V-N 2025/7.18
Cassatieberoep inzake te lage griffierechtvergoeding niet-ontvankelijk wegens vervallen van procesbelang
HR 31-01-2025, ECLI:NL:HR:2025:155, m.nt. Redactie Vakstudie Nieuws
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31 januari 2025
- Magistraten
Van Hilten, Van Eijsden, Punt, Feteris, Fierstra
- Zaaknummer
24/01331
- Noot
Redactie Vakstudie Nieuws
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:ADS996311:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht (V)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Griffierecht
Fiscaal procesrecht / Proceskostenvergoeding
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:155, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1340, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑12‑2024
- Wetingang
Essentie
De Hoge Raad oordeelt dat de inspecteur inmiddels geheel aan de cassatieklacht is tegemoetgekomen door de € 93 hogere vergoeding aan X te betalen, zodat haar beroep in cassatie niet-ontvankelijk is. Voor de hoogte van de proceskosten is nader feitenonderzoek noodzakelijk.
Samenvatting
X doet BPM-aangifte voor een personenauto met schade. In geschil is de naheffingsaanslag. Rechtbank Den Haag verlaagt de naheffingsaanslag en X krijgt wegens het overschrijden van de redelijke termijn een immateriëleschadevergoeding van € 500. Hof Den Haag handhaaft de (verminderde) naheffingsaanslag. Niet in geschil is dat in eerste aanleg de proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en beroepsfase onjuist is ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.