Hof 's-Hertogenbosch, 16-06-2015, nr. HD 200.134.858, 01
ECLI:NL:GHSHE:2015:2183
- Instantie
Hof 's-Hertogenbosch
- Datum
16-06-2015
- Zaaknummer
HD 200.134.858_01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHSHE:2015:2183, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 16‑06‑2015; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:5671
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1737
ECLI:NL:GHSHE:2014:5671, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 30‑12‑2014; (Hoger beroep)
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:1737
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2183
ECLI:NL:GHSHE:2014:1737, Uitspraak, Hof 's-Hertogenbosch, 10‑06‑2014; (Hoger beroep)
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2014:5671
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2015:2183
- Wetingang
art. 219 Burgerlijk Wetboek Boek 7
- Vindplaatsen
Uitspraak 16‑06‑2015
Inhoudsindicatie
Heeft huurster wetenschap gehad van de aanwezigheid van hennep in woonwagen op gehuurde standplaats althans heeft zij onvoldoende toezicht gehouden op het gebruik dat haar ex-echtgenoot van het gehuurde maakte? Is zij jegens verhuurder aansprakelijk is voor de gedragingen van haar ex-echtgenoot? Nu eindarrest na voorafgaande tussenarresten met nummers ECLI:NL:GHSHE:2014:1737 en ECLI:NL:GHSHE:2014:5671.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.134.858/01
arrest van 16 juni 2015
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna aan te duiden als [de vrouw],
advocaat: mr. M.M.F. Starmans te Heerlen,
tegen
Woningstichting Maaskant Wonen,
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
hierna aan te duiden als Maaskant Wonen,
advocaat: mr. J.F.E. Kikken te Hoensbroek,
als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 10 juni 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:1737) en 30 december 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:5671) in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 373567 CV EXPL 13-1731 gewezen vonnis van 17 juli 2013.
8. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- -
het tussenarrest van 30 december 2014;
- -
het proces-verbaal van getuigenverhoor van 4 maart 2015;
- -
de memorie na enquête van [de vrouw];
- -
de antwoordmemorie na enquête van Maaskant Wonen.
Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.
9. De verdere beoordeling
9.1.1.
Bij het tussenarrest van 30 december 2014 heeft het hof geoordeeld dat vooralsnog toereikend bewijs aanwezig is voor de volgende feiten en omstandigheden:
- -
[de vrouw] woonde ten tijde van het aantreffen van de hennep op 13 december 2012 met haar ex-partner [ex-echtgenoot] in gezinsverband in de woonwagen op de gehuurde standplaats;
- -
op 13 december 2012 lagen in de woonwagen onder het bed in de ouderlijke slaapkamer: een geweer, een geluiddemper, en telescoopvizier en een zogenaamde schietpen;
- -
in een muurkast in de ouderslaapkamer lag een zogenaamde Bibi-gun, geschikt voor bedreiging en afdreiging;
- -
in een ruimte onder het bad was een plastic zak met 920 gram hennep verstopt;
- -
in een zwarte tas in de badkamer zat 1029 gram hennep;
- -
in de voorkamer lagen op de salontafel twee gripzakjes met respectievelijk 10 gram en 1 gram hennep;
- -
in de woonwagen werd verder een boksbeugel, een kruisboog en illegaal vuurwerk aangetroffen.
9.1.2.
Het hof heeft voorts geoordeeld:
- -
dat op grond van de voormelde feiten en omstandigheden vaststaat dat dat de ex-partner van [de vrouw] zich bezighield met illegale activiteiten waaronder het voorhanden hebben van wapens en bijna twee kilo hennep;
- -
dat op grond van het feit dat [de vrouw] met haar ex-partner in gezinsverband woonde en gelet op de veelheid van de aangetroffen illegale zaken, de conclusie gerechtvaardigd is dat [de vrouw] van deze illegale zaken, waaronder het bezit van hennep, op de hoogte was;
- -
dat [de vrouw] in ieder geval, mede gelet op de eerdere veroordeling van haar ex-partner voor een hennepdelict, ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid van hennepbezit van haar ex-partner en maatregelen had moeten nemen om dit te voorkomen, terwijl niet gesteld of gebleken is dat zij dit heeft gedaan.
Het hof heeft [de vrouw] vervolgens toegelaten tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat zij op de hoogte was van de gedragingen van haar ex-partner, te weten het verstoppen van hennep in het gehuurde in haar afwezigheid, dan wel daar ernstig rekening mee had moeten houden.
9.1.3.
