Procestaal: Frans.
HvJ EU, 03-04-2025, nr. C-431/23
ECLI:EU:C:2025:232
- Instantie
Hof van Justitie van de Europese Unie
- Datum
03-04-2025
- Magistraten
C. Lycourgos, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei, N. Fenger
- Zaaknummer
C-431/23
- Conclusie
A. Rantos
- Roepnaam
Wibra België
- Vakgebied(en)
EU-recht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:EU:C:2025:232, Uitspraak, Hof van Justitie van de Europese Unie, 03‑04‑2025
ECLI:EU:C:2024:922, Conclusie, Hof van Justitie van de Europese Unie, 24‑10‑2024
Uitspraak 03‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Sociaal beleid — Overgang van ondernemingen — Behoud van de rechten van de werknemers — Richtlijn 2001/23/EG — Artikel 5, lid 1 — Begrip ‘faillissementsprocedure’ — Overgang van een onderneming die heeft plaatsgevonden ten gevolge van een faillietverklaring na de voorbereiding ervan in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie
C. Lycourgos, S. Rodin, N. Piçarra, O. Spineanu-Matei, N. Fenger
Partij(en)
In zaak C-431/23*,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de tribunal du travail de Liège (arbeidsrechtbank Luik, België) bij beslissing van 26 mei 2023, ingekomen bij het Hof op 11 juli 2023, in de procedure
AE,
CO,
DU en anderen
tegen
BA, optredend in de hoedanigheid van curator van WIBRA BELGIË nv,
EP, optredend in de hoedanigheid van curator van WIBRA BELGIË nv,
RI, optredend in de hoedanigheid van curator van WIBRA BELGIË nv,
WIBRA BELGIË bv,
in tegenwoordigheid van:
VT,
HL,
MO en anderen,
wijst
HET HOF (Derde kamer),
samengesteld als volgt: C. Lycourgos, kamerpresident, S. Rodin (rapporteur), N. Piçarra, O. Spineanu-Matei en N. Fenger, rechters,
advocaat-generaal: A. Rantos,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
- —
AE, CO, DU en anderen, vertegenwoordigd door H. Deckers, advocaat,
- —
WIBRA BELGIË bv, vertegenwoordigd door M. Duchesne en O. Moureau, advocaten,
- —
de Belgische regering, vertegenwoordigd door A. De Brouwer, C. Pochet en L. Van den Broeck als gemachtigden,
- —
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Delaude en B.-R. Killmann als gemachtigden,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 oktober 2024,
het navolgende
Arrest
1
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB 2001, L 82, blz. 16).
2
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen AE, CO, DU en 19 andere gewezen werknemers die zijn ontslagen door WIBRA BELGIË nv (hierna: ‘Wibra België nv’) enerzijds, en BA, EP en RI, optredend in de hoedanigheid van curatoren van Wibra België nv, en WIBRA BELGIË bv (hierna: ‘Wibra België bv’) anderzijds, betreffende de vermeende niet-nakoming door deze vennootschappen van de verplichtingen inzake informatie en raadpleging van de vertegenwoordigers van de werknemers in het kader van hun collectief ontslag.
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
3
Overweging 3 van richtlijn 2001/23 luidt:
‘Voorzieningen zijn nodig om de werknemers bij verandering van ondernemer te beschermen, in het bijzonder om het behoud van hun rechten veilig te stellen.’
4
Artikel 1, lid 1, van deze richtlijn bepaalt:
- ‘a)
Deze richtlijn is van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie.
- b)
Onder voorbehoud van het bepaalde onder a) en van de hiernavolgende bepalingen van dit artikel wordt in deze richtlijn als overgang beschouwd, de overgang, met het oog op voortzetting van een al dan niet hoofdzakelijk economische activiteit, van een economische eenheid die haar identiteit behoudt, waaronder een geheel van georganiseerde middelen wordt verstaan.
[…]’
5
Artikel 3, lid 1, van deze richtlijn luidt als volgt:
‘De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, gaan door deze overgang op de verkrijger over.
De lidstaten kunnen bepalen dat de vervreemder en de verkrijger na het tijdstip van de overgang hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen welke vóór het tijdstip van de overgang voortvloeien uit een op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking.’
6
In artikel 4, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn is bepaald:
‘De overgang van de onderneming, vestiging of onderdeel van de onderneming of vestiging vormt op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag. Deze bepaling vormt geen beletsel voor ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen.’
7
Artikel 5 van richtlijn 2001/23 bepaalt:
- ‘1.
Tenzij de lidstaten anders bepalen, zijn de artikelen 3 en 4 niet van toepassing op een overgang van een onderneming, vestiging of een onderdeel van een onderneming of vestiging wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie (die een door een overheidsinstantie gemachtigde curator mag zijn).
[…]
- 4.
De lidstaten treffen de nodige maatregelen om misbruik van insolventieprocedures met het doel de werknemers van de in deze richtlijn bedoelde rechten te beroven, te voorkomen.’
Belgisch recht
8
Richtlijn 2001/23 is in Belgisch recht omgezet bij collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32 bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement.
9
Artikel 1 van deze collectieve arbeidsovereenkomst, in de versie die van toepassing is op het hoofdgeding (hierna: ‘cao nr. 32 bis’), bepaalt:
‘Onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst strekt […] [ertoe] te waarborgen:
- 1o.
eensdeels het behoud van de rechten der werknemers in alle gevallen van wijziging van werkgever ingevolge de overgang van een onderneming of van een gedeelte van een onderneming krachtens overeenkomst;
- 2o.
anderdeels een aantal rechten met betrekking tot de werknemers, die overgenomen worden in geval van overname van activa na faillissement.’
10
Hoofdstuk II van cao nr. 32 bis bevat de artikelen 6 tot en met 10.
11
Artikel 6, eerste alinea, van cao nr. 32 bis preciseert dat hoofdstuk II ervan, dat betrekking heeft op de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst, ‘van toepassing [is] bij iedere wijziging van werkgever die het gevolg is van om het even welke overgang van een onderneming of van een gedeelte van een onderneming krachtens overeenkomst, met uitsluiting van de gevallen, bedoeld bij hoofdstuk III van deze collectieve arbeidsovereenkomst’.
12
Artikel 7 van cao nr. 32 bis bepaalt:
‘De rechten en verplichtingen, welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, 1°, bestaande arbeidsovereenkomsten, gaan door deze overgang op de verkrijger over.’
13
Artikel 8 van cao nr. 32 bis luidt als volgt:
‘De vervreemder en de verkrijger zijn in solidum gehouden tot betaling van de op het tijdstip van de overgang in de zin van artikel 1, 1°, bestaande schulden, die uit de op dat tijdstip bestaande arbeidsovereenkomsten voortvloeien […].’
14
Artikel 9 van cao nr. 32 bis bepaalt:
‘De wijziging van de werkgever vormt op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag.
De werknemers, die veranderen van werkgever, kunnen nochtans ontslagen worden om een dringende reden of om economische, technische of organisatorische redenen, die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich meebrengen.’
15
Volgens hoofdstuk III van cao nr. 32 bis gaan de vennootschapsschulden van de vervreemder niet over op de verkrijger, noch is er sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid van de verkrijger met de vervreemder wanneer de overdracht van de onderneming plaatsvindt na een faillissement.
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
16
Op 30 juli 2020 heeft de ondernemingsrechtbank Gent (België) op verzoek van Wibra België nv een procedure van gerechtelijke reorganisatie van deze vennootschap ingeleid en haar tot 30 oktober 2020 opschorting verleend overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van economisch recht (hierna: ‘WER’) die voor deze procedure gelden, in de versie ervan die van toepassing is op de feiten in het hoofdgeding. Diezelfde dag heeft deze rechtbank BA, EP en RI als gerechtsmandatarissen aangesteld, met de opdracht de activiteiten van deze vennootschap geheel of gedeeltelijk te organiseren en over te dragen.
17
Op 21 september 2020 hebben deze drie gerechtsmandatarissen het overnamebod van Wibra België nv, dat door haar moedervennootschap, WIBRA NEDERLAND bv, was ingediend met betrekking tot 36 bedrijfsruimten en 183 van de 439 werknemers van Wibra België nv, aanvaard.
18
Op 30 september 2020 werd Wibra België bv opgericht om een aantal van de activiteiten die voorheen door Wibra België nv werden uitgeoefend over te nemen en voort te zetten.
19
Op 8 oktober 2020 heeft de ondernemingsrechtbank Gent het verzoek van die gerechtsmandatarissen om het in punt 17 van het onderhavige arrest bedoelde overnamebod te homologeren, afgewezen. Deze rechter heeft namelijk geoordeeld dat het overnamebod in strijd was met cao nr. 102 van 5 oktober 2011 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ten gevolge van een gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, alsmede met richtlijn 2001/23, voor zover dat overnamebod erin voorzag dat de verplichtingen inzake de betaling van het ‘vakantiegeld’ en de ‘eindejaarspremie’ van de werknemers van Wibra België nv die zouden worden overgenomen, voor hun arbeidsprestaties tot op de datum van homologatie van dat overnamebod, pro rata temporis door Wibra België nv zouden worden gedragen.
20
Bij een ander vonnis van diezelfde dag heeft de ondernemingsrechtbank Gent Wibra België nv failliet verklaard en BA, EP en RI als curatoren aangesteld. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de personeelsleden van deze vennootschap onmiddellijk op de hoogte zijn gebracht van dat vonnis en van de beslissing om hun arbeidsovereenkomst te beëindigen, met betaling van een opzeggingsvergoeding.
21
Op 9 oktober 2020 hebben de curatoren een deel van de materiële en immateriële roerende activa van Wibra België nv overgedragen aan Wibra België bv. Van alle ontslagen werknemers (te weten 439) zijn er 183 opnieuw in dienst genomen door Wibra België bv. In een brief die zij in de loop van 2021 aan de raadslieden van bepaalde voormalige werknemers van Wibra België nv hebben doen toekomen, hebben de curatoren aangegeven dat er tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie geen personeel of activiteiten waren overgedragen.
22
Op 21 juni 2021 hebben de 22 verzoekers in het hoofdgeding, als voormalige werknemers van Wibra België nv die niet opnieuw in dienst waren genomen door Wibra België bv, tegen deze twee vennootschappen een vordering ingesteld bij de tribunal du travail de Liège (arbeidsrechtbank Luik, België), de verwijzende rechter. Op 30 juni 2021 hebben 38 andere werknemers die zich in dezelfde situatie bevonden, verzocht om toelating tot interventie in het hoofdgeding.
23
Deze 60 werknemers stellen dat tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie van Wibra België nv, de verplichtingen niet zijn nagekomen die in geval van collectief ontslag gelden inzake informatie en raadpleging van de vertegenwoordigers van de werknemers, hetgeen een contractuele fout vormt die hen recht geeft op schadevergoeding. Bovendien moet volgens deze werknemers Wibra België bv hoofdelijk aansprakelijk worden gesteld voor deze schadevergoeding.
