Terug te vinden in Gerechtshof Den Bosch 26 oktober 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:3795.
Rb. Gelderland, 27-07-2023, nr. AWB - 18 , 2852
ECLI:NL:RBGEL:2023:4368
- Instantie
Rechtbank Gelderland
- Datum
27-07-2023
- Zaaknummer
AWB - 18 _ 2852
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBGEL:2023:4368, Uitspraak, Rechtbank Gelderland, 27‑07‑2023; (Eerste aanleg - meervoudig)
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Bestuursrecht 2023/210
NLF 2023/1758
Uitspraak 27‑07‑2023
Inhoudsindicatie
Bevoegdelijk beroep? BPM. Vergoeding van immateriële schade. De rechtbank heeft in twee zaken die onderdeel uitmaken van een cluster van meer dan 700 zaken informatie van verweerder ontvangen, die de rechtbank ertoe heeft aangezet te onderzoeken of de gemachtigde bevoegdelijk beroep heeft ingesteld namens twee belanghebbenden. De gemachtigde heeft verklaard dat de belanghebbenden een machtiging hebben ondertekend ten kantore van een derde, en dat hierdoor mogelijk verwarring is ontstaan. De ene belanghebbende heeft verklaard dat de handtekening onder de machtiging niet van hem is, en de andere belanghebbende heeft te kennen gegeven dat zijn handtekening is ‘gebruikt zonder zijn toestemming’. De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van de belanghebbenden volgt dat de belanghebbenden geen toestemming hebben gegeven voor het namens hen voeren van een (beroeps)procedure. Zelfs al zou ten kantore van de derde een machtiging zijn afgegeven, dan volgt daar nog niet zonder meer uit dat dit een volmacht tot het instellen van een beroepsprocedure betrof. Ook volgt daar nog niet uit dat de volmacht aan de gemachtigde is verleend. De gewenste opheldering is door de gemachtigde niet gegeven. Beroepen niet ontvankelijk. Voor een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank geen aanleiding omdat van spanning en frustratie geen sprake kan zijn. Een (beroeps)procedure is door de belanghebbenden namelijk niet beoogd.
Partij(en)
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Belastingrecht
zaaknummer: AWB 18/2852
uitspraak van de meervoudige belastingkamer van
in de zaak tussen
[eiseres]., te [vestigingsplaats], belanghebbende
(vertegenwoordigd door haar directeur, [naam 1]),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, backoffice BPM, kantoor Doetinchem, inspecteur
(gemachtigden: [naam 2] en [naam 3]),
en
de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid), te Den Haag, de Staat
(gemachtigde: [naam 4]).
Procesverloop
Belanghebbende heeft op aangifte belasting van personenauto’s en motorrijwielen (BPM) voldaan voor de auto die op de bijlage staat vermeld.
De inspecteur heeft uitspraak gedaan op het daartegen tijdig gemaakte bezwaar.
Het daartegen gerichte beroepschrift is tijdig door de rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard bij uitspraak van
20 december 2018. Bij uitspraak van 7 maart 2019 is het verzet gegrond verklaard.
De rechtbank heeft besloten onder meer deze zaak vanaf 20 januari 2021 gezamenlijk te behandelen.
Op 1 maart 2021 heeft een regiezitting plaatsgevonden. Namens belanghebbende is
[naam 5] ([naam 5]) verschenen, bijgestaan door [naam 6]. Namens de inspecteur zijn de gemachtigden verschenen.
De inspecteur heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken (deels) elektronisch ingediend.
Belanghebbende heeft gronden ingediend. De inspecteur heeft verweer gevoerd.
Op 28 april 2021 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Namens belanghebbende is [naam 5] verschenen, bijgestaan door [naam 6]. Namens de inspecteur zijn de gemachtigden verschenen. Het onderzoek is ter zitting geschorst.
[naam 5] heeft nadere gronden ingediend over de vergoeding van immateriële schade, proceskostenvergoeding, rente en het griffierecht. De inspecteur heeft nader verweer gevoerd.
De Staat heeft gereageerd op het verzoek om vergoeding van immateriële schade.
Op 28 juni 2021 is het onderzoek ter zitting hervat. Namens belanghebbende is
[naam 5] verschenen, bijgestaan door [naam 7] en [naam 6]. Namens de inspecteur zijn de gemachtigden verschenen. Namens de Staat zijn verschenen [naam 8] en [naam 9], bijgestaan door de gemachtigde en haar kantoorgenoot [naam 10].
De rechtbank heeft op 8 oktober 2021 tussenuitspraak als bedoeld in artikel 8:80a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan en daarbij de inspecteur in de gelegenheid gesteld één of meerdere gebreken te herstellen. De inspecteur heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. [naam 5] heeft daarover een schriftelijke zienswijze ingediend. Vervolgens heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege kan blijven en het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De rechtbank stelt vast dat in het pro-forma beroepschrift is vermeld dat namens belanghebbende beroep is ingesteld door [naam 5]/[A BV] ([naam 5]). Er is een volmacht overgelegd met datum 28 juni 2018 en een handtekening. Als bevoegd persoon is vermeld [naam 1] ([naam 1]). [naam 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van belanghebbende.