Ter levering van dit tegenbewijs heeft [de vrouw] vier getuigen laten horen, te weten:
zichzelf;
dhr. [ex-echtgenoot], de ex-echtgenoot van [de vrouw];
mevr. [vriendin van de vrouw], een vriendin van [de vrouw];
dhr. [voormalig medewerker Nijbod], voormalig medewerker van Nijbod Consultancy B.V.
9.1.4.
De raadsheer-commissaris ten overstaan van wie de getuigen zijn gehoord, heeft wegens het bereiken van de in artikel 46h lid 3 van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren bepaalde leeftijd van 70 jaar niet aan het wijzen van dit arrest kunnen meewerken.
9.2.1.
[de vrouw] heeft als getuige verklaard, kort samengevat:
- -
dat zij op de dag vóór de politie-inval van 13 december 2012 naar het ziekenhuis is gegaan waar haar schoonzus geopereerd moest worden;
- -
dat zij haar ex-echtgenoot dhr. [ex-echtgenoot] heeft gevraagd om in haar woning op de kinderen te passen en in verband daarmee in de woning te blijven slapen;
- -
dat zij niet wist dat dhr. [ex-echtgenoot] zich bezig hield met hennep en dat zij niet weet waarom hij hennep en een wapen meenam om op de kinderen te passen.
9.2.2.
Het hof stelt voorop dat deze verklaring met de nodige behoedzaamheid moet worden gewaardeerd omdat [de vrouw] een direct belang heeft bij de uitkomst van de onderhavige procedure. Het hof acht deze verklaring op zichzelf onvoldoende om [de vrouw] in de levering van het tegenbewijs geslaagd te achten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [de vrouw] geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van meerdere wapens in haar woning en voor de aanwezigheid van meerdere hoeveelheden hennep, zowel verpakt in handelshoeveelheden als in gebruikershoeveelheden, op verschillende plaatsen in haar woning. De vaststaande feiten omtrent de aangetroffen zaken duiden er geenszins op dat dhr. [ex-echtgenoot] deze zaken slechts bij zich had tijdens zijn bezoek om op de kinderen te passen.
9.2.3.
Dhr. [ex-echtgenoot] heeft als getuige verklaard, kort samengevat:
- -
dat hij op verzoek van [de vrouw] op de avond vóór de politie-inval in de woning is gekomen om op de kinderen te passen en om in verband daarmee in de woning te overnachten;
- -
dat hij het vuurwapen samen met zijn oudste zoon had gekocht in België, dat deze buks voor de zoon was en dat de zoon deze buks onder het bed van [de vrouw] had gelegd;
- -
dat hij de hennep had meegenomen omdat iemand de hennep ’s-avonds laat zou komen ophalen, waarna de afspraak daarvoor werd verzet naar de volgende dag;
- -
dat [de vrouw] daar niets van wist.
9.2.4.
Ook deze verklaring moet naar het oordeel van het hof met de nodige behoedzaamheid worden gehanteerd. Dhr. [ex-echtgenoot] heeft immers, onder meer als vader van de kinderen van [de vrouw], evenzeer een belang bij de uitkomst van de onderhavige procedure. Ook de betrokkenheid van dhr. [ex-echtgenoot] bij meerdere strafbare feiten draagt niet bij aan zijn betrouwbaarheid als getuige. Tegen deze achtergrond acht het hof ook de verklaring van dhr. [ex-echtgenoot] niet toereikend om [de vrouw] in de levering van het tegenbewijs geslaagd te achten.
Het hof neemt daarbij in aanmerking dat met hetgeen dhr. [ex-echtgenoot] als getuige heeft verklaard over de aankoop van een buks voor zijn zoon, geen verklaring is gegeven voor de aanwezigheid in de woning van:
- -
een zogenaamde Bibi-gun, geschikt voor bedreiging en afdreiging;
- -
een boksbeugel, een kruisboog en illegaal vuurwerk;
- -
een geluiddemper, een telescoopvizier en een zogenaamde schietpen.
Bovendien blijkt uit de door [ex-echtgenoot] afgelegde verklaring in het geheel niet hoe lang de genoemde buks al onder het bed van [de vrouw] aanwezig is geweest. Dat [de vrouw] de aanwezigheid van dit wapen (en van de andere wapens) niet redelijkerwijs had moeten opmerken, kan daarom niet gezegd worden.
