FED 2025/86
Zaak Nordcurrent. Litouwse deelnemingsvrijstelling. Antimisbruikbepaling van Moeder-dochterrichtlijn. Kwalificatie van de dochteronderneming als een kunstmatige constructie. Stappen van een constructie. Belastingvoordeel.
HvJ EU 03-04-2025, ECLI:EU:C:2025:239, m.nt. prof. dr. D.M. Weber (Nordcurrent Group)
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
3 april 2025
- Magistraten
Mrs. Kumin, von Danwitz, Gervasoni
- Zaaknummer
C-228/24
- Noot
prof. dr. D.M. Weber
- Roepnaam
Nordcurrent Group
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD24879:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting / Deelnemingsvrijstelling
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Europees belastingrecht / Belastingen EU
- Brondocumenten
ECLI:EU:C:2025:239, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑04‑2025
Essentie
Zaak Nordcurrent. Litouwse deelnemingsvrijstelling. Antimisbruikbepaling van Moeder-dochterrichtlijn. Kwalificatie van de dochteronderneming als een kunstmatige constructie. Stappen van een constructie. Belastingvoordeel.
Samenvatting
Nordcurrent, een Litouwse vennootschap, ontving dividenden van haar in het Verenigd Koninkrijk gevestigde dochteronderneming. De Litouwse belastingautoriteiten weigerden toepassing van de vrijstelling van vennootschapsbelasting op grond van artikel 1, lid 2 en 3, Richtlijn 2011/96, omdat de dochteronderneming volgens hen een kunstmatige constructie vormde. Het Hof van Justitie oordeelt dat de antimisbruikbepaling zich niet verzet tegen een nationale praktijk op grond waarvan de vrijstelling wordt geweigerd voor dividenden van ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.