24
De verwijzende rechter merkt op dat het Belgische recht de naleving van de verplichtingen inzake informatie en raadpleging van de vertegenwoordigers van de werknemers in geval van collectief ontslag weliswaar uitdrukkelijk uitsluit in geval van faillissement van de betrokken vennootschap, maar dat niet in een dergelijke uitsluiting is voorzien in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie. De verwijzende rechter is dan ook van mening dat Wibra België nv verplicht was om, voordat het faillissementsvonnis werd uitgesproken en niettegenstaande de procedure van gerechtelijke reorganisatie, de procedure van informatie en raadpleging van de vertegenwoordigers van de werknemers te volgen alvorens tot het in het hoofdgeding aan de orde zijnde collectieve ontslag over te gaan, hetgeen zij niet heeft gedaan. Bijgevolg dient volgens hem Wibra België nv de 60 betrokken werknemers schadeloos te stellen voor die niet-nakoming van haar aan het collectieve ontslag voorafgaande verplichtingen tot informatie en raadpleging.
25
Tegen deze achtergrond vraagt de verwijzende rechter zich af of ook Wibra België bv aansprakelijk kan worden gesteld uit hoofde van die vergoedingsverplichting.
26
In de eerste plaats merkt hij op dat deze vennootschap niet verantwoordelijk was voor de aanpak van Wibra België nv. Bijgevolg kan Wibra België bv slechts aansprakelijk worden gesteld voor de door Wibra België nv begane fout voor zover zij wordt beschouwd als de verkrijger van de rechten en verplichtingen van Wibra België nv in het kader van overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst, in de zin van de artikelen 7 en 8 van cao nr. 32 bis.
27
In de tweede plaats benadrukt deze rechter dat, ondanks de rechterlijke weigering om het in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie ingediende overnamebod te homologeren, het plan voor de gedeeltelijke overdracht van Wibra België nv dat in de loop van die procedure was uitgewerkt, uiteindelijk de dag nadat het faillissement werd uitgesproken door diezelfde mandatarissen is uitgevoerd als die welke eerder hadden verzocht om homologatie van het overnamebod voor die overdracht, zij het nu in hun hoedanigheid van curator.
28
In de derde plaats meent de verwijzende rechter dat een dergelijke transactie moet worden aangemerkt als een ‘pre-packoverdracht’, die de verkrijger in staat stelt zich te beroepen op de uitzondering van artikel 5 van richtlijn 2001/23, voor zover deze transactie door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen wordt geregeld. Volgens de verwijzende rechter waren er op het ogenblik van de feiten echter geen dergelijke bepalingen naar Belgisch recht.
29
De voorbereidende fase van de overdracht van Wibra België nv heeft weliswaar plaatsgevonden onder toezicht van de gerechtsmandatarissen die door de bevoegde rechter zijn aangesteld in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie en zou dus kunnen worden geacht te worden geregeld door wettelijke bepalingen, maar de tweede fase van die transactie, namelijk de overgang van activa en personeel, is onmiddellijk gevolgd op de weigering van die rechter om het in het kader van die procedure van gerechtelijke reorganisatie uitgewerkte overnamebod te homologeren.
30
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt bovendien echter dat ter zake geen enkele rechtsregeling van kracht was op de datum waarop de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overgang heeft plaatsgevonden, aangezien die pas bij wet van 21 maart 2021 in dat wetboek is ingevoegd.
31
Tegen deze achtergrond heeft de tribunal du travail de Liège de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 5, lid 1, van richtlijn [2001/23] aldus worden uitgelegd dat aan de daarin gestelde voorwaarde, namelijk dat de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn niet van toepassing zijn op een overgang van een onderneming wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van zijn vermogen, niet is voldaan wanneer de overgang van een onderneming of een deel ervan is voorbereid vóór de opening van de faillissementsprocedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder, in dit geval in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, waarbij een overdrachtsakkoord is gesloten dat door de bevoegde rechtbank niet is gehomologeerd, en dat vervolgens onmiddellijk na de faillietverklaring ten uitvoer wordt gelegd, zonder toepassing van enige nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling?’
Beantwoording van de prejudiciële vraag
32
Met zijn enige vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is in een situatie waarin een faillissementsprocedure volgt op een procedure van gerechtelijke reorganisatie waarin een akkoord tot gedeeltelijke overgang van de betrokken onderneming is uitgewerkt maar niet is gehomologeerd door de bevoegde rechter, waarna dit akkoord wordt uitgevoerd zodra het faillissement is uitgesproken.
33
Om te beginnen zij erop gewezen dat richtlijn 2001/23 volgens overweging 3 ervan de werknemers beoogt te beschermen, met name door het behoud van hun rechten veilig te stellen bij overgang van een onderneming (arrest van 22 juni 2017, Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a., C-126/16, EU:C:2017:489, punt 38).
34
Daartoe bepaalt artikel 3, lid 1, eerste alinea, van die richtlijn dat de rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding, door deze overgang op de verkrijger overgaan. Artikel 4, lid 1, van die richtlijn beschermt werknemers tegen ontslag door de vervreemder of de verkrijger dat louter op basis van die overgang plaatsvindt (arrest van 22 juni 2017, Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a., C-126/16, EU:C:2017:489, punt 39).
35
In afwijking daarvan bepaalt artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 dat de bescherming van de artikelen 3 en 4 niet geldt bij een overgang van een onderneming die plaatsvindt onder de in die bepaling genoemde omstandigheden, tenzij de lidstaten anders bepalen (arrest van 22 juni 2017, Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a., C-126/16, EU:C:2017:489, punt 40).
36
Aangezien artikel 5, lid 1, tot gevolg heeft dat de bescherming van werknemers in bepaalde gevallen van overgang van een onderneming in beginsel niet geldt en daarmee afwijkt van het hoofddoel van richtlijn 2001/23, moet die bepaling noodzakelijkerwijs strikt worden uitgelegd (zie in die zin arrest van 22 juni 2017, Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a., C-126/16, EU:C:2017:489, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
37
Volgens deze bepaling zijn de in artikel 3 van richtlijn 2001/23 bedoelde gelijktijdige overgang van de rechten en verplichtingen welke voortvloeien uit de arbeidsovereenkomsten met de vervreemder en het in artikel 4 van deze richtlijn neergelegde principiële verbod op ontslag niet van toepassing op een overgang van een onderneming wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van zijn vermogen onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie, tenzij de lidstaten anders bepalen.
38
Ook al blijkt uit de bewoordingen van het eerste zinsdeel van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 als zodanig dat de lidstaten in de omstandigheden die de toepassing van deze bepaling rechtvaardigen, de in de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn vastgestelde regeling ter bescherming van de werknemers kunnen toepassen, in het hoofdgeding heeft het Koninkrijk België geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid.
39
Hieruit volgt dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23, aangezien het de mogelijkheid biedt om af te wijken van de regeling ter bescherming van de werknemers, van toepassing is op een zaak zoals die in het hoofdgeding, op voorwaarde echter dat de procedure in kwestie voldoet aan de in die bepaling genoemde voorwaarden.
40
Dienaangaande bepaalt artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 dat moet zijn voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden, te weten, ten eerste, dat de vervreemder verwikkeld moet zijn in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure, ten tweede, dat deze procedure moet zijn ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder en, ten derde, dat die procedure onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie moet staan (zie in die zin arrest van 22 juni 2017, Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a., C-126/16, EU:C:2017:489, punt 44).
41
Wat in de eerste plaats de voorwaarde betreft dat de vervreemder verwikkeld moet zijn in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure, moet worden opgemerkt dat die voorwaarde, gelet op het in punt 36 van dit arrest in herinnering gebrachte vereiste van strikte uitlegging, zich niet kan uitstrekken tot een transactie die het faillissement voorbereidt maar niet daartoe leidt. Een overgang die weliswaar is voorbereid vóór de faillietverklaring, maar pas daarna wordt uitgevoerd, impliceert evenwel daadwerkelijk het faillissement, en kan dus onder het begrip ‘faillissementsprocedure’ in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 vallen (zie in die zin arrest van 22 juni 2017, Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a., C-126/16, EU:C:2017:489, punten 45 en 46).
42
In dat verband blijkt uit het aan het Hof overgelegde dossier allereerst dat een procedure van gerechtelijke reorganisatie in de zin van het Belgische recht niet als een faillissementsprocedure kan worden beschouwd, en voorts dat eerstgenoemde procedure weliswaar kan leiden tot het faillissement van de betrokken onderneming, maar een dergelijk gevolg noch automatisch noch zeker blijkt te zijn. In die omstandigheden blijkt dat deze procedure op zich niet voldoet aan de eerste voorwaarde van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 (zie in die zin arrest van 16 mei 2019, Plessers, C-509/17, EU:C:2019:424, punten 42, 43 en 48).
43
Uit de stukken waarover het Hof beschikt blijkt eveneens dat de voorwaarden voor de overgang van een onderneming in casu waren uitgewerkt in een voorstel dat is ingediend in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie van Wibra België nv die voorafging aan haar faillietverklaring, en dat de overgang die na die faillietverklaring heeft plaatsgevonden, overeenkomstig die voorwaarden is verricht.
44
Het staat dus aan de verwijzende rechter om te bepalen of, met name gelet op het Belgische recht dat in dat tijdvak van toepassing was, de opstelling van een overnameplan in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie van Wibra België nv enerzijds, en de uitvoering van dit plan tijdens de faillissementsprocedure van deze vennootschap anderzijds, moeten worden beschouwd als een en dezelfde verrichting waarbij die vennootschap van meet af aan failliet zou worden verklaard wegens haar bewezen insolventie, en dit voordat de onderneming werd overgedragen. In dat geval kan de gehele transactie worden beschouwd als een faillissementsprocedure of een soortgelijke procedure in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23. Indien dat niet het geval is, kan alleen de faillissementsprocedure van Wibra België nv onder deze bepaling vallen.
45
In de tweede plaats vereist artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 dat de faillissementsprocedure of de soortgelijke procedure wordt ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder.
46
In dat verband moet ten eerste worden opgemerkt dat een procedure die de voortzetting van de activiteit van de betrokken onderneming beoogt, niet aan dat vereiste voldoet (arrest van 22 juni 2017, Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a., C-126/16, EU:C:2017:489, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
47
Het Hof heeft met betrekking tot het verschil tussen een procedure die de voortzetting van de activiteit van de onderneming beoogt en een procedure die wegens haar bewezen insolventie de liquidatie van haar vermogen beoogt, reeds de gelegenheid gehad om te verduidelijken dat de eerste procedure beoogt het operationele karakter van de onderneming of van de levensvatbare onderdelen daarvan veilig te stellen, terwijl de tweede procedure zorgt voor een zo hoog mogelijke uitbetaling aan de gezamenlijke schuldeisers. Ook al is het niet uitgesloten dat er een zekere overlapping kan zijn tussen die twee doelen die een bepaalde procedure nastreeft, het hoofddoel van een procedure die de voortzetting van de activiteit van de onderneming beoogt, blijft in elk geval het behoud van de betrokken onderneming (zie in die zin arrest van 22 juni 2017, Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a., C-126/16, EU:C:2017:489, punt 48).
48
Zo kan het doel van een faillissementsprocedure of een soortgelijke procedure erin bestaan om de uitbetaling van de gezamenlijke schuldeisers te maximaliseren, zelfs wanneer zij als nevendoel de overdracht van de draaiende onderneming heeft waarbij de werkgelegenheid zo veel mogelijk behouden blijft [zie in die zin arrest van 28 april 2022, Federatie Nederlandse Vakbeweging (Pre-packprocedure), C-237/20, EU:C:2022:321, punt 55].