De verklaring die dhr. [ex-echtgenoot] over de hennep heeft afgelegd, acht het hof niet geloofwaardig. Diens verklaring dat hij de hennep slechts bij zich had omdat iemand deze hennep die avond zou komen ophalen, is niet goed te verenigen met het feit dat de politie niet alleen handelshoeveelheden hennep in de badkamer maar ook gebruikershoeveelheden hennep in twee gripzakjes in de woonkamer heeft aangetroffen. De aangetroffen situatie duidt veeleer op handel in hennep. Dit doet afbreuk aan de verklaring van dhr. [ex-echtgenoot]. Het hof concludeert dat niet aannemelijk is geworden dat de hennep slechts op 12 en 13 december 2012 in de woning aanwezig is geweest.
9.2.5.
Wanneer de getuigenverklaringen van [vriendin van de vrouw] en [voormalig medewerker Nijbod] in de beoordeling worden betrokken, voert dat niet tot een ander oordeel. Deze verklaringen bevatten naar het oordeel van het hof niet veel relevante informatie. Uit de verklaringen blijkt niet veel meer dan dat [vriendin van de vrouw] en [voormalig medewerker Nijbod] niet op de hoogte waren van de activiteiten die dhr. [ex-echtgenoot] in het gehuurde ontwikkelde.
9.2.6.
Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het ervoor gehouden moet worden dat zowel de hennep als de wapens gedurende langere tijd in de woning aanwezig zijn geweest. Naar het oordeel van het hof brengt dat in de omstandigheden van dit geval mee dat [de vrouw] redelijkerwijs van de aanwezigheid van de genoemde zaken op de hoogte heeft moeten zijn. Als zij daadwerkelijk niet op de hoogte is geweest van de aanwezigheid van deze zaken, dan is zij naar het oordeel van het hof tekort geschoten in haar verplichting om voldoende toezicht uit te oefenen op de wijze waarop haar ex-echtgenoot gebruik maakte van het gehuurde. Naar het oordeel van het hof moet gelet op de omstandigheden in dit geval worden geoordeeld dat [de vrouw] zich, in het licht van de gedragingen van haar ex-echtgenoot, zelf niet als een goed huurster heeft gedragen. [de vrouw] is in haar zorgplicht voor het gehuurde tekortgeschoten door onvoldoende controle uit te oefenen op het gebruik dat haar ex-echtgenoot van het gehuurde maakte. Het hof concludeert dat [de vrouw] niet in de levering van het tegenbewijs geslaagd is. De grieven I tot en met VI en IX kunnen daarom geen doel treffen.
9.3.1.
Door middel van grief VII voert [de vrouw] aan dat, voor zover aan haar zijde sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst, die tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding van de huurovereenkomst met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Door middel van grief VIII voert [de vrouw] aan dat een belangenafweging er in dit geval toe moet leiden dat de vordering tot ontbinding en ontruiming wordt afgewezen.
9.3.2.
Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van zijn verbintenissen, aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt.
Het is hierbij aan de tekortschietende partij om zich voldoende gemotiveerd op deze uitzondering te beroepen. Bij de beoordeling dient de rechter verder rekening te houden met alle door partijen genoegzaam gemotiveerd aangevoerde omstandigheden van het geval waaronder eventueel ook omstandigheden die hebben plaatsgevonden na de gestelde tekortkoming. De rechter dient het woonbelang van de huurder in zijn beoordeling te betrekken. Naar het hof begrijpt, wil [de vrouw] met haar grieven VII en VIII betogen dat ontbinding van de huurovereenkomst in het onderhavige geval niet gerechtvaardigd is.
9.3.3.
Het hof volgt [de vrouw] niet in dat betoog. Het is algemeen bekend dat woningcorporaties zoals Maaskant Wonen een streng anti-hennepbeleid voeren (en volgens rechtspraak kunnen voeren). In dat kader is ook van belang dat handel in hennep diverse nadelige effecten kan hebben zoals een negatieve uitstraling op de woonomgeving en verminderde verhuurbaarheid van woningen in de omgeving. Het hof merkt in dit verband nog op dat in diverse media de laatste jaren ruime aandacht is besteed aan het feit dat woningcorporaties hennepgerelateerde activiteiten niet (kunnen) tolereren. Als gevolg van het feit dat [de vrouw] onvoldoende toezicht heeft gehouden op het gebruik dat haar ex-echtgenoot van het gehuurde maakte, is Maaskant Wonen geconfronteerd met een politie-inval op het gehuurde, waarbij aanzienlijke hoeveelheden hennep en diverse wapens in beslag zijn genomen. Bij deze stand van zaken kan naar het oordeel van het hof niet van Maaskant Wonen worden gevergd dat zij de huur laat doorlopen. Maaskant Wonen heeft er een gerechtvaardigd belang bij de door haar gevorderde ontbinding omdat die ook een signaal kan zijn ten opzichte van andere huurders die mogelijk betrokkenheid bij hennepgerelateerde activiteiten zouden overwegen. Het "laten passeren" van de onderhavige overtreding van de huurdersverplichtingen zou het tegendeel van de beoogde precedentwerking opleveren: anderen zouden daarvan vermoedelijk met recht de indruk opdoen dat het met de sanctionering van dergelijke overtredingen "wel losloopt".
