HR, 31-01-2025, nr. 24/01331
24/01331
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
31-01-2025
- Zaaknummer
24/01331
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:155, Uitspraak, Hoge Raad, 31‑01‑2025; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2024:589
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1340
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑01‑2025
ECLI:NL:PHR:2024:1340, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 13‑12‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:155
- Vindplaatsen
NDFR Nieuws 2025/179
Viditax (FutD) 2025013109
FutD 2025-0210
NTFR 2025/246 met annotatie van mr. E.D. Postema
NLF 2025/0252
V-N 2025/7.18 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2025/100 met annotatie van A.P. Monsma
BNB 2025/42 met annotatie van R.F.C. SPEK
NDFR Nieuws 2024/2065
Viditax (FutD) 2024121307
FutD 2024-2602
NLF 2024/2839 met annotatie van Wendy Nent
NTFR 2025/49 met annotatie van mr. E.D. Postema
V-N 2025/2.24 met annotatie van Redactie
Belastingblad 2025/35 met annotatie van Redactie
Uitspraak 31‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Belasting van personenauto’s en motorrijwielen; tegemoetkoming na instelling rechtsmiddel; Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en bpm; belang na afwijzing aanbod vergoeding griffierecht en proceskosten; verenigbaarheid Wet herwaardering proceskosten WOZ en bpm met hoger recht.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/01331
Datum 31 januari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 28 maart 2024, nr. BK-23/1411., op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 21/8170) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen.
1. Geding in cassatie
1.1
Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.M. Bothof, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 13 december 2024 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in cassatie.2.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de klacht
2.1
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld met klachten over de naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen zoals de Rechtbank deze nader had vastgesteld, en met een klacht over de hoogte van de door de Rechtbank voor het beroep toegekende vergoeding van proceskosten.
2.2
Voor de behandeling van het hoger beroep heeft belanghebbende een griffierecht van € 274 betaald.
2.3
Het Hof heeft het hoger beroep van belanghebbende op 28 maart 2024 gegrond verklaard voor zover dat betrekking had op de hoogte van de vergoeding van de proceskosten waartoe de Rechtbank de Inspecteur had veroordeeld. Aangezien het hoger beroep slechts slaagde vanwege de toepassing van een onjuist proceskostentarief, heeft het Hof vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 181 gelast.
2.4
Op 28 maart 2024 heeft belanghebbende beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Hof ingesteld. In het beroepschrift wordt één klacht aangevoerd. De klacht houdt in dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van het volledige door hem betaalde griffierecht van € 274 voor de behandeling van het hoger beroep.
2.5
In het verweerschrift in cassatie heeft de Staatssecretaris vooropgesteld dat belanghebbende terecht erover klaagt dat het Hof het te vergoeden bedrag aan griffierecht ten onrechte op € 181 heeft gesteld in plaats van € 274, en dat de Inspecteur het verschil tussen deze bedragen (€ 93) reeds aan belanghebbende heeft betaald.De Staatssecretaris heeft aangevoerd dat de Inspecteur belanghebbende een aanbod heeft gedaan om de proceskosten in cassatie te vergoeden op voorwaarde dat het beroep in cassatie wordt ingetrokken, maar dat belanghebbende dat aanbod heeft afgewezen. De Inspecteur had het bedrag van deze vergoeding met inachtneming van artikel 19a, lid 2, van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 (hierna: de Wet bpm) gesteld op € 104,62.De Staatssecretaris concludeert dat het beroep niet tot cassatie kan leiden vanwege het ontbreken van belang.
2.6
Uit bijlage 1 bij de hiervoor in 1.2 bedoelde reactie van belanghebbende op de conclusie van de Advocaat-Generaal, waarin een e-mailwisseling tussen hem en de Inspecteur is opgenomen, blijkt dat de Inspecteur belanghebbende op 16 mei 2024 het hiervoor in 2.5 bedoelde aanbod heeft gedaan. Eveneens blijkt daaruit dat dit aanbod op 16 mei 2024 is afgewezen.