49
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt eveneens dat niet alleen moet worden vastgesteld dat een faillissementsprocedure of een soortgelijke procedure als primair doel heeft om een zo hoog mogelijke uitbetaling aan de schuldeisers te verwezenlijken, maar ook dat de tenuitvoerlegging van die overgang het mogelijk maakt dit primaire doel daadwerkelijk te bereiken [zie in die zin arrest van 28 april 2022, Federatie Nederlandse Vakbeweging (Pre-packprocedure), C-237/20, EU:C:2022:321, punt 53].
50
Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om, rekening houdend met alle relevante gegevens, na te gaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde opeenvolgende procedures, afzonderlijk dan wel globaal beschouwd, ertoe strekten de uitbetaling van de gezamenlijke schuldeisers te maximaliseren en het mogelijk hebben gemaakt om dat doel te bereiken in de zin van de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak, dan wel of zij er integendeel primair toe strekten het operationele karakter van de onderneming of van de levensvatbare onderdelen ervan te waarborgen.
51
In dat verband lijkt om te beginnen uit het aan het Hof overgelegde dossier naar voren te komen dat naar Belgisch recht de procedure van gerechtelijke reorganisatie, anders dan het geval is bij een faillissementsprocedure, niet primair tot doel heeft de maximale uitbetaling van de schuldeisers te waarborgen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt overigens dat het vonnis waarbij in casu gerechtsmandatarissen zijn aangesteld naar aanleiding van het door Wibra België nv ingediende verzoek tot reorganisatie, hen heeft belast met de organisatie en de gehele of gedeeltelijke overgang van de activiteiten van deze vennootschap.
52
Daarbij komt dat, indien de verwijzende rechter van mening zou zijn, zoals in punt 44 van het onderhavige arrest is aangegeven, dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie en de faillissementsprocedure van Wibra België nv samen een faillissementsprocedure of een soortgelijke procedure vormden in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23, hij zal moeten nagaan of een dergelijke procedure als zodanig voldoet aan de in punt 45 genoemde voorwaarde, wat impliceert dat het primaire doel van deze procedure in zijn geheel erin bestond om de hoogst mogelijke uitbetaling aan de gezamenlijke schuldeisers van de vervreemder te bewerkstelligen [zie in die zin arrest van 28 april 2022, Federatie Nederlandse Vakbeweging (Pre-packprocedure), C-237/20, EU:C:2022:321, punten 52 en 53].
53
Bij zijn onderzoek of in de onderhavige zaak aan de in punt 45 van dit arrest genoemde voorwaarde is voldaan, zou de nationale rechter met name rekening kunnen houden met het feit dat Wibra België bv is opgericht met het doel om een deel van de voorheen door Wibra België nv uitgeoefende activiteiten over te nemen en voort te zetten en dat een persbericht van ‘Wibra’, dat dateert van de dag na de faillietverklaring van deze vennootschap, aankondigt dat de curatoren die na deze faillietverklaring zijn aangesteld, ‘na overleg het plan voor de overname van Wibra’ betreffende de verplaatsing van de Belgische zetel van Wibra België nv, van 36 winkels en de volgende wederindienstneming van 183 werknemers ‘hebben goedgekeurd’, waarbij werd gepreciseerd dat ‘[d]eze herstart een einde maakt aan de onzekerheid over de voortzetting van de activiteiten van Wibra in België’.
54
Ten tweede moet worden nagegaan of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde faillissementsprocedure of soortgelijke procedure wordt geregeld in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen die waarborgen dat de uitvoering ervan geen bron van rechtsonzekerheid is [zie in die zin arrest van 28 april 2022, Federatie Nederlandse Vakbeweging (Pre-packprocedure), C-237/20, EU:C:2022:321, punten 54 en 55].
55
In dat verband blijkt, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, uit het aan het Hof overgelegde dossier niet dat voor de procedure van gerechtelijke reorganisatie of de faillissementsprocedure, zoals deze in het Belgische recht zijn vastgesteld, geen toereikend wettelijk of regelgevend kader voorhanden is dat voldoet aan de in het vorige punt genoemde voorwaarde.
56
Mocht de verwijzende rechter daarentegen tot de slotsom komen dat in het hoofdgeding de procedure van gerechtelijke reorganisatie en de faillissementsprocedure van Wibra België nv, in hun geheel beschouwd, een faillissementsprocedure of een soortgelijke procedure in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 kunnen vormen, dan staat het aan hem om te bepalen of het achtereenvolgens combineren van die twee procedures voldoende is geregeld door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen.
57
Wat in de derde en laatste plaats de voorwaarde betreft dat de in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 genoemde procedure onder het toezicht van een bevoegde overheidsinstantie staat, moet ten eerste worden opgemerkt dat uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat dit niet het geval is wanneer de aangestelde gerechtsmandataris tot taak heeft de overgang van de onderneming te organiseren en tot stand te brengen in naam en voor rekening van de schuldenaar en hij offertes moet inwinnen en daarbij bij voorrang waakt over het behoud van het geheel of een gedeelte van de activiteit van de onderneming, rekening houdend met de rechten van de schuldeisers, zoals dat het geval lijkt te zijn in de procedure van gerechtelijke reorganisatie in de zin van het Belgische recht (zie in die zin arrest van 16 mei 2019, Plessers, C-509/17, EU:C:2019:424, punten 46 en 47).
58
Ten tweede, indien de verwijzende rechter tot de slotsom komt dat de faillissementsprocedure of de soortgelijke procedure in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 in casu bestaat in de combinatie van de procedure van gerechtelijke reorganisatie en de faillissementsprocedure van Wibra België nv, staat het aan hem om te bepalen of een dergelijke combinatie, in haar geheel beschouwd, is onderworpen aan het toezicht van een bevoegde overheidsinstantie. Volgens de rechtspraak van het Hof kan een dergelijk toezicht om te beginnen blijken uit het feit dat een rechterlijke instantie de taken van de gemachtigden in de voorafgaande fase van die combinatie van de procedure van gerechtelijke reorganisatie en de faillissementsprocedure omschrijft en toezicht uitoefent op de uitoefening van die taken bij de eigenlijke inleiding van het faillissement, vervolgens de omstandigheid dat de overgang van de onderneming pas plaatsvindt nadat de faillissementsprocedure is ingeleid, waardoor de curator zich daartegen kan verzetten, en ten slotte het feit dat de in het kader van de voorbereidende fase handelende gemachtigden onder dezelfde voorwaarden aansprakelijk zijn voor hun handelingen als die welke gelden voor de curatoren. Om te bepalen of een dergelijke procedure onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie staat, mag daarentegen geen doorslaggevend belang worden gehecht aan de omstandigheid dat het overgangsakkoord kort na de inleiding van de faillissementsprocedure wordt ondertekend, noch aan het feit dat de gemachtigden die tijdens de voorbereidende fase van die procedure optreden, over geen enkele wettelijke bevoegdheid beschikken [zie in die zin arrest van 28 april 2022, Federatie Nederlandse Vakbeweging (Pre-packprocedure), C-237/20, EU:C:2022:321, punten 59 en 62–64].
59
Teneinde de verwijzende rechter alle nuttige aanwijzingen voor de beslechting van het bij hem aanhangige geding te verstrekken, moet ten slotte worden opgemerkt dat de lidstaten volgens artikel 5, lid 4, van richtlijn 2001/23 de nodige maatregelen dienen te treffen om misbruik van de faillissementsprocedures met het doel de werknemers van de in deze richtlijn bedoelde rechten te beroven, te voorkomen.
60
In casu heeft Wibra België nv ter voorbereiding van de overgang van de activiteiten van deze vennootschap of een deel ervan verzocht om de inleiding van een in het Belgische recht geregelde procedure van gerechtelijke reorganisatie, die waarborgen biedt aan de werknemers. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat deze vennootschap, nadat de ondernemingsrechtbank Gent had geweigerd het overnamebod te homologeren dat was aanvaard door de gerechtsmandatarissen die in het kader van die procedure waren aangesteld, deze rechter heeft verzocht haar failliet te verklaren en aldus een procedure in te leiden die naar Belgisch recht aan de werknemers andere waarborgen biedt dan die waarin de procedure van gerechtelijke reorganisatie voorziet.
61
Uit de verwijzingsbeslissing volgt echter ook dat het overnamebod afkomstig was van een met Wibra België nv verbonden vennootschap, zonder dat er enige aanwijzing werd gegeven of er naar andere potentiële kopers werd gezocht, en dat aan de weigering om het bod te homologeren het feit ten grondslag lag dat het bod in strijd was met een aantal dwingende bepalingen inzake de bescherming van werknemers die konden worden getroffen door de voorgenomen overgang van de onderneming.
62
In die omstandigheden staat het aan de verwijzende rechter om in het licht van alle relevante gegevens na te gaan of er in casu al dan niet sprake is van misbruik van een insolventieprocedure met het doel de werknemers de rechten te ontzeggen die voor hen voortvloeien uit richtlijn 2001/23.
63
Gelet op een en ander dient op de gestelde vraag te worden geantwoord dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is in een situatie waarin een faillissementsprocedure volgt op een procedure van gerechtelijke reorganisatie waarin een akkoord tot gedeeltelijke overgang van de betrokken onderneming is uitgewerkt maar dat niet is gehomologeerd door de bevoegde rechter, waarna dit akkoord wordt uitgevoerd zodra het faillissement is uitgesproken, op voorwaarde dat de ten uitvoer gelegde faillissementsprocedure of soortgelijke procedure daadwerkelijk is ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder, deze procedure onder toezicht staat van een bevoegde overheidsinstantie en het gebruik van die procedure niet kan worden aangemerkt als misbruik.
Kosten
64
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.
Het Hof (Derde kamer) verklaart voor recht:
Artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen
moet aldus worden uitgelegd dat
het van toepassing is in een situatie waarin een faillissementsprocedure volgt op een procedure van gerechtelijke reorganisatie waarin een akkoord tot gedeeltelijke overgang van de betrokken onderneming is uitgewerkt maar dat niet is gehomologeerd door de bevoegde rechter, waarna dit akkoord wordt uitgevoerd zodra het faillissement is uitgesproken, op voorwaarde dat de ten uitvoer gelegde faillissementsprocedure of soortgelijke procedure daadwerkelijk is ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder, deze procedure onder toezicht staat van een bevoegde overheidsinstantie en het gebruik van die procedure niet kan worden aangemerkt als misbruik.
ondertekeningen
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 03‑04‑2025
Conclusie 24‑10‑2024
Inhoudsindicatie
Prejudiciële verwijzing — Sociale politiek — Richtlijn 2001/23/EG — Overgang van ondernemingen — Behoud van de rechten van de werknemers — Artikelen 3 tot en met 5 — Afwijking — Voorwaarden — Insolventieprocedure — Overgang van een onderdeel van een onderneming die is voorbereid in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie en onmiddellijk na de faillietverklaring ten uitvoer is gelegd
A. Rantos
Partij(en)
Zaak C-431/231.
AE,
CO,
DU,
en andere partijen
tegen
BA, optredend in de hoedanigheid van curator in het faillissement van Wibra België nv,
EP, optredend in de hoedanigheid van curator in het faillissement van Wibra België nv,
RI, optredend in de hoedanigheid van curator in het faillissement van Wibra België nv,
Wibra België bv,
in tegenwoordigheid van
VT,
HL,
MO,
en andere partijen
[verzoek van de tribunal du travail de Liège (arbeidsrechtbank Luik, België) om een prejudiciële beslissing]
I. Inleiding
1.
In de onderhavige zaak wordt het Hof opnieuw verzocht om zich uit te spreken over de vraag of de in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23/EG2. vastgestelde uitzondering op de regeling ter bescherming van de werknemers in geval van een insolventieprocedure van toepassing is op de overdracht van een onderneming.