9.3.4.
Dat de beëindiging van de huurovereenkomst voor [de vrouw] en haar kinderen ingrijpend is, voert evenmin tot het oordeel dat ontbinding in dit geval achterwege moet blijven. Het ligt op de weg van [de vrouw] zelf om maatregelen te treffen om eventuele nadelige gevolgen van een ontruiming zoveel mogelijk te beperken. Voor zover [de vrouw] na ontruiming een wachttijd dient te doorlopen alvorens zij voor een te huren woonruimte in aanmerking kan komen en zij gedurende die wachttijd op inwoning bij anderen of crisisopvang is aangewezen is, is die omstandigheid weliswaar ingrijpend, maar rechtvaardigt deze niet de conclusie dat ontbinding en ontruiming naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid achterwege zouden moeten blijven. Het is verder aan [de vrouw] om de nadelige financiële gevolgen van de ontruiming zoveel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door de op de gehuurde standplaats aanwezige woonwagen te verkopen en over te dragen aan een nieuwe huurder van de standplaats.
9.3.5.
Om bovenstaande redenen verwerpt het hof de grieven VII en VIII. De door de grieven aangevochten beslissingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en tot veroordeling van [de vrouw] tot ontruiming van het gehuurde blijven dus in stand.
9.4.
Door middel van grief X, voor zover in het voorgaande nog niet behandeld, voert [de vrouw] aan dat de ontruimingstermijn van twee weken die de kantonrechter in het beroepen vonnis heeft gehanteerd onredelijk kort is. Bij een beoordeling van deze grief heeft [de vrouw] naar het oordeel van het hof geen belang omdat uit de memorie van grieven niet blijkt dat Maaskant Wonen [de vrouw] aan deze termijn heeft gehouden. Uit de bij de memorie van antwoord overgelegde productie 6 blijkt bovendien dat partijen in overleg een regeling hebben getroffen waarbij aan [de vrouw] een aanzienlijk ruimere ontruimingstermijn is gegund. Het hof verwerpt daarom grief X.
9.5.
Omdat geen van de grieven tot vernietiging van het vonnis van 17 juli 2013 leidt, zal het hof dat vonnis bekrachtigen. Het hof zal [de vrouw] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Het hof zal deze kostenveroordeling, zoals door Maaskant Wonen gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
10. De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 373567 CV EXPL 13-1731 tussen partijen gewezen vonnis van 17 juli 2013;
veroordeeld [de vrouw] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Maaskant Wonen tot op heden begroot op 683,-- aan vast recht en op € 2.682,-- aan salaris advocaat;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, O.G.H. Milar en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 juni 2015.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 30‑12‑2014
Inhoudsindicatie
aanwezigheid van hennep in woonwagen op gehuurde standplaats. Bewijsperikelen.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.134.858/01
arrest van 30 december 2014
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats],
appellante,
hierna te noemen: [appellante],
advocaat: mr. M.M.F. Starmans te Heerlen,
tegen
Woningstichting Maaskant Wonen,
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
hierna te noemen: Maaskant Wonen,
advocaat: mr. J.F.E. Kikken te Hoensbroek,
als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 10 juni 2014 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, onder zaaknummer 373567 CV EXPL 13-1731 gewezen vonnis van 17 juli 2013.
6. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenarrest van 10 juni 2014;
- -
de memorie na niet gehouden enquête van Maaskant Wonen met producties;
- -
de antwoordmemorie na niet gehouden enquête van [appellante] met één productie.
Partijen hebben arrest gevraagd.
7. De verdere beoordeling
7.1.
Bij genoemd tussenarrest heeft het hof Maaskant Wonen toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [appellante] op de hoogte was van de gedragingen van haar ex-partner, te weten het verstoppen van hennep in het gehuurde in haar afwezigheid, dan wel daar ernstig rekening mee had moeten houden.
7.2.
Maaskant Wonen heeft afgezien van getuigenverhoor, maar heeft bij memorie na niet gehouden enquête schriftelijke bewijsstukken in het geding gebracht, te weten:
- een verklaring d.d. 14 juli 2014 van de directie van Nijbod Consultancy Beheer en
Onderhoud B.V.;
- een aanvullend rapport d.d. 19 juni 2014 van de politie Regio Limburg, district Zuid-West-
Limburg basisteam Westelijke Mijnstreek.
