Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/6.3.4.1
6.3.4.1 Het onnodige van het beslag
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS494633:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 november 1995, rov. 3.4, LJN ZC1894, NJ 1996, 161 (Tromp-Franca/Regency). Zie ook de paragrafen 5.3.3.1 en 9.2.6.5 waarin dit arrest wordt besproken in verband met verlofverlening en paragraaf 8.3 in verband met onrechtmatig beslag.
Gieske 2012, aant. 3 bij artikel 705 Rv, p. 1278.
Van der Kwaak 1996, p. 1894-1895.
Paragraaf 5.3.3.2.
Oudelaar 2000, p. 138.
Blaauw 1996, p. 215-216.
Jansen (Burgerlijke Rechtsvordering III) losbladige Kluwer (1986, 1987 en 1988).
Beslagsyllabus augustus 2012, p. 9.
Gieske 2012, aant. 3 bij artikel 705 Rv, p. 1278.
HR 14 juni 1996, rov. 3.4, LJN ZC2149, NJ 1997, 481, m.nt. H.J. Snijders (De Ruiterij/MBO-Ruiters).
Of het beslag kan of moet worden opgeheven is een kwestie van interpretatie: zie hieromtrent ook de paragrafen 6.3.2 en 6.3.2.1-6.3.2.3.
Zie paragraaf 6.3.2.3.
Een eerste hier te bespreken aspect is hetgeen moet worden begrepen onder het begrip ‘het onnodige van het beslag’. In de doctrine wordt in dit verband vaak verwezen naar het arrest Tromp-Franca/Regency, waarin de Hoge Raad nader aangeeft wanneer een beslag als vexatoir en daarmee onrechtmatig moet worden aangemerkt:
‘(…) In beginsel dient te worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op een van die goederen in zijn belangen wordt getroffen.’1
Gieske noemt daarnaast als voorbeelden van het onnodige van het beslag de situatie dat sprake is van voldoende verhaal, waarbij geen verduistering is te vrezen en aansprakelijkheid die door een verzekeringspolis wordt gedekt. Beslag kan, na een afweging van belangen van partijen over en weer, als onnodig worden aangemerkt, zo vermeldt Gieske.2 Van der Kwaak meent dat met de onnodigheid van een beslag een vexatoir beslag wordt bedoeld, dat misbruik van bevoegdheid oplevert. Daarbij merkt de auteur op, dat niet zo gemakkelijk is te bepalen hoe dit laatste kan worden vastgesteld, en noemt daarbij de beoordeling van de bevoegdheid tot beslaglegging naar omvang of naar object keuze,3 eerder door mij in het kader van de beoordeling van beslagrekesten en de summiere afweging van wederzijdse belangen in die situatie omschreven als de omvang en aard van het beslag.4 Oudelaar vermeldt dat een beslag als onnodig kan worden aangemerkt in de gevallen waarin er geen gevaar is dat de beslaglegger na het verkrijgen van een executoriale titel zijn vordering niet kan verhalen. Als (praktijk)voorbeelden noemt deze auteur de situatie waarin enkele maanden voordat beslag werd gelegd een hypotheek was verleend die voldoende zekerheid bood, en de omstandigheid dat bij een beslag ten laste van twee Duitse bankinstellingen in redelijkheid niet behoefde te worden gevreesd voor onttrekking van vermogen aan verhaal.5 Ik begrijp uit de tekst van Oudelaar niet dat deze uitgaat van een belangenafweging op grond waarvan tot onnodigheid van het beslag kan worden gekomen. Blaauw vermeldt in verband met het onnodige van het beslag de afwezigheid van een gegronde vrees voor verduistering. Daarnaast geeft deze auteur een aantal praktijkvoorbeelden: onnodig is het beslag als voldoende beslagobjecten aanwezig zijn, bijvoorbeeld als naast de beslagen bankrekening een onroerende zaak voorhanden is die eveneens in beslag genomen is en voldoende verhaal biedt. Er is dan aanleiding het beslag op de bankrekening op te heffen en dat op de onroerende zaak te laten liggen. Ook is beslag onder de volle dochter van een bank onnodig omdat deze het niet op een faillissement van de eerste zal laten aankomen. Van onnodigheid is tevens sprake indien compensatie van de wederzijdse vorderingen resulteert in een voor de eiseres positief eindbedrag, waardoor de gedaagde bij het beslag geen belang meer heeft. Binnen dit kader speelt soms de vraag of het beslag kennelijk vexatoir is, aldus Blaauw: het beslag dient alsdan opgeheven te worden. Ook deze auteur vermeldt ter referentie het arrest Tromp-Franca/Regency.6