2.
Meer in het bijzonder wenst de tribunal du travail de Liège (arbeidsrechtbank Luik, België), die het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing heeft ingediend, in essentie van het Hof te vernemen of deze uitzondering van toepassing is in een situatie waarin de overdracht geheel is voorbereid in het kader van een procedure die was bedoeld om de onderneming voort te zetten maar die is mislukt omdat de verkrijger heeft geweigerd de dwingende bepalingen ter bescherming van de werknemers in acht te nemen, waarbij de overdracht vervolgens precies onder dezelfde voorwaarden is uitgevoerd op de dag na de faillietverklaring van de vervreemder, die bovendien deel uitmaakt van hetzelfde concern als de verkrijger.
3.
Deze zaak, die aansluit bij de rechtspraak van het Hof3. ter verduidelijking van de omvang van de in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 neergelegde uitzondering, biedt het Hof de gelegenheid om in dit verband meer aanwijzingen te verstrekken.
4.
De uitlegging van deze bepaling veronderstelt dat het juiste evenwicht wordt gevonden tussen enerzijds het vereiste om het gebruik van juridische instrumenten die het prijzenswaardige doel nastreven de voortzetting van ondernemingen of onderdelen daarvan mogelijk te maken, niet in gevaar te brengen, zelfs in geval van gebleken financiële problemen, en anderzijds het vereiste om niet toe te laten dat door het oneigenlijke gebruik van dergelijke instrumenten of, meer in het algemeen, van insolventieprocedures, de bescherming wordt omzeild die het Unierecht aan de werknemers garandeert.4.
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
5.
Artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/23 luidt:
‘De rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking, gaan door deze overgang op de verkrijger over.
De lidstaten kunnen bepalen dat de vervreemder en de verkrijger na het tijdstip van de overgang hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen welke vóór het tijdstip van de overgang voortvloeien uit een op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking.’
6.
Artikel 4, lid 1, van deze richtlijn bepaalt dat de overgang van een onderneming ‘op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag’ vormt, onverminderd de mogelijkheid van ‘ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen’.
7.
In artikel 5, leden 1 en 4, van deze richtlijn, houdende een afwijking van de hierboven beschreven beschermingsregeling, is bepaald:
- ‘1.
Tenzij de lidstaten anders bepalen, zijn de artikelen 3 en 4 niet van toepassing op een overgang van een onderneming, vestiging of een onderdeel van een onderneming of vestiging wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie (die een door een overheidsinstantie gemachtigde curator mag zijn).
[…]
- 4.
De lidstaten treffen de nodige maatregelen om misbruik van insolventieprocedures met het doel de werknemers van de in deze richtlijn bedoelde rechten te beroven, te voorkomen.’
B. Belgisch recht
1. Relevante bepalingen van het Wetboek van economisch recht met betrekking tot insolventie van ondernemingen
8.
De procedure van gerechtelijke reorganisatie zoals die ten tijde van de aan het hoofdgeding ten grondslag liggende feiten van toepassing was, werd naar Belgisch recht beheerst door de artikelen XX.39 en volgende van het Wetboek van economisch recht (hierna: ‘WER’), in de versie die van toepassing was op het hoofdgeding. In artikel XX.39 stond dat ‘[d]e procedure van gerechtelijke reorganisatie strekt tot het behouden, onder toezicht van de rechter, van de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de activa of van de activiteiten van de onderneming. Zij laat toe aan de schuldenaar een opschorting toe te kennen met het oog op [met name] de overdracht onder gerechtelijk gezag toe te staan, aan een of meerdere derden, van het geheel of een gedeelte van de activa of de activiteiten.’
9.
Overeenkomstig artikel XX.87, § 1, WER, ‘[organiseert en verricht] [d]e aangewezen gerechtsmandataris […] de door de rechtbank bevolen overdracht door de verkoop of de overdracht van de voor het behoud van het geheel of een gedeelte van de economische activiteit van de onderneming noodzakelijke of nuttige roerende of onroerende activa. Hij zoekt en wint offertes in en waakt bij voorrang over het behoud van het geheel of een gedeelte van de activiteit van de onderneming, rekening houdend met de rechten van de schuldeisers.’
10.
De faillissementsprocedures worden in het Belgische recht geregeld door de artikelen XX.98 tot en met XX.201 WER. Uit artikel XX.98 WER blijkt dat de faillissementsprocedure ertoe strekt ‘het vermogen van de schuldenaar onder bevoegdheid van een curator te plaatsen die belast is het vermogen van de gefailleerde te beheren en te vereffenen en de opbrengst ervan te verdelen onder de schuldeisers’.
11.
Bij wet van 21 maart 20215. werd boek XX van het WER gewijzigd en werd daarin een pre-packregeling opgenomen, een fase ter voorbereiding van de reorganisatie van de onderneming, waarin de president van de ondernemingsrechtbank een gerechtsmandataris kan aanstellen om tot een minnelijk of collectief akkoord te komen wanneer de schuldenaar kan aantonen dat de continuïteit van de onderneming onmiddellijk of op termijn bedreigd is.
2. Relevante bepalingen inzake het behoud van de rechten van werknemers bij wijziging van werkgever
12.
Richtlijn 2001/23 is in Belgisch recht omgezet bij onder meer collectieve arbeidsovereenkomst nr. 32 bis van 7 juni 1985 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst en tot regeling van de rechten van de werknemers die overgenomen worden bij overname van activa na faillissement, zoals gewijzigd (hierna: ‘cao nr. 32 bis’).
13.
Zoals blijkt uit artikel 1 van cao nr. 32 bis strekt deze cao er met name toe eensdeels ‘het behoud van de rechten der werknemers in alle gevallen van wijziging van werkgever ingevolge de overgang van een onderneming of van een gedeelte van een onderneming krachtens overeenkomst’ te waarborgen (hoofdstuk II) en anderdeels ‘een aantal rechten met betrekking tot de werknemers, die overgenomen worden in geval van overname van activa na faillissement’ te waarborgen (hoofdstuk III).
14.
Hoofdstuk II van cao nr. 32 bis, dat de artikelen 6 tot en met 10 omvat, betreft de ‘rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ingevolge de overgang van ondernemingen krachtens overeenkomst’.
15.
Luidens artikel 7 van cao nr. 32 bis ‘[gaan] [d]e rechten en verplichtingen welke voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst, […] door deze overgang over op de verkrijger’.
16.
In artikel 8 van cao nr. 32 bis is bepaald dat ‘[d]e vervreemder en de verkrijger […] in solidum gehouden [zijn] tot betaling van de op het tijdstip van de overgang […] bestaande schulden, die uit de op dat tijdstip bestaande arbeidsovereenkomsten voortvloeien met uitzondering van de schulden uit hoofde van aanvullende regimes van sociale voorzieningen’.
17.
Volgens artikel 9 van cao nr. 32 bis ‘[vormt] [d]e wijziging van de werkgever […] op zichzelf voor de vervreemder of de verkrijger geen reden tot ontslag’.
18.
Hoofdstuk III van cao nr. 32 bis, met als opschrift ‘rechten van de werknemers, die overgenomen worden in geval van overname van activa na faillissement’, is van toepassing bij overname van werknemers ‘ingevolge de gehele of gedeeltelijke overname van activa van een failliete onderneming, op voorwaarde dat de overname geschiedt binnen een termijn van twee maanden vanaf de datum van het faillissement’ (artikel 11, eerste alinea). Dit hoofdstuk ‘is [met name] van toepassing op de werknemers, die op de datum van het faillissement nog gebonden zijn door een arbeidsovereenkomst […] [en] is van toepassing in geval van overname van die werknemers, hetzij vóór de overname van de activa, hetzij op het ogenblik van de overname van de activa of hetzij binnen een bijkomende termijn van vier maanden na die overname’.
19.
Dit hoofdstuk III voorziet in het behoud van de bij de vorige werkgever bestaande arbeidsvoorwaarden (artikel 13 van cao nr. 32 bis) of het in aanmerking nemen van de anciënniteit die de werknemer bij zijn vorige werkgever heeft verworven voor de vaststelling van de opzeggingstermijn of van de opzeggingsvergoeding (artikel 14 van cao nr. 32 bis). Dat hoofdstuk voorziet echter niet in de overgang op de verkrijger van schulden die voortvloeien uit op de datum van overgang bestaande arbeidsovereenkomsten, noch in de aansprakelijkheid van de verkrijger — hoofdelijk of in solidum met de vervreemder — voor dergelijke schulden.
20.
Bij een overgang in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie is de toepasselijke regeling inzake de rechten van de werknemers die van collectieve arbeidsovereenkomst nr. 102 van 5 oktober 2011 betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij wijziging van werkgever ten gevolge van een gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag (hierna: ‘cao nr. 102’).
III. Hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
21.
Wibra is een Nederlandse onderneming met verschillende winkels in België en Nederland. Zij is gespecialiseerd in de verkoop van allerhande consumptieproducten tegen lage prijzen. In 2020 leed het Belgische filiaal van deze onderneming, de nv Wibra België — dat in die periode 81 winkels exploiteerde en 439 werknemers in dienst had —, aanzienlijk omzetverlies als gevolg van de COVID-19-crisis.
22.
Op 30 juli 2020 heeft de nv Wibra België daarom een verzoek tot gerechtelijke reorganisatie ingediend bij de ondernemingsrechtbank Gent (België), die opschorting heeft verleend tot 30 oktober van datzelfde jaar en drie gerechtsmandatarissen (BA, EP en RI) heeft aangesteld met de opdracht de activiteiten van de vennootschap geheel of gedeeltelijk te organiseren en over te dragen.
23.
Op 21 september 2020 hebben deze drie gerechtsmandatarissen het overnamebod van de moedervennootschap, Wibra Nederland BV, met betrekking tot 36 bedrijfsruimten en 183 van de 439 werknemers van de nv Wibra België aanvaard. In een beding van de overnameovereenkomst was bepaald dat de financiële verplichtingen ten aanzien van de overgenomen personeelsleden met betrekking tot de betaling van het toekomstige vakantiegeld en de eindejaarspremie voor werkzaamheden verricht tot de datum van homologatie pro rata temporis ten laste zouden komen van de verkoper.
24.
Op 30 september 2020 werd een ad-hoconderneming, de bv Wibra België, opgericht om een aantal van de activiteiten die voorheen door de nv Wibra België werden uitgeoefend over te nemen en voort te zetten.
25.
De drie voornoemde gerechtsmandatarissen hebben bij de ondernemingsrechtbank Gent een verzoek tot homologatie van dit overnamebod ingediend, dat deze rechtbank bij vonnis van 8 oktober 2020 heeft verworpen omdat zij van oordeel was dat de bepalingen van het overnamevoorstel met betrekking tot het vakantiegeld en de eindejaarspremie in strijd waren met de dwingende bepalingen van cao nr. 102 en van richtlijn 2001/23.
26.
Bij een tweede vonnis dat op dezelfde dag werd uitgesproken heeft deze rechtbank de nv Wibra België failliet verklaard en de drie gerechtsmandatarissen, BA, EP en RI, als curatoren aangesteld.
27.
Ondanks de afwijzing door de rechtbank van het verzoek tot homologatie van het overnamebod en de faillietverklaring, kondigde Wibra in een persbericht van 9 oktober 2020 aan dat 36 winkels snel zouden worden heropend en dat 183 werknemers in dienst zouden worden gehouden.