7.3.
Op grond van de thans overgelegde stukken acht het hof vooralsnog toereikend bewijs aanwezig voor de volgende feiten en omstandigheden:
- [appellante] woonde ten tijde van het aantreffen van de hennep op 13 december 2012 met
haar ex-partner [ex-partner] in gezinsverband in de woonwagen op de gehuurde
standplaats;
- op 13 december 2012 lagen in de woonwagen onder het bed in de ouderlijke slaapkamer:
een geweer, een geluiddemper, en telescoopvizier en een zogenaamde schietpen;
- in een muurkast in de ouderslaapkamer lag een zogenaamde Bibi-gun, geschikt voor
bedreiging en afdreiging;
- in een ruimte onder het bad was een plastic zak met 920 gram hennep verstopt;
- in een zwarte tas in de badkamer zat 1029 gram hennep;
- in de voorkamer lagen op de salontafel twee gripzakjes met respectievelijk 10 gram en
1 gram hennep;
- in de woonwagen werd verder een boksbeugel, een kruisboog en illegaal vuurwerk
aangetroffen.
7.4.
Naar het oordeel van het hof staat op grond van de voormelde feiten en omstandigheden vast dat dat de ex-partner van [appellante] zich bezighield met illegale activiteiten waaronder het voorhanden hebben van wapens en bijna twee kilo hennep. Het hof acht verder op grond van het feit dat [appellante] met haar ex-partner in gezinsverband woonde en gelet op de veelheid van de aangetroffen illegale zaken, de conclusie gerechtvaardigd dat [appellante] van deze illegale zaken, waaronder het bezit van hennep, op de hoogte was. Zij had in ieder geval, mede gelet op de eerdere veroordeling van haar ex-partner voor een hennepdelict, ernstig rekening moeten houden met de mogelijkheid van hennepbezit van haar ex-partner en maatregelen moeten nemen om dit te voorkomen. Dat zij dit heeft gedaan is niet gesteld of gebleken.
7.5.
[appellante] heeft in beginsel recht op het leveren van tegenbewijs. Weliswaar heeft zij niet expliciet naar aanleiding van de door Maaskant Wonen na het tussenarrest overgelegde bewijsstukken tegenbewijs aangeboden, maar eerder heeft zij dit aanbod wél gedaan; haar negende grief is gericht tegen het passeren van haar bewijsaanbod door de kantonrechter.
Gelet hierop zal het hof [appellante] toelaten tot het leveren van tegenbewijs tegen de vooralsnog bewezen geachte stelling van Maaskant Wonen dat [appellante] op de hoogte was van de gedragingen van haar ex-partner, te weten het verstoppen van hennep in het gehuurde in haar afwezigheid, dan wel daar ernstig rekening mee had moeten houden.
7.6.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
8. De uitspraak
Het hof:
laat [appellante] toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stelling dat dat [appellante] op de hoogte was van de gedragingen van haar ex-partner, te weten het verstoppen van hennep in het gehuurde in haar afwezigheid, dan wel daar ernstig rekening mee had moeten houden;
bepaalt, voor het geval [appellante] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. N.J.M. van Etten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 13 januari 2015 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de maanden februari en maart 2015;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de advocaat van [appellante] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. N.J.M. van Etten, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 30 december 2014.
griffier rolraadsheer
Uitspraak 10‑06‑2014
Inhoudsindicatie
Heeft huurder wetenschap gehad van de aanwezigheid van hennep in het gehuurde? Is zij op grond van artikel 7:219 BW jegens verhuurder aansprakelijk is voor de gedragingen van haar ex-partner? Bewijsopdracht verhuurder.
Partij(en)
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
Afdeling civiel recht
zaaknummer HD 200.134.858/01
arrest van 10 juni 2014
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats],
appellante,
advocaat: mr. M.M.F. Starmans te Heerlen,
tegen
Woningstichting Maaskant Wonen,
gevestigd te [vestigingsplaats],
geïntimeerde,
advocaat: mr. J.F.E. Kikken te Hoensbroek,
op het bij exploot van dagvaarding van 16 september 2013 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen vonnis van 17 juli 2013 tussen appellante – [de vrouw] – als gedaagde en geïntimeerde – Maaskant Wonen – als eiseres.
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 373567 CV EXPL 13-1731)
Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis alsmede naar het tussenvonnis van 29 mei 2013.
2. Het geding in hoger beroep
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in hoger beroep;
- de memorie van grieven met vier producties;
- de memorie van antwoord met zes producties;
- de akte van [appellante] d.d. 18 februari 2014;
- de antwoordakte van Maaskant Wonen d.d. 18 maart 2014.
Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.
3. De gronden van het hoger beroep
Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.
4. De beoordeling
4.1.
Het gaat in deze zaak om het volgende.
a. [appellante] huurt met ingang van 7 maart 2012 van Maaskant Wonen de woonruimte, te weten een woningstandplaats met voorzieningengebouw, staande en gelegen aan de [perceel] te [plaats].
b. Op de huurovereenkomst zijn de Algemene huurvoorwaarden huurovereenkomst zelfstandige woonruimte (hierna: de algemene voorwaarden) van Maaskant Wonen van toepassing.
c. In de algemene voorwaarden staat in artikel 6.3 vermeld:
“1. Huurder zal het gehuurde gedurende de huurtijd zelf als woonruimte voor hem en leden van zijn huishouden bewonen en er zijn hoofdverblijf hebben. Hij zal het gehuurde, waaronder begrepen alle aanhorigheden en de eventuele gemeenschappelijke ruimten, overeenkomstig de bestemming gebruiken en deze bestemming niet wijzigen. (…)
9. Het is huurder niet toegestaan in het gehuurde hennep te kweken, dan wel andere activiteiten te verrichten die op grond van de Opiumwet strafbaar is gesteld.
10. Huurder staat ervoor in dat alle regels terzake de bewoning van het gehuurde en het gebruik van gemeenschappelijke ruimten ook worden nageleefd door zijn huisgenoten en andere personen waarvoor hij aansprakelijk is.”
In artikel 13 van de algemene voorwaarden staat vermeld:
“(…)
Huurder is jegens de verhuurder op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk voor de gedragingen van hen die vanwege huurder het gehuurde gebruiken of zich vanwege huurder daarop bevinden.”
d. In de woonwagen staande op de door [appellante] van Maaskant Wonen gehuurde woningstandplaats heeft op 13 december 2012 een onderzoek door de politie Regio Limburg-Zuid plaatsgevonden. In de brief van 11 februari 2013 van de politie heeft de heer [plv. chef, basiseenheid Stein-Beek-Schinnen], plaatsvervangend chef, basiseenheid Stein-Beek-Schinnen, onder meer vermeld dat bij dit onderzoek vier hoeveelheden verpakte hennep, grootte respectievelijk 1036 gram, 920 gram, 10 gram en 1 gram (derhalve met een totaalgewicht van 1967 gram), zijn aangetroffen. Volgens de brief werd de hoeveelheid van 920 gram uit een bergplaats onder de badkuip vandaan gehaald en werd de hoeveelheid van 1036 gram in een tas in de badkamer aangetroffen.
e. De politie heeft bij het onderzoek in de woonwagen tevens een vuurwapen en
illegaal vuurwerk aantroffen.
f. [appellante] was ten tijde van het onderzoek niet in haar woning aanwezig. De ex-partner van [appellante], tevens vader van de kinderen van [appellante], was ten tijde van het onderzoek in de woning aanwezig en heeft verklaard dat de gevonden hennep van hem was.
g. Bij brief van 19 december 2013 heeft de gemachtigde van Maaskant Wonen [appellante] medegedeeld dat [appellante] door de aanwezigheid van hennep in strijd heeft gehandeld met de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden. [appellante] is bij deze brief in de gelegenheid gesteld om de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen om een procedure tot ontbinding en ontruiming te voorkomen. Zij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
4.2.
Maaskant Wonen heeft vervolgens [appellante] in rechte betrokken en - kort gezegd - gevorderd:
- ontbinding van de huurovereenkomst;
- veroordeling van [appellante] tot ontruiming van het gehuurde.
Maaskant Wonen heeft aan de vordering ten grondslag gelegd dat [appellante] in ernstige mate toerekenbaar te kort is geschoten in de nakoming van de huurovereenkomst, welke tekortkoming ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. In het gehuurde is door de politie een grote hoeveelheid hennep, als ook een vuurwapen en illegaal vuurwerk aangetroffen. De ex-partner van [appellante] is als verdachte aangemerkt. Volgens Maaskant Wonen is [appellante] verantwoordelijk voor de handelwijze van derden die zij in de woning toelaat. Derhalve is niet van belang of [appellante] van de aanwezigheid van de aangetroffen zaken op de hoogte was, aldus Maaskant Wonen. Maaskant Wonen betwist overigens dat [appellante] daarvan niet op de hoogte was.
