De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht
Einde inhoudsopgave
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.3.4:5.3.4 Conclusies
De integratie van fiscale gegevens in het rijksbrede toezicht (FM nr. 155) 2018/5.3.4
5.3.4 Conclusies
Documentgegevens:
M. Snippe, datum 20-10-2018
- Datum
20-10-2018
- Auteur
M. Snippe
- JCDI
JCDI:ADS376473:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De belangrijkste conclusies met betrekking tot het verkrijgen van inlichtingen laten zich als volgt samenvatten:
De inspecteur verkrijgt zijn inlichtingen vanuit een verplichtingenstelsel met een discretionaire bevoegdheid tot het vragen van nakoming daarvan. De toezichthouder heeft een bevoegdhedenstelsel en kan medewerking vorderen. Het verkrijgen van medewerking behoort in beide situaties tot het uitvoerende proces: een beslissing tot medewerking is in beginsel geen besluit waartegen bezwaar of beroep mogelijk is.
Het niet nakomen van een vordering is in beide stelsels een strafrechtelijk delict. De inspecteur kan ook aankoersen op omkering en verzwaring van de bewijslast en kan bestuursrechtelijke boetes opleggen. Hoewel hij, evenals de toezichthouder nakoming kan vorderen, vindt de strafrechtelijke vervolging (veelal) plaats op grond van bijzondere strafrechtelijke bepalingen opgenomen in de AWR. Daarvoor is geen opzet vereist. De inspecteur heeft, in tegenstelling tot menig toezichthouder, niet de bevoegdheid zelfstandig een dwangsom op te leggen. Dat kan alleen via een civielrechtelijke procedure. Voor het verkrijgen van de toezichtgegevens vormt de AWR een specifiek stelsel dat afgestemd is op het uitvoerende proces van het heffen van belastingen: het is gebaseerd op wederkerigheid en collectieve verantwoordelijkheid.
De inspecteur kan naast inlichtingen ook gegevens opvragen; daarmee strekt zijn bevoegdheid verder dan die van de toezichthouder. Volgens de jurisprudentie kan de toezichthouder ook gegevens opvragen, maar dat is op basis van praktische overwegingen beperkt tot voorzover ook de inzageverplichting strekt. Vanuit juridisch perspectief is dat niet zuiver aangezien de inlichtingenplicht zich ten principale van de inzageverplichting onderscheidt.
Voor het nakomen van de fiscale inlichtingenplicht is – naast het naar waarheid verstrekken van inlichtingen – ook de volledigheid van belang.
Het verstrekken van inlichtingen aan de inspecteur of toezichthouder is een actieve medewerkingsverplichting tot het verstrekken van een antwoord op een vraag. Daartoe kan het in beide situaties noodzakelijk zijn dat (nieuwe) bescheiden worden opgesteld.
De kring van personen waartoe de inspecteur en toezichthouder zich kunnen wenden, zijn gelijk: de normadressaat. De inspecteur heeft in beginsel een duidelijke normadressaat, namelijk de belastingplichtige of diens wettelijke vertegenwoordiger. De inspecteur hoeft zich echter niet tot deze kring van personen te beperken. Indien nodig kan hij een derdenonderzoek instellen bij administratieplichtigen als dat (objectief gezien) van belang kan zijn. De normadressaat van de toezichthouder is veelal minder duidelijk. De toezichthouder kan zich tot een ieder richten die (direct) betrokken is (geweest) bij de wet- en regelgeving waarop wordt toegezien.
De inspecteur richt zich in beginsel tot de belastingplichtige. Bij een rechtspersoon is dat de vertegenwoordiger. Het personeel heeft alleen een medewerkingsverplichting indien het hun eigen (vermoedelijke) belastingplicht betreft dan wel (middellijk) indien hij door de belastingplichtige daartoe wordt aangewezen. De toezichthouder kan – in beginsel – van een iedere (direct) betrokkene (onmiddellijk) vorderen zijn medewerking te verlenen: dat is een ruimere kring van personen. Ook personeel en (ex-)medewerkers behoren daartoe. Tegenover de inspecteur bestaat wat dat betreft een minder verstrekkende verplichting.
De inspecteur heeft de bevoegdheid medewerking te vragen als dat van fiscaal belang kan zijn. De toezichthouder moet zich bij het vorderen van medewerking beperken tot hetgeen ‘redelijkerwijs noodzakelijk’ is voor de – effectieve – taakuitoefening.
De wijze van medewerking bepaalt de inspecteur (mits redelijk). Voor de toezichthouder moet die overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel zijn en overeenkomstig het doel van de (concrete) taakuitoefening. Wat in de AWR uitdrukkelijk is beschreven, wordt in de Awb als vanzelfsprekend ervaren.
De macht van de inspecteur rijkt – in tegenstelling tot de toezichthouder – op middelijke wijze over de (territorialiteits)grenzen heen.
Er zijn ook overeenkomsten. Die vloeien veelal voort uit de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zo kan niemand gehouden worden het onmogelijke te doen, maar dient een ieder wel zijn medewerking te verlenen. Voor beide vormen van medewerking geldt een inspanningsverplichting: geen resultaatverplichting. De grens vloeit voort uit de belangenafweging: en dat kan voor de inspecteur anders liggen dan voor een toezichthouder.