2. De inspecteur heeft in reactie op de tussenuitspraak bij elektronisch bericht ontvangen door de rechtbank op 21 februari 2022 het gemotiveerde standpunt ingenomen dat [naam 5] niet optreedt met toestemming van belanghebbende. De inspecteur heeft daarbij onder meer een brief van [naam 1] van 23 april 2020 overgelegd, waarin [naam 1] verklaart voor deze zaak geen machtiging te hebben getekend en het bedrijf [A BV] niet te kennen, en een proces-verbaal van de behandeling ter zitting bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 april 2021 van de zaken 19/00468 en 19/00469 over andere auto's. [naam 1] heeft daarin verklaard dat hij [naam 5] niet kent, dat hij geen machtiging heeft afgegeven voor het maken van bezwaar of het instellen van beroep en dat hij niet zijn handtekening daarvoor heeft gezet.
3. Naar aanleiding hiervan heeft de rechtbank in de onderhavige zaak onderzocht of de handtekening, zoals die is geplaatst onder de door [naam 5] overgelegde volmacht namens belanghebbende, door [naam 1] is gezet. Daartoe heeft de rechtbank aan zowel [naam 5], als aan belanghebbende, een brief met bijlagen gezonden met daarin het verzoek om een reactie. [naam 5] heeft per e-mailbericht van 25 februari 2022 aangegeven dat belanghebbende mogelijk in verwarring is en dat ten kantore van [naam 6] ([naam 6]) een machtiging is afgegeven. [naam 5] verwijst in die e-mail tevens naar een vergelijkbare zaak bij het Gerechtshof Den Bosch1.waarin hij een "passende factuur" heeft gestuurd in de situatie waarin een belanghebbende heeft aangegeven de machtiging in te willen trekken. Desgevraagd heeft [naam 1], namens belanghebbende, op 21 maart 2022 telefonisch tegenover de griffier verklaard dat ‘dit niet zijn handtekening is’.
4. De rechtbank hecht geloof aan de verklaring van [naam 1] dat het niet zijn handtekening is die onder de volmacht staat. [naam 1] heeft immers ten opzichte van de inspecteur, ter zitting bij het Hof en telefonisch aan de griffier van de rechtbank op dit punt consistent verklaard, zij het dat het verschillende procedures betreft. Dat [naam 1] volgens [naam 5] tegenover [naam 6] wel zou hebben erkend dat hij een machtiging heeft ondertekend, strookt niet met hetgeen [naam 1] daarover blijkens het proces-verbaal van de zitting bij het Hof (bladzijde 4) heeft verklaard. Een verklaring van [naam 6] ontbreekt, terwijl de geschetste gang van zaken juist dringend vraagt om een uitleg van zijn kant. Bovendien geldt dat, ook al zou [naam 1] namens belanghebbende ten kantore van [naam 6] een machtiging aan laatstgenoemde hebben afgegeven, dit nog niet betekent dat [naam 1] ook daadwerkelijk de bedoeling had dat namens belanghebbende een beroepsprocedure gevoerd zou worden, noch dat [naam 5] bevoegd was dit namens belanghebbende te doen. Naar het oordeel van de rechtbank is tegenover de gerezen twijfel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat bevoegdelijk beroep is ingesteld door [naam 5]. De rechtbank zal het beroep daarom, in afwijking van de eerder gegeven tussenuitspraak, niet-ontvankelijk verklaren. Dat betekent dat de rechtbank dus niet toekomt aan een (verdere) inhoudelijke behandeling van de zaak. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat van een intrekking van de procedure door belanghebbende geen sprake is. Er is immers nooit bevoegdelijk een procedure gestart.
5. De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval naar haar aard geen sprake kan zijn van door belanghebbende geleden spanning en frustratie, aangezien belanghebbende nooit een (beroeps-)procedure aanhangig heeft willen maken. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het uitgangspunt als neergelegd in het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 20112., en dus is er ook geen reden om te beoordelen of de redelijke termijn van berechting is overschreden.
6. Voor een proceskostenvergoeding ziet de rechtbank evenmin aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en mr. W.W. Monteiro, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Verzijlbergen, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:
griffier | voorzitter | |
Afschrift verzonden aan partijen op: | ||
Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer). Als het een Rijksbelastingzaak betreft (dat is een zaak waarbij de Belastingdienst partij is), kunt u digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds per brief op de hierna vermelde wijze. Betreft het een andere belastingzaak (bijvoorbeeld een zaak waarbij een heffingsambtenaar van een gemeente of een samenwerkingsverband partij is), dan kan het hoger beroep uitsluitend worden ingesteld door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem. Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen: 1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd; 2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden: a. de naam en het adres van de indiener; b. de datum van verzending; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld; d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep). | ||
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑07‑2023
ECLI:HR:NL:2011:BO05046.