[appellante] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd. Zo heeft zij betwist dat zij verantwoordelijk is voor de handelwijze van haar ex-partner. De ex-partner verbleef, bij afwezigheid van [appellante], enkel in het gehuurde om op twee van de drie gezamenlijke kinderen te passen. [appellante] stelt dat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de illegale spullen.
4.3.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter – kort gezegd – in r.o. 4.3 geoordeeld dat [appellante] gelet op de feiten en omstandigheden op de hoogte moet zijn geweest van de gedragingen van haar ex-partner, althans daar ernstig rekening mee had moeten houden. Op grond hiervan heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellante] aansprakelijk is voor de gedragingen van haar ex-partner op gelijke wijze als voor de eigen gedragingen.
Vervolgens heeft de kantonrechter geoordeeld dat, nu een grote hoeveelheid hennep is aangetroffen in het gehuurde hetgeen in strijd is met de Opiumwet, sprake is geweest van handelen in strijd met de algemene voorwaarden, wat een tekortkoming betekent in de nakoming van de huurovereenkomst. De kantonrechter heeft vervolgens geoordeeld dat de tekortkoming de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. Op grond van dat oordeel heeft de kantonrechter de vorderingen van Maaskant Wonen toegewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.4.
[appellante] kan zich met dit vonnis niet verenigen en heeft hoger beroep ingesteld. Daarnaast heeft zij een kort geding gestart teneinde de ontruiming van het gehuurde op te schorten en om een verbod aan Maaskant Wonen om tot ontruiming over te gaan. De voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, heeft bij vonnis van 4 oktober 2013 deze vorderingen afgewezen.
Partijen hebben daarna in november 2013 een overeenkomst gesloten waarin op verzoek van [appellante] de aangezegde ontruiming is uitgesteld tot 1 mei 2014, teneinde haar in de gelegenheid te stellen om de ontruiming zelf te bewerkstelligen, zulks met behoud van alle rechten die voor Maaskant Wonen uit voormelde vonnissen d.d. 17 juli 2013 en 4 oktober 2013 voortvloeien.
4.5.
[appellante] heeft tegen het bestreden vonnis tien grieven gericht. [appellante] heeft in de onderhavige procedure als belangrijkste verweer gevoerd dat zij geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van hennep in het gehuurde en dat zij niet op grond van artikel 7:219 BW jegens Maaskant Wonen aansprakelijk is voor de gedragingen van haar ex-partner (grieven II, III, IV, V en VI).
[appellante] stelt in grief I dat de hiervoor in r.o. 4.1.d genoemde feiten erg summier zijn, nu deze slechts zijn gebaseerd op de aldaar genoemde brief van de heer [plv. chef, basiseenheid Stein-Beek-Schinnen].
In grief VII stelt [appellante] dat, zou er al sprake zijn van een tekortkoming aan haar zijde, deze tekortkoming, gezien haar bijzondere aard en geringe betekenis, ontbinding van de huurovereenkomst niet rechtvaardigt.
Grief VIII is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die tot een andere belangenafweging kunnen leiden.
Grief IX is gericht tegen de beslissing om [appellante] niet tot te laten tot bewijslevering.
Grief X is gericht tegen het dictum van het vonnis.
Gezien de onderlinge samenhang zal het hof de grieven gezamenlijk behandelen.
4.6.1.
Het hof stelt het volgende voorop. Artikel 7:219 BW (dat overigens gelijkluidend is aan het onder r.o. 4.1.c geciteerde artikel 13 van de algemene voorwaarden waar Maaskant Wonen een beroep op doet) vestigt aansprakelijkheid van de huurder jegens de verhuurder voor schade, toegebracht aan het gehuurde door derden die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken, dan wel zich met diens goedvinden op het gehuurde bevinden.
Deze bepaling brengt echter niet mee dat een vordering als de onderhavige op grond van art. 7: 219 BW reeds toewijsbaar is op de enkele grond dat personen die met goedvinden van de huurder het gehuurde gebruiken of zich daarop bevinden, gedragingen hebben verricht die weliswaar niet tot schade aan het gehuurde hebben geleid, maar die, als zij zouden zijn verricht door de huurder, in strijd zouden zijn met diens verplichting zich als een goed huurder te gedragen en bovendien voldoende ernstig zijn om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Beslissend is of geoordeeld moet worden dat de huurder zich, in het licht van die gedragingen, zelf niet als een goed huurder heeft gedragen. Bij de beantwoording van de vraag of hiervan sprake is, dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, waaronder de vraag of er een voldoende verband bestaat tussen die gedragingen en het gebruik van het gehuurde. Daarvan is in elk geval sprake indien de huurder van (het voornemen tot) die gedragingen op de hoogte was, of daarmee ernstig rekening had te houden, maar heeft nagelaten de in verband daarmee redelijkerwijs van hem te verlangen maatregelen te treffen (vgl. HR 22 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8743).