2.7
Naar aanleiding van dit een en ander stelt de Hoge Raad voorop dat in een geval waarin het bestuursorgaan geheel tegemoetkomt aan de belanghebbende die een rechtsmiddel heeft aangewend, het belang bij de procedure die met dat rechtsmiddel is ingeleid in beginsel komt te vervallen. In zo’n geval behoort de bestuursrechter het rechtsmiddel niet-ontvankelijk te verklaren, en op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb vergoeding van griffierecht te gelasten. Bovendien moet hij als hoofdregel het bestuursorgaan veroordelen in de proceskosten die op de voet van artikel 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking komen.3.
2.8
Aangezien geheel aan de cassatieklacht van belanghebbende is tegemoetgekomen door het hiervoor in 2.5 genoemde bedrag van € 93 te vergoeden, zal het beroep in cassatie, gelet op hetgeen hiervoor in 2.7 is overwogen, niet-ontvankelijk worden verklaard. Verder brengt hetgeen hiervoor in 2.7 is overwogen mee dat de Hoge Raad de Staatssecretaris zal gelasten om het in cassatie betaalde griffierecht en de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure te vergoeden.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal, gelet op hetgeen hiervoor in 2.8 is overwogen, worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4. Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
4.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm,4.gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
4.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 4.1 bedoelde beoordeling te maken.
4.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op haar rustende bewijslast. De Staatssecretaris zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
5. Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 4.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, de vice-president J.A.R. van Eijsden, en de raadsheren E.N. Punt, M.W.C. Feteris en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 31‑01‑2025
Vgl. HR 21 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1468, rechtsoverweging 3.2.1 en 3.2.2, en HR 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:660, rechtsoverweging 2.3.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
Beroepschrift 31‑01‑2025
Onderwerp: Beroep in cassatie tegen de uitspraak van het hof Den Haag van 28-03-2024 met Kenmerk BK-23/141
Geachte heer, mevrouw,
Bij deze stel ik me als gemachtigde voor belanghebbende, [X], wonende te [Z], en dien ik beroep in cassatie in tegen de in de aanhef genoemde uitspraak, zie bijlage 1.
In de beslissing gelast het gerechtshof de griffier het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 181 Aan belanghebbende te vergoeden. Ik stel vast dat het hof het recht heeft geschonden. Belanghebbende heeft immers € 274 griffierecht betaald, zie bijlage 2.
In het onderhavige geval, waarin het hoger beroep gegrond verklaard is, heeft belanghebbende recht op teruggaaf van het volledige door hem betaalde griffierecht. Door anders te oordelen heeft het hof het recht geschonden.
Gelet op het voorgaande verzoek ik uw college de uitspraak van het hof te vernietigen en de griffier, althans de inspecteur, te veroordelen tot teruggaaf van het griffierecht van € 274 en de staatsecretaris te veroordelen in de proceskosten in de onderhavige cassatiefase.
Conclusie 13‑12‑2024
Inhoudsindicatie
Misslag griffierechtvergoeding in hoger beroep; Inspecteur heeft dat hersteld en daarnaast cassatie-pkv aangeboden naar factor 0,25 hoewel de wet 0,1 voorschrijft. De gemachtigde acht art. 19a Wet Bpm niet van toepassing omdat de cassatieprocedure niet over bpm, maar alleen over griffierecht gaat. Belang? Toereikende machtiging? Ontvankelijk? Pkv? Griffierechtvergoeding?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/01331
Datum 13 december 2024
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak bpm / proceskostenvergoeding
Nr. Gerechtshof 23/141
Nr. Rechtbank 21/8170
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaak van
[X]
tegen
staatssecretaris van Financiën
Misslag griffierechtvergoeding in hoger beroep; Inspecteur heeft dat hersteld en daarnaast cassatie-pkv aangeboden naar factor 0,25 hoewel de wet 0,1 voorschrijft. Kennelijk acht gemachtigde art. 19a Wet Bpm niet van toepassing omdat de cassatieprocedure niet over bpm, maar over griffierecht gaat. Belang? Toereikende machtiging? Ontvankelijk? Pkv? Griffierechtvergoeding?