Jansen beschrijft het onnodige van het beslag als volgt: als de debiteur geen enkele aanleiding geeft tot het koesteren van vrees voor verduistering, of zo overvloedig verhaal biedt, dat het beslag tot bewaring van recht zijn doel voorbij zou schieten en overbodig is. Onnodig is ook vexatoir beslag, gelegd met het uitsluitende doel, de debiteur onder onevenredige druk te zetten, te kwellen en te benadelen. Er is dan sprake van misbruik van recht van de beslaglegging.7
De voorgaande voorbeelden in ogenschouw nemende, kom ik tot de vaststelling dat het onnodige van het beslag wordt bepaald door omstandigheden die feitelijk van aard zijn, welke hoewel er sprake is van een summierlijk deugdelijke vordering, kunnen leiden tot opheffing van het beslag. Deze typering lijkt dicht te liggen op de inhoud van de belangenafweging die bij verlofverlening (steeds) plaatsvindt.8
Een tweede element dat om bespreking vraagt is de rol van de belangenafweging bij het beoordelen van het onnodige van het beslag. Zoals hiervoor al werd vermeld, stelt Gieske dat het beslag, na een belangenafweging, als onnodig kan worden beschouwd.9 Dit kan verwarring scheppen omdat elementen die relevant zijn bij de afweging van wederzijdse belangen bij de beoordeling van beslagrekesten (reflexwerking Tromp-Franca/Regency) ook bij de beoordeling van de onnodigheid van het beslag in een opheffingskortgeding worden meegewogen. In het ene geval wordt gesproken van een afweging van wederzijdse belangen, in het andere is sprake van een wettelijke opheffingsgrond. Het essentiële onderscheid tussen beide situaties is dat in de fase van verlofverlening slechts eenzijdige, door de beslaglegger verstrekte informatie beschikbaar is, terwijl in een opheffingskortgeding de beslagene feiten en omstandigheden naar voren kan brengen die een grond kunnen vormen voor opheffing in verband met onnodigheid van het beslag.
Bovendien kan een beoordeling in een opheffingskortgeding niet plaatsvinden zonder een afweging van belangen.10 Is hier dan sprake van een ‘dubbele’ afweging van belangen? Ik meen van niet. Nadat is vastgesteld is dat sprake is van een onnodig beslag, bijvoorbeeld omdat de beslagene overvloedig verhaal biedt, moet nog een besluit genomen worden over de consequenties hiervan. Hierbij is van belang hoe men tegen het imperatief karakter van de opheffingsgronden van artikel 705 lid 2 Rv aankijkt. Volgens de leer van de Hoge Raad inzake het niet-rigide imperatief karakter van opheffingsgronden kan (ook) de beoordeling van de onnodigheid van het beslag niet zonder een afweging van wederzijdse belangen plaatsvinden.11 Evenals voor de opheffingsgrond summiere ondeugdelijkheid van de vordering die aan het beslag ten grondslag wordt gelegd, meen ik dat aan de omstandigheid dat is vastgesteld dat sprake is van een onnodig beslag, het gevolg moeten worden verbonden dat slechts in bijzondere situaties, voorzien van een gedegen motivering, op grond van een belangenafweging tot een ander besluit dan opheffing op grond van het voldoen aan de opheffingsgrond kan worden gekomen.12