Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.3.2
4.3.2 Voorlopers van de stichting; inhoud van het doel
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS389738:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Van Veen 2011, p. 14.
Zie onder meer Pitlo/Raaijmakers 2017, par. 10.1.2 en Noordraven 1988, p. 1 en 433. Volgens Noordraven bestond de figuur fiducia er uit dat een van de partijen, de fiduciant, een of meer hem toebehorende zaken om niet aan de andere partij, de fiduciarius, in eigendom overdroeg, bij welke overdracht de fiduciarius zich verplichtte goed voor deze zaken te zorgen en hen op een zeker moment, eventueel onder bepaalde bij de overdracht af te spreken voorwaarden, ofwel in volle eigendom terug te leveren aan de fiduciant ofwel op andere wijze uit zijn eigendomsmacht te laten gaan. Zie bijvoorbeeld de rechtsfiguur fiducia cum amico waarbij sprake was van fiduciaire overdracht van zaken aan een vriend opdat deze bij afwezigheid van de fiduciant deze zaken zal beheren. Wezenlijk voor de rechtsfiguur fiducia was het door de fiduciant in de fiduciarius gestelde vertrouwen dat deze laatste volgens afspraak weer afstand zou doen van de verkregen zaken.
De hedendaagse trust in het common law stelsel is gebaseerd op het vermogensrecht. Een belangrijk kenmerk van de trust is dat het geen rechtspersoonlijkheid heeft, maar wel een afgescheiden vermogen. Bij de trust is sprake van een fiduciaire verhouding die gekenmerkt wordt doordat de juridische eigendom van vermogen wordt overgedragen aan de trustee terwijl het economisch belang blijft berusten bij de overdrager.
Dergelijke vormen van liefdadigheid werden als een kerkelijke aangelegenheid aangemerkt. Pitlo/Raaijmakers 2017, par. 10.1.2 en 10.1.3 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015 /27.
Zie onder meer Van der Grinten 1943, p. 259 e.v.
Van der Grinten 1943, p. 260.
Van der Grinten 1943, p. 259. In noot 4 somt hij diverse landen op.
Duynstee 1978, p. 60.
Bijvoorbeeld de Nederlandse Zuivel Centrale, de Eieren- en Pluimvee Centrale en het Clearing-Instituut, aldus Van der Grinten 1943. In 1936 werden overheidsdiensten in een stichting, het Landbouw-Crisisbureau, ondergebracht (Handelingen I 1935-1936, 237, p. 757).
Polak 1956, p. 75-78.
Scholten wilde vasthouden aan het historisch doel van de stichting dat van kerkelijke of charitatieve aard is met een zekere uitbreiding ten aanzien van familiestichtingen en van stichtingen op wetenschappelijk en cultureel terrein (Asser/Scholten & Bregstein 1-II 1954, p. 198-199). Zie hierover Van der Grinten 1943, p. 263, en Van der Burg 1992, p. 360-362.
Handelingen I 1955-1956, p. 2358-2360.
Handelingen II 1955-1956, p. 2113-2114. De Minister wilde door deze toevoeging duidelijk maken dat de uitzondering op het uitkeringsverbod ruimer was, dat naast religieuze, culturele en wetenschappelijke verstrekkingen, verstrekkingen voor noodzakelijk levensonderhoud tot een geoorloofd doel van de stichting behoren.
Wet van 22 april 1855 tot regeling en beperking der uitoefening van het regt van vereeniging en vergadering. Stb. 1855, nr. 32.
Fiduciair vermogensbeheer
In paragraaf 3.2.2 werd opgemerkt dat “klassieke doelvermogens” zonder rechtspersoonlijkheid uit het Romeinse recht in zekere zin gezien kunnen worden als de voorlopers van de stichting. Zij hebben kenmerken die overeenkomen met de kenmerken van de huidige stichting.1 Het Romeinse recht kende verschillende (vermogensbeheer)constructies waarbij een fiduciant vermogen (tijdelijk) ten titel van beheer overdroeg aan een persoon die men vertrouwde (de fiduciarius), bijvoorbeeld vanwege een tijdelijk verblijf in het buitenland of vanwege een bepaalde bestemming van het vermogen die de fiduciarius geacht werd te realiseren bij het overlijden van de fiduciant.2 In dit verband wordt ook wel gesproken over fiduciaire vermogensoverdracht. Deze rechtsfiguur duidt er op dat oorspronkelijk de fiduciarius slechts op grond van fides, dat wil zeggen: vertrouwen, zonder dat daaraan een juridische sanctie was verbonden, gehouden was de verplichtingen die de overdrager hem had opgelegd na te komen. Vanuit de historische doelvermogens heeft zich niet alleen de stichting ontwikkeld maar ook de Anglo-Amerikaanse rechtsfiguur van de trust (waarin eveneens het woord “vertrouwen” doorklinkt).3 Bij de juridische constructies van de historische doelvermogens stond het duurzaam beheren van vermogen of van bepaalde zaken dus voorop. Ook tegenwoordig zijn er nog veel stichtingen die (fiduciair) vermogensbeheer als voornaamste doel hebben. Te denken valt aan pensioenfondsen maar ook aan stichtingen (administratiekantoren) die aandelen beheren tegen uitgifte van certificaten.