1. De feiten en het geschil
1.1
Weer een zaak die nergens over gaat. Het Hof heeft in hoger beroep abusievelijk slechts € 181 aan griffierecht in plaats van de betaalde € 274 aan de belanghebbende doen vergoeden. De partijen zijn het daarover eens en de Inspecteur heeft het verschil ad € 93 ook al vergoed. Aan het (resterende) bezwaar van de gemachtigde is dus volledig tegemoetgekomen.
1.2
De partijen zijn het ook eens dat het om een ‘zeer lichte’ zaak gaat (zie onderdeel C1 bijlage Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)). De Inspecteur heeft daarom aangeboden de cassatieproceskosten te vergoeden op basis van 2 punten (beroepschrift in cassatie) x 0,25 (bpm-zaak) x 0,25 (zeer licht) x € 837= € 104,62. Zie art. 19a(2) Wet Bpm juncto art. 1(a) jo. 2(1)(a) Bpb en diens bijlage.
1.3
De gemachtigde is daar niet op ingegaan. Uit zijn cassatieberoep blijkt het niet, maar uit het verweerschrift van de Staatssecretaris volgt dat hij het aanbod van de Inspecteur heeft verworpen en zijn cassatieberoep heeft doorgezet omdat zijns inziens de cassatieprocedure niet de bpm betreft, maar alleen (hogerberoep)griffierecht, waarop art. 19a Wet Bpm volgens hem niet van toepassing is, dus ook niet de factor 0,25 in art. 19a(2) Wet Bpm.
1.4
De Staatssecretaris merkt op dat het aanbod tot proceskostenvergoeding (pkv) van de Inspecteur aanzienlijk gunstiger is dan de vergoeding die de wet voorschrijft omdat - als het bestreden belastingbesluit niet wordt vernietigd of gewijzigd, zoals hier - art. 19a(2) Wet Bpm in bpm-zaken vermenigvuldiging van de standaard Bpb-vergoeding met 0,1 voorschrijft in plaats van 0,25. Volgens de wet bestaat in casu slechts recht op een pkv ad € 41,85.
2. Beoordeling
2.1
Se non è vero, è ben trovato. Ma non è vero (zie 2.2 hieronder). Zou het vero zijn dat art. 19a(2) Wet Bpm niet (meer) geldt in procesfasen waarin het materiële fiscale belang al aan de procedure is ontvallen, dan is overigens ook het cassatieberoep van de gemachtigde niet-ontvankelijk omdat hij alsdan geen toereikende machtiging heeft overgelegd. De overgelegde machtiging machtigt de gemachtigde immers slechts om (curs. PJW):
“- volmachtgever te vertegenwoordigen in haar fiscale aangelegenheden, een en ander ter zake van het bezwaar / beroep hoger / beroep / cassatie inzake alle betalingen op aangiften, verzoeken om teruggaaf van BPM of naheffingsaanslagen inzake belasting van personenauto’s en motorrijwielen;
- (…);”
dus niet om te procederen over andere bedragen dan belastingbedragen, laat staan over uitsluitend enig bedrag dat geen betaling op aangifte, bpm-teruggaaf of bpm-naheffing is.
Dat “alle proceskostenvergoedingen/ dwangsommen/ schadevergoedingen die door de Belastingdienst worden uitbetaald in verband met bezwaar-/ beroep-/ hoger beroep-/ cassatieprocedures, [toekomen] aan gevolmachtigde” (4e streepje van de machtiging) is geen machtiging om over dergelijke niet-belastingbedragen te procederen.