28.
Gelet op het lot van de nv Wibra België werden de personeelsleden onmiddellijk op de hoogte gebracht van het faillissement en van de beslissing om hun arbeidsovereenkomst te beëindigen, met betaling van een opzeggingsvergoeding.
29.
De dag na de faillietverklaring hebben de curatoren een deel van de materiële en immateriële roerende activa van de nv Wibra België overgedragen aan de bv Wibra België. Van alle ontslagen werknemers (te weten 439 werknemers) zijn er 183 opnieuw in dienst genomen door de bv Wibra België.
30.
Naar aanleiding van vragen van sommige ontslagen werknemers hebben de curatoren met name geantwoord dat ‘na de faillietverklaring een deel van de immateriële en materiële roerende activa [was] verkocht aan de nieuw opgerichte bv Wibra België’ en dat ‘geen enkele werknemer of activiteit [was] overgegaan’.
31.
Bij verzoekschrift van 21 juni 2021 hebben AE en 21 andere door de nv Wibra België ontslagen werknemers bij de tribunal du travail de Liège, de verwijzende rechter, een vordering ingesteld tegen zowel hun voormalige failliete werkgever als de bv Wibra België. Bovendien hebben zich later nog eens 38 werknemers bij die vordering aangesloten. Alle werknemers (hierna ook, tezamen: ‘verzoekende partijen’) vorderden in het bijzonder dat, ten eerste, zou worden vastgesteld dat de overdracht van activiteiten tussen de failliete nv Wibra België en de bv Wibra België een overgang van een onderneming krachtens overeenkomst in de zin van cao nr. 32 bis en artikel 1 van richtlijn 2001/23 vormt en, ten tweede, hun een bedrag zou worden toegekend als schadevergoeding wegens schending van de bepalingen van cao nr. 32 bis en dat de bv Wibra België hoofdelijk, en bij gebreke daarvan persoonlijk, zou worden veroordeeld tot betaling van dat bedrag. Meer in het bijzonder voerden deze werknemers aan dat de bv Wibra België als verkrijger moest worden erkend, zodat zij jegens hen gebonden zou zijn door de rechten en verplichtingen die deze werknemers voordien jegens de nv Wibra België konden doen gelden, met name wat betreft de betaling van de schadevergoedingen en achterstallige bezoldigingen, geldelijke betalingen, bonussen en toelagen, met inbegrip van de opzeggingsvergoeding, die de nv Wibra België na hun ontslag als gevolg van de faillietverklaring verschuldigd was. Subsidiair hebben diezelfde werknemers verzocht om de behandeling van de zaak te schorsen in afwachting van het antwoord op de aan het Hof voorgelegde vragen.
32.
In zijn verzoek om een prejudiciële beslissing geeft de verwijzende rechter aan dat de nv Wibra België volgens hem aan elk van de verzoekende partijen schadevergoeding verschuldigd is wegens niet-nakoming van haar verplichtingen tot inlichting en raadpleging voorafgaand aan het collectieve ontslag. Gelet op het bij vonnis van 8 oktober 2020 uitgesproken faillissement moeten de vorderingen van de ontslagen werknemers echter allereerst in aanmerking komen voor opneming ervan in het passief van de faillissementsboedel, en dient het actief van het faillissement vervolgens nog steeds toereikend te zijn om de verzoekende partijen daadwerkelijk te kunnen betalen.
33.
Indien de transactie tussen de failliete nv Wibra België en de bv Wibra België als een ‘overgang van een onderneming krachtens overeenkomst’ in de zin van hoofdstuk II van cao nr. 32 bis zou worden beschouwd, zou laatstgenoemde vennootschap overeenkomstig de artikelen 7 en 8 van cao nr. 32 bis dus hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verbintenissen van eerstgenoemde vennootschap en voor de op het tijdstip van de overgang bestaande schulden.
34.
In die context vraagt de verwijzende rechter zich af hoe de overdracht van activa van de nv Wibra België aan de bv Wibra België juridisch moet worden gekwalificeerd. Hij vraagt zich in het bijzonder af of deze overdracht moet worden gekwalificeerd als een ‘overgang van een onderneming krachtens overeenkomst’ in de zin van hoofdstuk II van cao nr. 32 bis, dan wel als een ‘overname van activa na faillissement’ in de zin van hoofdstuk III van die overeenkomst.
35.
De verwijzende rechter constateert dienaangaande dat, ondanks de rechterlijke weigering om de overname van de activa na het faillissement te homologeren, het plan voor de overdracht van de onderneming door de moedermaatschappij Wibra Nederland, dat de door de ondernemingsrechtbank Gent aangestelde gerechtsmandatarissen tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie hadden uitgewerkt, uiteindelijk de dag nadat het faillissement werd uitgesproken door diezelfde mandatarissen werd uitgevoerd, zij het in hun hoedanigheid van curatoren.
36.
Bovendien merkt deze rechter op dat niet wordt betwist dat de voorwaarden van de transactie tussen beide vennootschappen, die de dag na het faillissement heeft plaatsgevonden, inhoudelijk identiek zijn aan die van het overnamebod dat in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie aan de ondernemingsrechtbank Gent is voorgelegd, waarbij de identiteit van de verkrijger het enige verschil is tussen beide transacties. De verwijzende rechter merkt evenwel op dat aangezien de bv Wibra België een dochteronderneming van de moedermaatschappij is, dit verschil in identiteit in dit geval geen enkel belang heeft.
37.
De verwijzende rechter is van mening dat het ‘geen twijfel lijdt’ dat deze transactie moet worden aangemerkt als een ‘pre-packoverdracht’ en verwijst naar de rechtspraak van het Hof6. die de verkrijger in staat stelt zich te beroepen op de uitzondering van artikel 5 van richtlijn 2001/23, mits deze nader is geregeld in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen.
38.
In het Belgische recht zijn volgens deze rechter echter geen dergelijke bepalingen voorhanden. De wijzigingen die de Belgische wetgever heeft aangebracht in het WER, met name bij de wet van 21 maart 2021, hadden immers betrekking op de voorbereidende fase (‘pre-packplan’) en niet op de overdrachtsfase (‘pre-packoverdracht’).
39.
De verwijzende rechter verduidelijkt dat het eerste deel van de transactie — de voorbereiding van de overdracht — in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden onder toezicht van gerechtsmandatarissen die door de ondernemingsrechtbank Gent zijn aangesteld voor de procedure van gerechtelijke reorganisatie. Het tweede deel van de transactie — de overdracht van activa en personeel — is onmiddellijk gevolgd op de weigering van de ondernemingsrechtbank om de oorspronkelijk overeengekomen transactie te homologeren, en dit bovendien om een reden die verband houdt met de bescherming van de rechten van de werknemers (in casu de weigering van de verkrijger om de vennootschapsschulden met betrekking tot het vakantiegeld en de eindejaarspremie over te nemen).
40.
In die omstandigheden heeft de tribunal du travail de Liège beslist zijn uitspraak over de tegen de bv Wibra België ingestelde voreringen aan te houden, de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:
‘Moet artikel 5, lid 1, van richtlijn [2001/23] aldus worden uitgelegd dat aan de daarin gestelde voorwaarde, namelijk dat de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn niet van toepassing zijn op een overgang van een onderneming wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van zijn vermogen, niet is voldaan wanneer de overgang van een onderneming of een deel ervan is voorbereid vóór de opening van de faillissementsprocedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder, in dit geval in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, waarbij een overdrachtsakkoord is gesloten dat door de bevoegde rechtbank niet is gehomologeerd, en dat vervolgens onmiddellijk na de faillietverklaring ten uitvoer wordt gelegd, zonder toepassing van enige nationale wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling?’
41.
Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door de verzoekende partijen, de bv Wibra België, de Belgische regering en de Europese Commissie.
IV. Analyse
A. Inleiding
42.
Met zijn prejudiciële vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat aan de daarin gestelde voorwaarde, namelijk dat de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn niet van toepassing zijn op een overgang van een onderneming ‘wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder’, niet is voldaan wanneer de overgang van een onderneming of een deel ervan is voorbereid vóór de opening van de faillissementsprocedure in het kader van een procedure met het oog op de voortzetting van de onderneming, zoals een procedure van gerechtelijke reorganisatie, die is afgesloten met een overdrachtsakkoord dat door de bevoegde rechtbank niet is gehomologeerd, en die overgang onmiddellijk na de faillietverklaring ten uitvoer is gelegd.
43.
Deze vraag wordt opgeworpen in het kader van een geding waarin verschillende werknemers die zijn ontslagen als gevolg van de reorganisatie van de onderneming Wibra aanvoeren dat de overgang tussen de nv Wibra België, hun voormalige werkgever, en de bv Wibra België, moet worden aangemerkt als een ‘overgang van een onderneming krachtens overeenkomst’ in de zin van artikel 1 van richtlijn 2001/23 en dat de voorwaarden voor de toepassing van de uitzondering van artikel 5, lid 1, van die richtlijn in casu niet zijn vervuld. Daaruit zou volgen dat de bv Wibra België, in haar hoedanigheid van vervreemder, gebonden zou zijn door de rechten en verplichtingen die deze werknemers voordien jegens de nv Wibra België konden doen gelden krachtens de artikelen 7 en 8 van cao nr. 32 bis, die in wezen overeenkomen met artikel 3 van richtlijn 2001/23.
44.
Zoals ik in de punten 65 tot en met 71 van deze conclusie zal uiteenzetten, blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat de aan de orde zijnde overdracht aanvankelijk werd voorbereid in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie naar Belgisch recht, maar dat zij, gelet op de weigering van de bevoegde rechter om de voorgestelde overdracht te homologeren, uiteindelijk ten uitvoer werd gelegd de dag nadat het faillissement van de nv Wibra België werd uitgesproken.
45.
De partijen die schriftelijke opmerkingen bij het Hof hebben ingediend, verschillen van mening over het antwoord dat op de prejudiciële vraag moet worden gegeven. Terwijl de verzoekende partijen en de Commissie van mening zijn dat een overdracht zoals die welke aan de orde is in het hoofdgeding niet onder de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 mag vallen, voeren de bv Wibra België en de Belgische regering daarentegen aan dat in casu is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van deze uitzondering.
B. Beantwoording van de prejudiciële vraag
1. Toepasselijkheid van richtlijn 2001/23
46.
Om de door de verwijzende rechter gestelde vraag te kunnen beantwoorden moet eerst worden nagegaan of de aan de orde zijnde overdracht binnen de werkingssfeer van richtlijn 2001/23 valt.
47.
In dit verband is deze richtlijn, volgens artikel 1, lid 1, ervan, van toepassing op de overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen op een andere ondernemer ten gevolge van een overdracht krachtens overeenkomst of een fusie.
48.
Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat de werkingssfeer van deze richtlijn zich uitstrekt tot alle gevallen waarin in het kader van contractuele betrekkingen een wijziging plaatsvindt in de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming exploiteert en die uit dien hoofde als werkgever verplichtingen heeft ten aanzien van de werknemers van de onderneming, waarbij niet van belang is of de eigendom van de materiële activa is overgedragen. Het Hof heeft dienaangaande gepreciseerd dat het beslissende criterium voor de vraag of er sprake is van een overgang in de zin van die richtlijn, het feit is dat de betreffende entiteit haar identiteit behoudt, wat met name blijkt uit de daadwerkelijke voortzetting of de hervatting van de exploitatie ervan.7. Het Hof heeft in zijn rechtspraak meerdere aanwijzingen gegeven aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of er sprake is van een overgang in de zin van richtlijn 2001/23.8.
