boetseren, zij het met de benaming 'quasi-executeur', dan zou bij een 'echte' rechtsgeldige executeurbenoeming toch ook de gedachte aan een 'quasi-overeenkomst' kunnen en moeten opkomen? Snijders gaat zelfs zo ver dat hij in de betreffende overeenkomst van lastgeving rechtstreeks 'verwijst' naar 'afdeling 6 titel 5'oftewel de artikelen 4:142 tot en met 4:152 BW. Anders gezegd: executele is een 'quasi-overeenkomst' en met de overeenkomst van lastgeving maakt men desgewenst een'quasi- executeur'3
Mijns inziens 'verklapt' de oud vice-president van de Hoge Raad hier bewust of onbewust een van de erfrechtelijke geheimen van het NBW.4 In ieder geval is duidelijk dat de zoektocht naar de aard van executele nog niet op een dood spoor gekomen is.Wat betreft de interne werking van de aard is daar de gedachte aan opdracht en lastgeving en wat betreft de externe aspecten lonkt de privatieve werking van de last, waar buitenlandse executeurs en rechtsgeleerden, indachtig de Theorienstreit, met argusogen naar zullen kijken. Wel dient meteen geconstateerd te worden dat deze mooie rechtsfiguur met elementen van het Anglo-amerikaanse undisclosed agency-denken in de algemeen vermogensrechtelijke doctrine tot nu toe een (hele) 'slechte pers'5 heeft gekregen. Zou deze rechtsfiguur het erfrechtelijk beter gaan doen en, door andere erfrechtelijke invalshoeken, tot nieuwe inzichten doen komen?
Voorts merk ik op dat in de 'andere' door Snijders aangestipte regeling, te weten art. 3:168 BW verwezen wordt naar de bepalingen over testamentair bewind. Ook dit biedt perspectieven. Deze zullen behandeld worden in het onderdeel waar de goederenrechtelijke aspecten van executele voor het voetlicht gebracht zullen worden, te weten in Hfdst. II.B.
Een andere gedachte die opkomt is, dat Snijders hier, in weerwil van de 'Nijmeegse school,'6 wellicht aansluiting zoekt bij de revolutionaire gedachte van Schoordijk dat een privatief lasthebber (net als de executeur) 'onmiddellijk' zou kunnen vertegenwoordigen. Op deze vraag zal, gezien de aard van de kwestie, ingegaan worden in het onderdeel over de externe (verbintenisrech-telijke) relatie met derden.
Tot slot vermeld ik dat met de gedachten van Snijders indirect ook de privatieve lastgeving uit het 'kwade daglicht' wordt gehaald, waarin deze door de rechtsleer is geplaatst, dan wel uit dit daglicht zou kunnen worden gehaald. In de erfrechtelijke notariele praktijk wordt bij mijn weten de rechtsfiguur 'privatieve lastgeving' als ingredient voor het creeren van een 'quasi-execute-le' (nog) niet gebruikt. Ook Verstappen betreurt in gemeldpreadvies het ontbreken van de privatieve werking van een volmacht, maar grijpt niet naar het instituut privatieve last.