Ik kan me daarom voorstellen dat u deze volmacht hoe dan ook ontoereikend acht voor het voeren van deze cassatieprocedure. Nu het cassatieberoep alleen het reeds volledig vergoede hogerberoepgriffierecht betreft én de gemachtigde een bovenwettelijk pkv-aanbod is gedaan, gaat deze procedure nergens meer over, dus ook niet over enige “fiscale aangelegenheid (…) inzake (…) betalingen op aangiften, verzoeken om teruggaaf van BPM of naheffingsaanslagen inzake belasting van personenauto’s en motorrijwielen.” De gemachtigde zou alsdan in de gelegenheid gesteld moeten worden om zijn verzuim binnen een door u te stellen termijn te herstellen (zie art. 6:5 en 6:6 Awb junctoart. 8:24(2) Awb en art. 29 AWR) door alsnog een wél toereikende volmacht getekend door de belastingplichtige over te leggen.1.Daartoe bestaat overigens wellicht ook aanleiding nu de overgelegde machtiging meer dan vier en half jaar oud is en de vraag rijst of de belastingplichtige nog steeds – om andere redenen dan de algemene voorwaarden van de gemachtigde – wil doorprocederen.
2.2
Ma non è vero. De stelling dat art. 19a Wet Bpm niet van toepassing zou zijn als het geschil niet meer over de bpm gaat, maar alleen nog over de pkv (of het griffierecht, of de vergoeding bij overschrijding van de redelijke termijn of een dwangsom wegens niet tijdig beslissen), lijkt mij onverenigbaar met zowel de tekst als de strekking van art. 19a Wet Bpm. De strekking van die bepaling is immers juist om materieel zinloos – alleen voor de pkv etc. – (door)procederen door ncnp-bpm-gemachtigden tegen te gaan omdat dat niet de rechtsbescherming van belastingplichtigen dient, maar het verdienmodel van die ncnp-gemachtigden, ten koste van de algemene middelen en de rechterlijke capaciteit voor de rechtsbescherming van belastingplichtigen in zaken die wel ergens over gaan.
2.3
Art. 19a(2) Wet Bpm luidt (curs. PJW):
“In geval van een veroordeling in de kosten als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (…) wordt, voor zover die kosten betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in het kader van het beroep, hoger beroep of beroep in cassatie bij de bestuursrechter betreffende een besluit genomen op grond van het gestelde bij of krachtens deze wet of een daarmee verband houdend besluit, het bedrag dat strekt tot de vergoeding van die kosten vermenigvuldigd met:
a. 0,25, indien het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd;
b. 0,10 in alle overige gevallen.
De eerste zin vindt geen toepassing in geval van bijzondere omstandigheden in de zin van de nadere regels gesteld krachtens artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.”
Reeds uit het gegeven dat art. 19a(2) mede ziet op ‘overige gevallen’ (letter b) waarin factor 0,10 van toepassing is, volgt dat art. 19a Wet Bpm ook van toepassing is als er geen geschil (meer) is over de belasting.
2.4
De artikelsgewijze toelichting2.bij deze bepaling verwijst naar de toelichting op het gelijktijdig voorgestelde en ingevoerde art. 30a(2) Wet WOZ:
“Voor de toelichting op het voorgestelde artikel 19a Wet BPM 1992 wordt verwezen naar de toelichting op artikel I (artikel 30a Wet WOZ). Specifiek voor de bpm is van belang dat procedures veelal het gevolg zijn van bezwaar dat wordt aangetekend tegen de voldoening op aangifte. (…). De verwijzing in artikel 19a, eerste lid, Wet BPM 1992 naar «een besluit» moet in dat licht worden beschouwd. Het gaat daarbij dus ook om vergoedingen die het resultaat zijn van procedures die zijn gestart naar aanleiding van de voldoening op aangifte. (…). (…). Besluiten genomen door de Ontvanger die in een afzonderlijke procedure ter discussie kunnen worden gesteld, vallen niet onder het bereik van «een daarmee verband houdend besluit» als bedoeld in artikel 19a, eerste en tweede lid, Wet BPM 1992.”