4.6.2.
Maaskant Wonen stelt dat de kantonrechter op goede gronden heeft geconcludeerd dat [appellante] op de hoogte moet zijn geweest van de gedragingen van haar ex-partner, althans daar ernstig rekening mee had moeten houden.
Zij voert hiertoe onder meer aan dat in het gehuurde door de politie circa twee kilogram aan hennep is aangetroffen, deels in een tas in de badkamer en deels in een bergruimte onder de badkuip van die badkamer. Zij voert tevens aan dat de ex-partner van [appellante] door de politie als verdachte is aangemerkt. [appellante] was bekend met een veroordeling van haar ex-partner in Duitsland wegens een hennepdelict. De ex-partner verbleef meerdere keren per week op het kamp en kwam bij [appellante] in verband met het bezoek aan zijn kinderen. Gezien de hoeveelheid aangetroffen hennep heeft de kantonrechter mogen oordelen dat de voorraad handel vormde voor de ex-partner.
4.6.3.
[appellante] betwist gemotiveerd dat zij op de hoogte was van de gedragingen van haar ex-partner en dat er hennep is aangetroffen in een bergruimte onder het bad. Zij stelt dat zij op 12 december 2012 naar haar schoonzus is gegaan en pas ’s avonds op 13 december 2013 is teruggekeerd, wat wordt bevestigd in een schriftelijke verklaring van haar schoonzus. Hierdoor moest haar ex-partner op hun kinderen passen, wat hij heeft bevestigd. Hij heeft ook verklaard dat het zijn hennep was en dat hij deze in de badkamer heeft neergezet met het voornemen om die in de bergruimte onder het bad te stoppen. [appellante] betwist dat zij op de hoogte was van de door haar ex-partner in het gehuurde gebrachte hennep. Zij stelt dat zij daar geen toestemming voor heeft gegeven. Volgens [appellante] heeft zij niet gehandeld in strijd met de wet en de huurovereenkomst.
4.6.4.
Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op Maaskant Wonen de last om feiten of omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [appellante] op de hoogte was van de gedragingen van haar ex-partner dan wel daar ernstig rekening mee had moeten houden. Gezien het door Maaskant Wonen gestelde, dat door [appellante] gemotiveerd is betwist, acht het hof het door Maaskant Wonen aangedragen bewijs vooralsnog ontoereikend. Maaskant Wonen onderbouwt haar stellingen immers alleen met de brief van de politie van 11 februari 2013. Deze brief bevat onvoldoende feiten of omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat [appellante] op de hoogte was van de gedragingen van haar ex-partner dan wel daar ernstig rekening mee had moeten houden. Ook de omstandigheid dat de ex-partner al eerder is veroordeeld voor een hennepdelict in Duitsland acht het hof daarvoor onvoldoende. Een door de politie in verband met het onderzoek in de woning opgesteld proces-verbaal, dat misschien nadere informatie bevat, is door Maaskant Wonen niet overgelegd, hoewel het hof uit het slot van de brief van 11 februari 2013 begrijpt dat Maaskant Wonen daar wel de beschikking over kan krijgen.
Maaskant Wonen heeft aangeboden nader bewijs te leveren door middel van bescheiden en getuigen en het hof zal haar in de gelegenheid stellen dat bewijs te leveren. Voor het geval Maaskant Wonen het bewijs (mede) door het overleggen van bescheiden wil leveren, verdient het aanbeveling dat zij die bescheiden tenminste twee weken voor de datum van het getuigenverhoor toezendt aan de wederpartij en aan de civiele griffie van het hof.
4.6.5.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De uitspraak
Het hof:
laat Maaskant Wonen toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat [appellante] op de hoogte was van de gedragingen van haar ex-partner, te weten het verstoppen van hennep in het gehuurde in haar afwezigheid, dan wel daar ernstig rekening mee had moeten houden;
bepaalt, voor het geval Maaskant Wonen bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. N.J.M. van Etten als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;
verwijst de zaak naar de rol van 24 juni 2014 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de maanden augustus en september 2014;
bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;
bepaalt dat de advocaat van Maaskant Wonen tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
bepaalt dat Maaskant Wonen eventuele nadere bescheiden waarop zij zich wil beroepen, tenminste twee weken voor het verhoor zal toezenden aan de wederpartij en aan de civiele griffie;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. I.B.N. Keizer, N.J.M. van Etten en C.E.C.J. Ponsioen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 10 juni 2014.