49.
Zoals de Commissie opmerkt, maakt de verwijzingsbeslissing in casu melding van een brief van de curatoren waarin staat dat er ‘geen personeel of activiteiten zijn overgedragen’.9. Andere aanwijzingen in deze beslissing, zoals het persbericht van 9 oktober 2020 van diezelfde curatoren, waarin de snelle heropening van 36 winkels en het behoud van 183 werknemers worden aangekondigd10., lijken echter tot de conclusie te leiden dat er in de onderhavige zaak wel degelijk sprake was van een ‘overgang van een onderneming’ in de zin van artikel 1, lid 1, van richtlijn 2001/23. De verwijzende rechter, die uiteindelijk bevoegd is om in concreto vast te stellen of er sprake is van een overgang in de zin van deze bepaling, lijkt er bovendien van uit te gaan dat die richtlijn van toepassing is op de bij hem aanhangige zaak. Om die reden kan ervan uit worden gegaan dat dit in casu het geval is.
2. Uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23
50.
Wat het specifieke voorwerp van de prejudiciële vraag betreft, te weten de toepasselijkheid van de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 op de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overdracht, zij erop gewezen dat deze richtlijn beoogt de werknemers te beschermen, zoals voortvloeit uit overweging 3 van deze richtlijn, met name door het behoud van hun rechten veilig te stellen bij verandering van ondernemer.11.
51.
In het kader van deze doelstelling voorziet richtlijn 2001/23 om te beginnen in artikel 3, lid 1, eerste alinea, ervan in een overgang ipso jure op de verkrijger, louter op grond van de overgang van de onderneming, van de rechten en verplichtingen die voor de vervreemder voortvloeien uit de op het tijdstip van de overgang van de onderneming bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding. In die context wordt in de tweede alinea van datzelfde lid 1 gepreciseerd dat de lidstaten kunnen bepalen dat de vervreemder en de verkrijger hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de verplichtingen welke vóór het tijdstip van de overgang voortvloeien uit een op het tijdstip van de overgang bestaande arbeidsovereenkomst of arbeidsbetrekking. Voorts beschermt artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/23 werknemers tegen ontslag door de vervreemder of de verkrijger om de enkele reden van die overgang.12.
52.
Artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23, waarvan de uitlegging centraal staat in de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter aan het Hof, vormt een afwijking van de door artikelen 3 en 4 van deze richtlijn geboden bescherming.13. Als zodanig moet deze bepaling volgens de vaste rechtspraak van het Hof noodzakelijkerwijs strikt worden uitgelegd.14. De invoering van die uitzondering in de regeling is overigens het resultaat van de ontwikkeling van de rechtspraak van het Hof.15.
53.
Volgens artikel 5, lid 1, van die richtlijn is deze regeling, tenzij de lidstaten anders bepalen, niet van toepassing op een overgang van ondernemingen of van onderdelen daarvan wanneer aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: ten eerste, de vervreemder is verwikkeld in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure, ten tweede, deze procedure is ingeleid met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder, en ten derde, de procedure wordt uitgevoerd onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie.
54.
Deze conclusie zal worden toegespitst op de tweede voorwaarde, die centraal staat in de onderhavige zaak. Het wordt niet betwist dat in deze zaak is voldaan aan de eerste voorwaarde, aangezien de nv Wibra België in een procedure van gerechtelijke reorganisatie en een faillissementsprocedure was verwikkeld. Daarnaast worden deze beide procedures in het Belgische rechtsstelsel uitgevoerd onder toezicht van een bevoegde overheidsinstantie, zodat in het onderhavige geval ook lijkt te zijn voldaan aan de derde voorwaarde.
55.
Wat de tweede voorwaarde betreft, te weten dat de overgang plaatsvindt in het kader van een faillissementsprocedure of soortgelijke procedure ‘met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder’, blijkt uit de vaste rechtspraak van het Hof dat een procedure die de voortzetting van de activiteit van de betrokken onderneming beoogt, vanzelfsprekend niet aan die voorwaarde voldoet.16.
56.
Wat dat betreft, is het nog steeds volgens vaste rechtspraak zo dat een procedure de voortzetting van de activiteit beoogt wanneer zij bedoeld is om het operationele karakter van de onderneming of van de levensvatbare onderdelen daarvan veilig te stellen. Een procedure die de liquidatie van het vermogen beoogt, zorgt daarentegen voor een zo hoog mogelijke uitbetaling aan de gezamenlijke schuldeisers.17.
57.
In dat kader heeft het Hof verduidelijkt dat, ook al is het niet uitgesloten dat er een zekere overlapping kan zijn tussen die twee doelen die een bepaalde procedure nastreeft, het hoofddoel van een procedure die de voortzetting van de activiteit van de onderneming beoogt, in elk geval het behoud van de betrokken onderneming blijft.18.
58.
In casu moet erop worden gewezen dat de verwijzende rechter de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde transactie in zijn verwijzingsbeslissing omschrijft als een ‘pre-packoverdracht’. Deze rechter verwijst in dat verband naar de rechtspraak van het Hof betreffende de uitlegging van de artikelen 3 tot en met 5 van richtlijn 2001/23 met betrekking tot zogeheten ‘pre-pack’-transacties.
59.
In het algemeen wordt met de term ‘pre-pack’ een transactie bedoeld inzake de activa van een in moeilijkheden verkerende onderneming (een overdracht), die met behulp van een bewindvoerder (die in sommige jurisdicties door een rechtbank wordt benoemd) vóór de inleiding van een insolventieprocedure (meestal een faillissement) wordt voorbereid en normaliter onmiddellijk na die inleiding wordt uitgevoerd.19.
60.
Het Hof heeft de afgelopen jaren de gelegenheid gehad om zich uit te spreken over de toepasselijkheid van de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 op het pre-packmechanisme, met name in de arresten Smallsteps en pre-packprocedure. Deze twee arresten hadden betrekking op pre-packtransacties in Nederland.
61.
In het eerste arrest, het arrest Smallsteps, heeft het Hof — na te hebben opgemerkt dat het pre-packmechanisme op het tijdstip waarop het arrest werd gegeven, in Nederland niet in de wet was geregeld, maar het resultaat was van de rechtspraktijk20. — vastgesteld dat een pre-pack, zoals die waarover het ging in die zaak, tot in de kleinste details de overdracht van de onderneming beoogt voor te bereiden om na de faillietverklaring een snelle doorstart mogelijk te maken van de levensvatbare onderdelen van de onderneming, teneinde op die manier de onderbreking te vermijden die het gevolg zou zijn van de plotselinge stopzetting van de activiteiten van die onderneming op de datum van de faillietverklaring, zodat de waarde van de onderneming en de werkgelegenheid behouden blijven. Het heeft aldus geoordeeld dat, aangezien een dergelijke transactie uiteindelijk niet de liquidatie van de onderneming beoogt, het sociale en economische doel ervan kan verklaren noch rechtvaardigen dat haar werknemers bij een volledige of gedeeltelijke overgang van de betrokken onderneming worden beroofd van de rechten die richtlijn 2001/23 hun toekent.21.
62.
In het volgende arrest, het arrest pre-packprocedure, heeft het Hof, met betrekking tot de tweede van de drie voorwaarden voor toepassing van de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 zoals vermeld in punt 53 van deze conclusie, verduidelijkt dat wanneer het primaire doel van een pre-packprocedure, gevolgd door een faillissementsprocedure, erin bestaat om na de vaststelling van de insolventie van de vervreemder en na diens liquidatie de hoogst mogelijke uitbetaling aan zijn gezamenlijke schuldeisers te verkrijgen, deze procedures samen dus in beginsel voldoen aan deze tweede voorwaarde.22. Het Hof heeft echter eveneens geoordeeld dat in dit verband in elke afzonderlijke situatie ten eerste dient te worden nagegaan of de betrokken pre-packprocedure en faillissementsprocedure gericht zijn op de liquidatie van de onderneming nadat is vast komen te staan dat de vervreemder insolvent is, en niet enkel op een reorganisatie van die onderneming, en ten tweede dat niet alleen moet worden vastgesteld dat deze procedures als primair doel hebben om een zo hoog mogelijke uitbetaling aan de gezamenlijke schuldeisers te verwezenlijken, maar ook dat de tenuitvoerlegging van de liquidatie door middel van een overgang van (een deel van) de draaiende onderneming (going concern), zoals voorbereid in de pre-packprocedure en verwezenlijkt na de faillissementsprocedure, het mogelijk maakt dit primaire doel te bereiken. Het uitvoeren van een pre-packprocedure in verband met de liquidatie van een vennootschap heeft immers tot doel om de curator en de rechter-commissaris die de rechter na de uitspraak van het faillissement van de vennootschap aanstelt, in staat te stellen de kans te vergroten dat de schuldeisers worden uitbetaald.23.
63.
Ter beantwoording van de prejudiciële vraag van de verwijzende rechter moet in het licht van deze beginselen worden onderzocht of de overdracht die in deze zaak heeft plaatsgevonden, voldoet aan de drie in punt 53 van deze conclusie genoemde voorwaarden voor toepassing van de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23.
3. Toepasselijkheid van de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 in de onderhavige zaak
a) Overgang die in casu heeft plaatsgevonden
64.
In de onderhavige zaak heeft de overgang, zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing en zoals de bv Wibra België in haar schriftelijke opmerkingen in detail uitlegt, zich formeel in twee fasen afgespeeld.
65.
In een eerste fase heeft de nv Wibra België bij de ondernemingsrechtbank Gent een verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie ingediend en heeft zij verzocht om goedkeuring om de goedkeuring van de overdracht onder gerechtelijk gezag van een gedeelte van de activiteiten.
66.
In het kader van die procedure hebben de door deze rechter aangestelde gerechtsmandatarissen het aanbod van de moedermaatschappij Wibra Nederland, dat betrekking had op de aankoop van 36 bedrijfsruimten en de zetel en op alle materiële en immateriële activa die nodig waren om deze aankoop mogelijk te maken, bovenop de overname van 183 personeelsleden (op een totaal van 439 werknemers), aanvaard.
67.
Deze overgang werd echter niet goedgekeurd door de ondernemingsrechtbank Gent en kon dus niet daadwerkelijk worden uitgevoerd. Daarmee is de procedure van gerechtelijke reorganisatie dan ook beëindigd.
68.
Zoals blijkt uit de verwijzingsbeslissing werd de voorgestelde overdracht door die ondernemingsrechtbank niet gehomologeerd omdat sommige bepalingen van dat voorstel met betrekking tot het vakantiegeld en de eindejaarspremie in strijd waren met de dwingende bepalingen van cao nr. 102 — betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij een gerechtelijke reorganisatie24. — en met richtlijn 2001/23. De reden voor deze strijdigheid was dat de verkrijger, de bv Wibra België, weigerde om de vennootschapsschulden met betrekking tot het vakantiegeld en de eindejaarspremie over te nemen.
69.
In een tweede fase heeft de ondernemingsrechtbank Gent, na de mislukking van de procedure van gerechtelijke reorganisatie met het oog op de voortzetting van de activiteiten van de nv Wibra België en wegens de in het vorige punt vermelde weigering, bij een op dezelfde dag gegeven beslissing deze vennootschap failliet verklaard. De dag na deze faillietverklaring werd voornoemde overdracht ten uitvoer gelegd en kondigde Wibra aan dat de activiteiten in 36 winkels zouden worden hervat.