De artikelsgewijze toelichting bij art. 30a(2) Wet WOZ, vermeldt (curs. PJW):3.
“Met het voorgestelde artikel 30a, tweede lid, Wet WOZ wordt een koppeling gemaakt tussen de hoogte van de proceskostenvergoeding en de grond waarop een belanghebbende in het gelijk wordt gesteld. Het criterium dat daarvoor wordt gehanteerd is dat het rechtsmiddel bij de bestuursrechter leidt tot vernietiging of wijziging van het bestreden besluit. Hiermee wordt gedoeld op gevallen die zouden leiden tot herroeping door het bestuursorgaan als zij zich in de bezwaarfase hadden voorgedaan. Dit heeft tot doel om gevallen af te bakenen waarin een belanghebbende op een inhoudelijk punt in het gelijk wordt gesteld. Alleen in een dergelijk geval wordt het op grond van het Bpb vastgestelde bedrag dat strekt tot de vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vermenigvuldigd met 0,25.
In alle overige gevallen wordt het bedrag dat strekt tot vergoeding van de proceskosten vermenigvuldigd met 0,10. Het gaat dan bijvoorbeeld om het geval dat het beroep uitsluitend gegrond wordt verklaard wegens een formeel gebrek in de beslissing op bezwaar, al dan niet in combinatie met toepassing van artikel 6:22 Awb of als de bestuursrechter de uitspraak van de voorgaande rechter vernietigt zonder dat het bestreden besluit wordt vernietigd of gewijzigd. De bestuursrechter kent in dat geval geen vergoeding toe voor de bezwaarfase, omdat het bestreden besluit niet wordt herroepen. Deze categorie ziet daarnaast op gevallen waarin de bestuursrechter uitsluitend een beslissing neemt ten aanzien van punten die niet tot het inhoudelijke geschil behoren, zoals het toekennen van een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en het vaststellen van de vergoeding van proceskosten in de vorige instantie. Als een belanghebbende in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld op uitsluitend formele gronden terwijl het bestreden besluit door de rechtbank al is gewijzigd, is de wijziging van dat besluit niet het gevolg van de gegrondverklaring van het hoger beroep, waardoor in hoger beroep de lagere factor geldt.”
2.5
Uit het bovenstaande volgt onmiskenbaar dat art. 19a Wet Bpm, overeenkomstig zijn tekst, geldt voor alle procedures “gestart naar aanleiding van een voldoening op aangifte” van bpm of bpm-naheffing, juist ook als het geschil in enig stadium niet meer over de bpm gaat, maar alleen nog over andere bedragen dan de belasting, zoals pkv en griffierecht.
3. Geen belang: niet-ontvankelijk
3.1
Het cassatieberoepschrift klaagt uitsluitend over de ontoereikende griffierechtvergoeding in hoger beroep en vraagt overigens alleen – ongespecificeerd – om pkv voor de cassatiefase. Nu het hogerberoepgriffierecht volledig is vergoed, is het bestuursorgaan geheel aan het enige bezwaar van de gemachtigde tegemoetgekomen, zodat het cassatieberoep niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan belang. U zie HR BNB 2023/82,4.in welke zaak het bestuursorgaan, omgekeerd, het door de rechter abusievelijk vergeten griffierecht niet vrijwillig had vergoed:
“3.2 Middel III klaagt terecht erover dat het Hof heeft verzuimd de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van het in hoger beroep betaalde griffierecht. Nu uit de (…) gedingstukken niet blijkt dat de heffingsambtenaar vrijwillig het griffierecht heeft vergoed, heeft belanghebbende belang bij cassatie. Het middel slaagt derhalve.”
4. Proceskostenvergoeding?
4.1
Als, zoals hier, de grond voor niet-ontvankelijkheid ligt in volledige tegemoetkoming aan de bezwaren van de gemachtigde, bestaat in beginsel recht op pkv. U zie HR BNB 2022/76:5.
