NJB 2024/1656:Afwijzing getuigenverzoek post-Keskin in mensenhandelzaak, art. 6 EVRM: in casu heeft de verdediging niet het ondervragingsrecht ten aanzien van een getuige kunnen uitoefenen, omdat deze is overleden nog voordat het verhoor bij de R-C kon plaatsvinden. Het kennelijke oordeel van het hof dat de bewezenverklaring – in overeenstemming met de eisen van een eerlijk proces – mede kan worden aangenomen op grond van de in het vooronderzoek afgelegde verklaringen van die getuige, ook zonder dat het bestaan van compenserende factoren is komen vast te staan, is niet zonder meer begrijpelijk. Daarvoor is van belang dat het hof weliswaar heeft geoordeeld dat de bewezenverklaring niet uitsluitend of in beslissende mate is gestoeld op de verklaringen van die getuige, maar dat (i) in de overwegingen van het hof ook tot uitdrukking komt dat er geen reden is om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster (slachtoffer) te twijfelen omdat deze ‘op essentiële onderdelen’ worden ondersteund door onder meer de verklaringen van voormelde getuige, terwijl (ii) alleen de verklaringen van die getuige betrekking hebben op de rol die de verdachte had in verband met de werkzaamheden van de aangeefster, en de overige door het hof gebruikte bewijsmiddelen niet méér inhouden dan dat – kort gezegd – mede door de verdachte een zekere studio is gehuurd in [plaats] en dat een politiecontrole van [slachtoffer] heeft plaatsgevonden op het [e-straat] in [plaats].