70.
Ter zake wordt door partijen niet betwist dat de voorwaarden van de overdracht die de dag na de faillietverklaring tussen de nv Wibra België en de bv Wibra België heeft plaatsgevonden, identiek zijn aan die van het overnamebod dat in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie is voorgelegd aan de ondernemingsrechtbank Gent, met als enige verschil de formele identiteit van de verkrijger. Aangezien de uiteindelijke verkrijger, de bv Wibra België, een dochteronderneming is van moedermaatschappij Wibra Nederland, die het in de procedure van gerechtelijke reorganisatie aanvaarde bod had ingediend, is dit louter formele verschil echter zonder belang, zoals de verwijzende rechter uitdrukkelijk opmerkt.
71.
De in de onderhavige zaak aan de orde zijnde overgang is dus geheel voorbereid in het kader van de eerste fase, te weten de procedure van gerechtelijke reorganisatie, maar is, ten gevolge van de weigering om de voorgestelde overdracht te homologeren, ten uitvoer gelegd onmiddellijk na de faillietverklaring.
b) Toepasselijkheid van de uitzondering
72.
Kan een overdracht zoals beschreven in de voorgaande punten in aanmerking komen voor de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23? Ik wil daarover het volgende opmerken.
73.
Ten eerste moet worden geconstateerd dat het arrest Plessers betrekking had op een overdracht die plaatsvond in het kader van een procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag naar Belgisch recht. Het betreft derhalve precies hetzelfde type procedure dat de nv Wibra België aanvankelijk had ingeleid in de onderhavige zaak.
74.
Bovendien heeft het Hof in dat arrest uitdrukkelijk geoordeeld dat deze procedure de voortzetting van de activiteit van de betrokken onderneming beoogde en dus niet behoorde tot de procedures met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder volgens de bewoordingen van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23.25.
75.
Daaruit volgt dat in casu moet worden aangenomen dat de aan de orde zijnde overgang geheel is voorbereid in het kader van een procedure strekkende tot de voortzetting van de onderneming en dus niet binnen de werkingssfeer valt van de bij artikel 5, lid 1, van die richtlijn ingevoerde uitzondering op de regeling ter bescherming van de werknemers.
76.
Ten tweede is deze overgang in casu niet alleen volledig uitgewerkt in het kader van die procedure, maar is hij na de faillietverklaring ook onmiddellijk uitgevoerd, meer bepaald op de dag na de uitspraak daarvan.
77.
In dergelijke omstandigheden, waarin de overdracht in het kader van de faillissementsprocedure in één dag tijd is uitgevoerd, kan men zich afvragen of in dit geval wel een echte faillissementsprocedure heeft plaatsgevonden. Het lijkt er eerder op dat het in dit geval ging om wat als een ‘technisch faillissement’ zou kunnen worden omschreven, te weten een faillissement dat wordt gebruikt als middel om de doorstart van de onderneming mogelijk te maken.26. Hoewel niet wordt betwist dat de onderneming in kwestie zich in een deficitaire financiële situatie bevond, was de overdracht immers al tot in de kleinste bijzonderheden voorbereid voordat het faillissement werd uitgesproken, zodat die overgang kon worden bewerkstelligd in slechts één enkele dag.
78.
In deze context zij er ook op gewezen dat uit de aan het Hof overgelegde stukken geenszins blijkt dat tijdens de faillissementsprocedure naar andere aanbiedingen is gezocht, om zo eventueel een hogere uitbetaling aan de schuldeisers te verkrijgen dan het geval was bij het reeds (door moedermaatschappij Wibra Nederland) gedane aanbod, dat was aanvaard in het kader van de eerste fase, te weten de procedure van gerechtelijke reorganisatie.
79.
Uit de aan het Hof overgelegde stukken blijkt evenmin dat de curatoren in de loop van de faillissementsprocedure stappen hebben ondernomen om op een andere manier een zo hoog mogelijke uitbetaling aan de schuldeisers te verwezenlijken.
80.
De faillissementsprocedure lijkt daarentegen uitsluitend te zijn ingeleid om de reeds in het kader van de procedure van gerechtelijke reorganisatie voorbereide overdracht in één dag tijd te kunnen uitvoeren.
81.
Ten derde moet bovendien worden opgemerkt dat het faillissement enkel is uitgesproken wegens het falen van de procedure van gerechtelijke reorganisatie, die te wijten was aan de weigering van de verkrijger (die tot hetzelfde Wibra-concern behoorde) om de dwingende bepalingen ter bescherming van de werknemers in acht te nemen. Door die mislukking heeft de verkrijger precies dezelfde transactie kunnen uitvoeren als de transactie die niet was gehomologeerd, maar dan wel met gebruikmaking van de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23, zonder de dwingende bepalingen ter bescherming van de werknemers in acht te hoeven nemen, waarvan de schending de reden was waarom tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie homologatie was geweigerd.
82.
In die omstandigheden kunnen beide procedures — de procedure van gerechtelijke reorganisatie en de (‘technische’) faillissementsprocedure (waardoor de overdracht kon worden verricht in slechts één dag) — mijns inziens niet kunstmatig van elkaar worden gescheiden door te stellen dat, aangezien laatstgenoemde procedure gericht is op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder, de overgang in kwestie in aanmerking dient te komen voor de uitzondering waarin artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 voorziet.
83.
Onder voorbehoud van de feitelijke beoordeling die de verwijzende rechter zal moeten verrichten, blijkt volgens mij immers duidelijk uit de uiteengezette feiten dat het in casu gaat om één enkele transactie die van meet af aan tot doel had de doorstart van de betrokken onderneming mogelijk te maken, en dat niet alleen in het kader van de eerste fase, maar ook in het kader van de tweede fase, te weten die van de ‘technische’ faillissementsprocedure die in wezen tot doel had de eerder voorbereide overdracht te kunnen implementeren.
84.
Dienaangaande wijst niets in het aan het Hof overgelegde dossier erop dat de twee procedures die tot de aan de orde zijnde overdracht hebben geleid als hoofddoel hadden een zo hoog mogelijke opbrengst te realiseren ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers.27. Hoewel de insolventie, onder voorbehoud van de verificaties waarvoor uitsluitend de verwijzende rechter bevoegd is, als vaststaand kan worden beschouwd, waren de ingeleide procedures niet gericht op de liquidatie van de onderneming en op een zo hoog mogelijke uitbetaling aan de gezamenlijke schuldeisers, maar beoogden zij — vanaf het begin en tot aan het einde — de voortzetting van deze onderneming middels een reorganisatie van de onderneming.28.
85.
Zoals de verzoekende partijen in hun schriftelijke opmerkingen terecht opmerken, ging het er in casu bovendien geenszins om de gefailleerde af te stoten. De doelstelling van Wibra was om een deel van haar activiteiten zelf voort te zetten en daarbij het reorganisatieplan uit te voeren dat zij aanvankelijk via de procedure van gerechtelijke reorganisatie had proberen te verwezenlijken. Een dergelijke situatie valt echter niet onder het begrip ‘faillissement’ in de zin van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23, dat — zoals blijkt uit de rechtspraak waarnaar in de punten 55 tot en met 62 van deze conclusie wordt verwezen — de liquidatie van de onderneming en de afstoting van de gefailleerde wegens insolventie veronderstelt, en niet louter een reorganisatie van de onderneming.
86.
Ten vierde en ten slotte ben ik er, wat de aanmerking door de verwijzende rechter van de aan de orde zijnde overdracht als ‘pre-pack’ betreft, niet van overtuigd dat een transactie zoals beschreven in de punten 65 tot en met 71 van deze conclusie formeel als zodanig kan worden gekwalificeerd. De term ‘pre-pack’ duidt op een specifiek soort transactie, zoals in punt 59 van deze conclusie is aangegeven. Dit soort transactie wordt thans geregeld in het Belgische recht, hoewel die wetgeving ratione temporis hoe dan ook niet van toepassing is op het hoofdgeding. De transactie waarover het hier gaat is echter niet voorbereid in het kader van een echte pre-packprocedure, maar in het kader van een specifieke gerechtelijke procedure strekkende tot de reorganisatie van de onderneming.
87.
Dit gezegd zijnde kan naar mijn gevoel wel niet worden ontkend dat er significante overeenkomsten bestaan tussen de transactie die in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden en de pre-packtransacties die door het Hof zijn geanalyseerd in de rechtspraak die ik heb aangehaald in de punten 60 tot en met 62 van deze conclusie. In al deze gevallen werd de overdracht immers voorbereid voordat het faillissement werd uitgesproken en werd zij onmiddellijk daarna uitgevoerd.
88.
Vanuit dat oogpunt is de rechtspraak van het Hof inzake pre-pack ongetwijfeld relevant voor de analyse van een transactie zoals die in de onderhavige zaak.
89.
Welnu, zoals in punt 62 van deze conclusie is opgemerkt, blijkt uit deze rechtspraak dat voor de toepassing van de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 allereerst dient te worden nagegaan of de desbetreffende procedures in hun geheel bezien gericht zijn op de liquidatie van de onderneming omdat is komen vast te staan dat de vervreemder insolvent is, en niet enkel op een reorganisatie van die onderneming, en vervolgens moet worden vastgesteld, niet alleen dat deze procedures als primair doel hebben om een zo hoog mogelijke uitbetaling aan de gezamenlijke schuldeisers te verwezenlijken, maar ook dat de tenuitvoerlegging van de liquidatie door middel van een overgang van de draaiende onderneming zoals deze vóór de faillietverklaring is voorbereid en na de faillissementsprocedure wordt verwezenlijkt, het mogelijk maakt dit hoofddoel te bereiken.
90.
Uit de punten 73 tot en met 85 van deze conclusie blijkt dat dit niet het geval is voor de overgang die aan de orde is in de zaak die aanhangig is bij de verwijzende rechter.
91.
Gelet op al het voorgaande geef ik het Hof in overweging om op de prejudiciële vraag te antwoorden dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 aldus moet worden uitgelegd dat de daarin gestelde voorwaarde, volgens welke de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn niet van toepassing zijn op de overgang van een onderneming ‘wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder’, niet is vervuld wanneer de overgang van een onderneming of een deel ervan vóór de inleiding van de faillissementsprocedure is voorbereid in het kader van een op de voortzetting van de onderneming gerichte procedure die is afgesloten met een overdrachtsakkoord dat niet is gehomologeerd door de bevoegde rechterlijke instantie en die overgang onmiddellijk is uitgevoerd na de faillietverklaring.
4. Gevolgen van de niet-toepasselijkheid in de onderhavige zaak van de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23
92.
Gelet op de aan het Hof voorgelegde opmerkingen lijkt het mij dienstig om nog wat dieper in te gaan op de gevolgen van het feit dat de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 in casu niet van toepassing is.
93.
Ten eerste verwijzen zowel de bv Wibra België als de Commissie in hun schriftelijke opmerkingen naar de rechtspraak van het Hof betreffende het ontbreken van horizontale rechtstreekse werking van richtlijnen. Daarnaast verwijst de bv Wibra België eveneens naar de grenzen van het beginsel van conforme uitlegging, dat niet als grondslag kan dienen voor een uitlegging contra legem van het nationale recht. Zij stelt met name dat zelfs indien wordt aangenomen dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde overdracht niet binnen de werkingssfeer van de in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 opgenomen uitzondering valt, de verwijzende rechter het nationale recht niet conform deze richtlijn kan uitleggen, aangezien in hoofdstuk III van cao nr. 32 bis, dat van toepassing is op de overgang van het geheel of een deel van de activiteiten van een failliete onderneming, geenszins is voorzien in de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verkrijger. Hij kan de betrokken transactie dus niet kwalificeren als een ‘overgang van onderneming krachtens overeenkomst’ in de zin van hoofdstuk II van cao nr. 32 bis zonder een uitlegging contra legem te verrichten.