Charitatief doel
Een bepaald soort doelvermogens, de piae causae of liefdadigheidsinstellingen, had een algemeen charitatief (“vroom”) doel, zoals armenzorg of ziekenzorg.4 Het doel zou ook, in vergelijking met de hiervoor genoemde historische of klassieke doelvermogens, meer abstract genoemd kunnen worden, omdat vermogen beheerd en gebruikt werd ten behoeve van een generiek aangeduide groep personen, zoals de armen of de zieken. Uit juridische literatuur blijkt dat al voor de inwerkingtreding van de WS 1956 niet alleen stichtingen met vrome doelen, maar ook stichtingen met wetenschappelijke en culturele doeleinden algemeen werden geaccepteerd.5
Ruimer gebruik van de stichting
Van der Grinten schreef in 1943 dat het gebruik van de stichting aan het begin van de twintigste eeuw aanvankelijk nog beperkt was:
“In de 20ste eeuw wordt plotseling de stichting ontdekt. De stichting is de rechtsfiguur met de onbegrensde en met de zoolang onbegrepen mogelijkheden. De stichting is niet langer, wat onze voorouders erin gezien hebben. Zij zagen de stichting slechts in een bepaalde japon. Voor ons is de stichting geworden de naakte etalage-pop, die elk pakje past. Deze ontwikkeling dateert eerst van de laatste twee decennia. In 1919 kon Oppenheim nog schrijven, dat weinig stichtingen worden opgericht. In 1923 spreekt Scholten van de sporadisch opgerichte stichting.”6
Van der Grinten constateerde dat de Nederlandse stichting zich wat betreft de uiteenlopende werkterreinen die zij kan hebben in vergelijking tot stichtingen in andere landen afwijkend ontwikkelde: “overal elders heeft de stichting een ideëel doel; is zij werkzaam ten algemeenen nutte”.7
Polak merkte in 1956 over “oude stichtingen” op dat:
“zij in de meerderheid van de gevallen bij testament en niet onder de levenden zijn opgericht en dat zij als een niet aan de duur van een mensenleven gebonden vorm van vermogensbeheer kunnen worden beschouwd.”
Polak vervolgt:
“Dergelijke stichtingen worden nog steeds opgericht. Maar daarnaast komen steeds meer stichtingen voor met andere doeleinden, opgericht onder levenden, waarbij vermogen en vermogensbeheer geen of nagenoeg geen rol spelen. Deze nieuwe vormen dateren meest van deze eeuw. Het is een ontwikkeling die wel als zodanig is opgemerkt, maar die nog niet volledig is beschreven. Dit is ook niet wel mogelijk, omdat feitenmateriaal nog bij lange na niet volledig ter tafel ligt. De wettelijke regeling is, zo gezien, dan ook in zekere zin een slag in de lucht.”
Ook Duynstee merkt op dat na de eerste wereldoorlog de rechtsfiguur van de stichting benut werd voor uiteenlopende doeleinden.8 In de praktijk werd de stichting, die aanvankelijk nog niet wettelijk geregeld was, volgens hem “hoe langer hoe meer gebruikt als eenvoudig middel tot het institutionaliseren van enig belang”. Ook de overheid ging gebruik maken van de stichting in de uitoefening van haar overheidstaak.9 Stichtingen werden voorts bijvoorbeeld gebruikt als in- en verkoopbureaus, researchstichtingen, bureaus bij kartelovereenkomsten en als houdster van prioriteitsaandelen.10
Niet iedereen was het eens met het brede gebruik van de stichting. Meijers en Scholten verdedigden dat de geëigende doelstellingen van de stichting doelstellingen waren op het gebied van liefdadigheid, wetenschap, onderwijs, godsdienst of kunst en dat de stichting niet breder moest worden ingezet.11
Desalniettemin werden in de WS 1956 – in lijn met de inmiddels ingezette ontwikkeling in de praktijk – de werkzaamheden van de stichting nauwelijks begrensd. Dit betekende niet dat aan het stichtingsdoel geen enkele beperking werd gesteld. Artikel 1 lid 1 schreef voor dat het doel niet mag inhouden het doen van uitkeringen aan oprichters of aan hen die deel uitmaken van haar organen noch ook aan anderen. De stichting mag niet dienen ter duplicering van de persoon van de stichter of van de beheerder van de stichting, evenmin mag zij een middel zijn om vermogen ten nadele van derden af te zonderen, tenzij daardoor een ideëel doel wordt gediend.
Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer zei Minister Van Oven, de ambtsopvolger van Minister Donker, dat een stichting gekarakteriseerd kan worden als een organisatie met een onbaatzuchtig doel. De onbaatzuchtigheid is de kern van het begrip “doel van de stichting”, aldus Van Oven.12
Uitkeringen staat de wet wel toe indien zij een “ideële of sociale strekking hebben” (artikel 2:285 lid 3 BW). Aanvankelijk stond in de wettekst slechts “ideëel” maar Minister Donker meende dat in de wettekst ook “sociale doelen” genoemd moesten worden teneinde te voorkomen dat aan “ideële doelen” een te enge uitleg gegeven zou worden. De Minister meende dat dit door sommige auteurs te strikt werd geïnterpreteerd in de zin van ad pias causas.13
Ongeoorloofde doelstellingen
Indien het doel strijdig is met het uitkeringsverbod, voldoet de stichting niet aan haar wettelijke omschrijving en kan zij, zoals in paragraaf 4.2.5 al is opgemerkt, ontbonden worden. Bovendien mag het doel van de stichting en mogen de werkzaamheden van de stichting niet in strijd zijn met de openbare orde. Deze regeling omtrent “verboden werkzaamheden” stamt af van de Wet van 1855 tot regeling en beperking van het recht van vereniging en vergadering.14 Aanvankelijk was een dergelijke “verboden stichting” nietig (artikel 2WS 1956), maar tegenwoordig kunnen verboden stichtingen door de rechtbank ontbonden worden op verzoek van het openbaar ministerie. Aangezien de regeling omtrent verboden werkzaamheden voor alle rechtspersonen geldt, is deze tegenwoordig opgenomen in artikel 2:20 BW in het algemeen deel van Boek 2 BW.