Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/2.3.2
2.3.2 Naar verrekeningsstelsel?
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS451747:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
E.J.J. van der Heijden/W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap, blz. 192, Tjeenk Willink, Zwolle, 1992.
Als meest vergaande vorm van integratie van de inkomstenbelasting en de vennootschapsbelasting kan de ondernemingswinstbelasting worden genoemd. Een dergelijke belasting elimineert de dubbele belastingdruk die het gevolg is van het klassieke stelsel. Ik verwijs voor een uitvoerige studie over de ondernemingswinstbelasting naar Y. Koudijs, Ondernemingswinstbelasting, academisch proefschrift, Centrale drukkerij UvA, Amsterdam. 1993. Zie voorts J.E.A.M. van Dijck, Belastingheffing van ondernemingen ongeacht de rechtsvorm. Belastingconsulentendag 1984 en P.H.J. Essers, Knelpunten bij de hervorming van de belastingheffing van ondernemingen, inaugurele rede, Kluwer, Deventer, 1992.
Zoals hierna in hoofdstuk 4, onderdeel 4.2 nog zal blijken, gaat de fiscale wetgever van deze meer beperkte visie uit. Ook de Commissie analytische belastingheffing van de Vereniging voor Belastingwetenschap noemt dit onderscheid, overigens niet om principiële redenen doch om budgettaire redenen. Beschouwingen over het begrip analytische inkomstenbelasting. Vereniging voor Belastingwetenschap. Geschrift nr. 197, blz. 33 en 35, Kluwer, Deventer. 1995.
Nu kan men ervoor kiezen om een aandeelhouder en een vennootschap fiscaal geheel afzonderlijk te behandelen en aan een afzonderlijke belastingheffing ^-^ inkomsten- en vennootschapsbelasting - te onderwerpen, doch dit doet aan de economische werkelijkheid niet af dat beide heffingen nauw met elkaar samenhangen. Aandeelhouders worden civielrechtelijk immers als de 'laatste schuldeisers' van de vennootschap beschouwd: In geval van liquidatie worden door de vereffenaars eerst de vorderingen van niet-aandeelhouders voldaan, waarna het eventuele resterende liquidatiesaldo ter beschikking wordt gesteld aan de aandeelhouders. Gedurende het actieve bestaan van de vennootschap, d.w.z. buiten de situatie van liquidatie, spreekt men wel van een onlosbare vennootschappelijke schuld van de vennootschap aan de aandeelhouders.1 Het is dan uiteindelijk steeds de aandeelhouder resp. winstbewijshouder die via zijn bezit aan aandelen resp. winstbewijzen in economische zin de vennootschapsbelasting die formeel door het lichaam is verschuldigd, draagt. Vanuit dit uitgangspunt is het aldus vreemd om bij de heffing van inkomstenbelasting die, zoals hierboven in onderdeel 2.2 is uiteengezet, de subjectieve draagkracht van de individuele belastingplichtige poogt te treffen, de heffing van vennootschapsbelasting buiten aanmerking te laten. Een economische invalshoek zou ertoe moeten leiden dat de vennootschapsbelasting over de winsten van de vennootschap op de één of andere wijze wordt verrekend met de inkomstenbelasting over de dividenduitkeringen bij de aandeel- resp. winstbewijshouder.2
De vraag rijst hierbij of bij deze vanuit een economische invalshoek wenselijk geachte verrekening van vennootschapsbelasting met inkomstenbelasting, t.w. de optimale aanwending van vermogen op de vrije markt, nog nader onderscheid moet worden gemaakt tussen zgn. besloten vennootschappen met één of enkele aandeelhouders enerzijds en zgn. open vennootschappen met een in beginsel onbeperkte groep van aandeelhouders anderzijds. Beursvennootschappen worden voornamelijk in deze laatste groep vennootschappen aangetroffen en in beduidend mindere mate in de eerste groep vennootschappen. Bij de zgn. besloten vennootschappen is veel meer een directe relatie aanwezig tussen de vennootschap en haar aandeelhouder(s) en fungeren in de praktijk dan ook veel meer als een verlengstuk van de achterliggende aandeelhouder(s). Bij de zgn. open vennootschappen is dit veel minder het geval en deze treden in het economische verkeer veel meer onafhankelijk op ten opzichte van de achterliggende aandeelhouders; veelal kent (het bestuur van) de open vennootschap deze aandeelhouders ook niet. Verdedigd kan worden dat de nauwe relatie tussen vennootschapsbelasting en inkomstenbelasting alleen geldt voor de zgn. besloten vennootschappen en niet voor de zgn. open vennootschappen, zodat voor deze laatste groep vennootschappen de vennootschapsbelasting als een zelfstandige (eind)heffing kan worden beschouwd. In deze meer beperkte visie zou een eventueel verrekeningsstelsel enkel moeten gelden voor de zgn. besloten vennootschappen. Weliswaar komt een dergelijk enkel tot de zgn. besloten vennootschappen beperkt verrekeningsstelsel in strijd met de economische realiteit dat ook de aandeelhouders in beursvennootschappen in economische zin via hun aandelenbezit de vennootschapsbelasting die formeeljuridisch door de vennootschap is verschuldigd, dragen, doch de beperking van een mogelijk verrekeningsstelsel tot de zgn. besloten vennootschappen lijkt niet bij voorbaat onzinnig. Vanwege de grotere afstand tussen de aandeelhouders in zgn. open vennootschappen en de desbetreffende (open) vennootschap zou kunnen worden verdedigd dat aandeelhouders in zgn. open vennootschappen de vennootschapsbelasting die het lichaam is verschuldigd, in psychologische zin niet als zodanig ervaren; men is zich er eenvoudigweg niet van bewust. Men kan zich ook afvragen of de zgn. open vennootschappen hun dividenduitkeringen laten afhangen van de additionele (inkomsten)belasting die de desbetreffende aandeelhouders zijn verschuldigd. Vanuit deze meer beperkte visie zou het verdedigbaar zijn om de eventuele verrekening van de vennootschapsbelasting over de winsten van de vennootschap met de inkomstenbelasting over de dividenduitkeringen bij de aandeelhouder te beperken tot aandeelhouders in zgn. besloten vennootschappen.3