94.
In dat verband blijkt uit vaste rechtspraak van het Hof dat een richtlijn op zich geen verplichtingen kan opleggen aan particulieren, en een richtlijn als zodanig dus niet tegenover een particulier kan worden ingeroepen voor een nationale rechter. Krachtens artikel 288, derde alinea, VWEU bestaat het verbindende karakter van een richtlijn, dat de grondslag vormt voor de mogelijkheid om zich daarop te beroepen, immers slechts ten aanzien van ‘elke lidstaat waarvoor zij bestemd is’, aangezien de Unie alleen bevoegd is om algemeen en abstract met onmiddellijke werking verplichtingen op te leggen aan particulieren wanneer haar de bevoegdheid is toegekend om verordeningen vast te stellen. Een nationale rechter mag derhalve niet op grond van een bepaling van een richtlijn, zelfs al is deze duidelijk, nauwkeurig en onvoorwaardelijk, een hiermee strijdige bepaling van zijn nationale recht buiten toepassing laten indien aldus een extra verplichting wordt opgelegd aan een particulier.29.
95.
Het Hof heeft echter ook bij herhaling geoordeeld dat de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van de lidstaten om het ermee beoogde doel te verwezenlijken, alsook de op hen rustende verplichting om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, voor alle autoriteiten van de lidstaten gelden, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties. Bij de toepassing van het nationale recht moeten de nationale rechterlijke instanties die dit recht dienen uit te leggen rekening houden met alle regels ervan en de daarin erkende uitleggingsmethoden toepassen, teneinde dit recht zo veel mogelijk uit te leggen tegen de achtergrond van de bewoordingen en het doel van de betrokken richtlijn om het met deze richtlijn beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen.30.
96.
Het staat uiteindelijk aan de verwijzende rechter om te bepalen of, en in hoeverre, de in de bij hem aanhangige zaak aan de orde zijnde overgang moet worden gekwalificeerd overeenkomstig een eventuele uitlegging door het Hof, voor het geval dat het de door mij in overweging gegeven benadering volgt, te weten dat de uitzondering van artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23 niet van toepassing is op een overdracht als die welke heeft plaatsgevonden in de onderhavige zaak.
97.
Indien de verwijzende rechter op basis van de in punt 95 van deze conclusie uiteengezette criteria van oordeel zou zijn dat hij, gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak, de aan de orde zijnde transactie kan kwalificeren als een ‘overgang van onderneming krachtens overeenkomst’ in de zin van hoofdstuk II van cao nr. 32 bis, dan zijn de bepalingen van de artikelen 7 en 8 van deze cao wel degelijk van toepassing.
98.
Ten tweede is de Commissie, onder verwijzing naar de bewoordingen van artikel 5, lid 4, van richtlijn 2001/23, van mening dat de verwijzende rechter moet nagaan of in casu geen misbruik is gemaakt van het faillissementsrecht, in die zin dat het gebruik van de (‘technische’) faillissementsprocedure een overgang mogelijk heeft gemaakt die niet was gehomologeerd in het kader van de procedure van gerechtelijke organisatie die de werknemers een betere bescherming biedt, en zulks bovendien omdat de verkrijger weigerde om de dwingende bepalingen ter zake in acht te nemen.
99.
In dit verband geeft artikel 5, lid 4, van richtlijn 2001/23 uitdrukking aan het algemene beginsel dat inhoudt dat de Unieregelgeving niet zo ruim mag worden toegepast dat zij oneerlijke of frauduleuze transacties zou dekken.31.
100.
Het staat aan de verwijzende rechter om, conform de bewijsregels van het nationale recht en voor zover de doeltreffendheid van het Unierecht niet wordt aangetast, te bepalen of in het hoofdgeding sprake is van de wezenskenmerken van misbruik of fraude.32. Het Hof kan echter in voorkomend geval in zijn prejudiciële beslissing aanwijzingen verstrekken teneinde de nationale rechters bij hun beoordeling van de bij hen aanhangige zaken te leiden.33.
101.
De vaststelling dat er sprake is van misbruik, vereist zowel een objectief als een subjectief element. Meer in het bijzonder is overeenkomstig de rechtspraak van het Hof34. voor het bewijs dat er sprake is van misbruik enerzijds een geheel van objectieve omstandigheden vereist waaruit blijkt dat in weerwil van de formele naleving van de door de Unieregeling opgelegde voorwaarden het door deze regeling beoogde doel niet is bereikt, en anderzijds een subjectief element, namelijk de bedoeling om een door de Unieregeling toegekend voordeel te verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waaronder het recht op dat voordeel ontstaat.
102.
In de onderhavige zaak lijkt vast te staan, wat het objectieve element betreft, dat het — in punt 50 in herinnering gebrachte — doel van richtlijn 2001/23 niet is bereikt wegens het ‘technische’ faillissement waartoe in casu is overgegaan en dat heeft geleid tot de niet-toepassing van de bij deze richtlijn ingevoerde beschermingsregeling, wegens de toepassing van de uitzondering van artikel 5, lid 1, van deze richtlijn.
103.
Wat het subjectieve element betreft, zal de verwijzende rechter moeten nagaan of uit een geheel van objectieve factoren blijkt dat het wezenlijke doel van het misbruik erin bestond een ongerechtvaardigd voordeel te verkrijgen.35.
104.
Op basis van deze aanwijzingen zal de verwijzende rechter kunnen verifiëren of er sprake is van misbruik, waarbij evenwel rekening moet worden gehouden met het feit dat hij daarbij alle feiten en omstandigheden van de zaak in aanmerking dient te nemen, met inbegrip van die welke voorafgingen aan en volgden op het beweerde misbruik.36.
V. Conclusie
105.
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de tribunal du travail de Liège te beantwoorden als volgt:
‘Artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen
moet aldus worden uitgelegd dat
de daarin gestelde voorwaarde, volgens welke de artikelen 3 en 4 van deze richtlijn niet van toepassing zijn op de overgang van een onderneming ‘wanneer de vervreemder verwikkeld is in een faillissementsprocedure of in een soortgelijke procedure met het oog op de liquidatie van het vermogen van de vervreemder’, niet is vervuld wanneer de overgang van een onderneming of een deel ervan vóór de inleiding van de faillissementsprocedure is voorbereid in het kader van een op de voortzetting van de onderneming gerichte procedure die is afgesloten met een overdrachtsakkoord dat niet is gehomologeerd door de bevoegde rechterlijke instantie en die overgang onmiddellijk is uitgevoerd na de faillietverklaring.’
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑10‑2024
Oorspronkelijke taal: Frans.
Richtlijn van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen (PB 2001, L 82, blz. 16).
Zie met name arresten van 22 juni 2017, Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a. (C-126/16, EU:C:2017:489; hierna: ‘arrest Smallsteps’); 16 mei 2019, Plessers (C-509/17, EU:C:2019:424; hierna: ‘arrest Plessers’), en 28 april 2022, Federatie Nederlandse Vakbeweging (pre-packprocedure) (C-237/20, EU:C:2022:321; hierna: ‘arrest pre-packprocedure’).
Zie in die zin ook de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Federatie Nederlandse Vakvereniging e.a. (C-126/16, EU:C:2017:241, punten 6 en 41–48; hierna: ‘conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Smallsteps’).
Wet van 21 maart 2021 tot wijziging van boek XX van het Wetboek van economisch recht en van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Belgisch staatsblad van 26 maart 2021, blz. 28193).
De rechter vermeldt meer in het bijzonder de arresten Smallsteps en pre-packprocedure.
Zie arresten van 7 augustus 2018, Colino Sigüenza (C-472/16, EU:C:2018:646, punten 28 en 29, en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 16 februari 2023, Strong Charon (C-675/21, EU:C:2023:108, punten 47 en 48, en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie meer in detail de criteria in punt 30 van het arrest Colino Sigüenza (C-472/16, EU:C:2018:646), en in punt 49 van het arrest Strong Charon, waarnaar in de vorige voetnoot wordt verwezen, alsmede de aldaar aangehaalde rechtspraak.
Zie verwijzingsbeslissing, punt II.4, laatste alinea, blz. 7.
Zie verwijzingsbeslissing, punt II.4, eerste alinea, blz. 6, en punt 29 van deze conclusie.
Zie arrest Smallsteps (punt 38). Zie voor een nadere bespreking van de doelstellingen van richtlijn 2001/23 eveneens de conclusie van advocaat-generaal Pitruzzella in de zaak Federatie Nederlandse Vakbeweging (pre-packprocedure) (C-237/20, EU:C:2021:997, punten 31–35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest Smallsteps (punt 39). Deze bepaling vormt overigens geen beletsel voor ontslagen om economische, technische of organisatorische redenen die wijzigingen voor de werkgelegenheid met zich brengen. Zie in dat verband arrest Plessers (punt 54).
Zie arrest Smallsteps (punt 40).
Zie arrest Plessers (punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest pre-packprocedure (punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie voor een grondige analyse van de rechtspraak die uiteindelijk heeft geleid tot de invoering van de bepaling die nu is opgenomen in artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/23, de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Smallsteps (punten 41–48), en de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Plessers (C-509/17, EU:C:2019:50, punten 42–47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arresten pre-packprocedure (punt 43) en Smallsteps (punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arresten pre-packprocedure (punt 44) en Smallsteps (punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arresten pre-packprocedure (punt 44) en Smallsteps (punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Smallsteps (punt 2). Zie met betrekking tot de omschrijving van het pre-packmechanisme in Nederland arrest pre-packprocedure (punten 18–24).
Arrest Smallsteps (punt 15).
Arrest Smallsteps (punten 49 en 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Arrest pre-packprocedure (punt 52).
Arrest pre-packprocedure (punt 53).
Zie punt 20 van de onderhavige conclusie.
Zie arrest Plessers (punten 44 en 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in die zin de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Smallsteps (punt 76).
Zie in dat verband arrest pre-packprocedure (punt 46).
Zie in dat verband arrest pre-packprocedure (punt 53).
Arrest van 20 februari 2024, X (Geen motivering van de beëindiging) (C-715/20, EU:C:2024:139, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie dienaangaande arrest Plessers (punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie, met betrekking tot dat algemene beginsel, de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Matmut (C-236/23, EU:C:2024:560, punt 58).
Zie in die zin arrest van 28 juli 2016, Kratzer (C-423/15, EU:C:2016:604, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie arrest van 26 februari 2019, N Luxembourg 1 e.a. (C-115/16, C-118/16, C-119/16 en C-299/16, EU:C:2019:134, punt 126).
Zie voor een recent voorbeeld arrest van 21 december 2023, BMW Bank e.a. (C-38/21, C-47/21 en C-232/21, EU:C:2023:1014, punt 285 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
Zie in dat verband arrest van 28 juli 2016, Kratzer (C-423/15, EU:C:2016:604, punt 40).
Zie in die zin arrest van 13 maart 2014, SICES e.a. (C-155/13, EU:C:2014:145, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).