“2.3. In gevallen waarin de rechter een rechtsmiddel niet-ontvankelijk verklaart omdat het bestuurs-orgaan geheel aan de bezwaren van de belanghebbende is tegemoetgekomen, behoort de rechter op de voet van artikel 8:74, lid 2, Awb vergoeding van griffierecht te gelasten en dient hij als hoofdregel het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten die op de voet van artikel 8:75 Awb voor vergoeding in aanmerking komen. Dat geldt ook in een geval als het onderhavige, waarin het bestuursorgaan de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar handhaaft, maar niettemin tegemoetkomt aan de bezwaren die de belanghebbende in de bezwaarfase heeft aangevoerd.”
4.2
Ik neem aan dat de Inspecteur het resterende hogerberoepgriffierecht pas heeft vergoed ná de instelling van het cassatieberoep op 3 april 2024 en vóór 4 juni 2024, de datum van het verweerschrift dat vermeldt dat het griffierecht is vergoed en het cassatie-pkv-aanbod is gedaan. Is het griffierecht al vóór 3 april 2024 uitbetaald, dan bestaat mijns inziens geen recht op pkv omdat dan vóór de instelling van het cassatieberoep al evident was dat instelling ervan tot niets zou kunnen leiden. Aangenomen daarom dat het cassatieberoep is ingesteld vóórdat de Inspecteur de € 93 vergoedde, bestaat volgens HR BNB 2022/76junctoart. 19a(2) Wet Bpm recht op een pkv ad € 41,85 (zie 1.1 en 1.2 hierboven). Nu de wetgever de pkv slechts een ‘tegemoetkoming’ in de kosten wil doen zijn, lijkt dat bedrag in casu ook adequaat. De Inspecteur heeft niettemin een veel hogere pkv ad € 104,62 aangeboden. Dat aanbod is kennelijk verworpen, nu het cassatieberoep niet is ingetrokken. Een aanbod vervalt door verwerping (art. 6:221(2) BW). De vermenigvuldigingsfactor is dan in beginsel de wettelijke 0,1, resulterende in de genoemde € 41,85 aan cassatie-pkv, waartoe de Staats-secretaris ook concludeert. De gemachtigde lijkt zich dus in de voet geschoten te hebben.
4.3
Mogelijk in beide voeten. De gemachtigde heeft niet - bij repliek6.- weersproken dat na de volledige vergoeding van het hogerberoepgriffierecht geen procesbelang meer bestond, noch dat hem voor de cassatiefase 2,5 keer de wettelijke pkv is aangeboden, noch dat hij daarop niet is ingegaan. Uit geen van de zijnerzijds ingediende stukken blijkt van enige andere grond dan de cassatie-pkv voor het handhaven van het cassatieberoep. Deze omstandigheden zijn mijns inziens “bijzonder” genoeg in de zin van art. 2(3) Bpb om geen pkv toe te kennen. Het gebeurt immers zelden of nooit dat de fiscus 2,5 x de wettelijke pkv aanbiedt in een zaak waarin het ingestelde rechtsmiddel manifest niet-ontvankelijk is geworden wegens gebrek aan belang. Gezien bovendien de kansloosheid van de stelling dat art. 19a Wet Bpm in casu niet zou gelden omdat het cassatieberoep geen bpm maar griffierecht betreft, valt ook moeilijk te zien welk redelijk belang na de volledige hogerberoep-griffierechtvergoeding nog gediend wordt met de verwerping van het bovenwettelijke pkv- aanbod en het verder blijven belasten van de rechtspraak en de wederpartij.
5. Griffierechtvergoeding?
5.1
Dan het griffierecht in cassatie. Zou de gemachtigde zijn ingegaan op het bovenwettelijke pkv-aanbod van de fiscus en zou hij het cassatieberoep daarom ingetrokken hebben, dan was hem het cassatiegriffierecht vergoed op grond van art. 8:41(7) Awb junctoart. 29 AWR. Hij heeft ervoor gekozen dat aanbod te verwerpen en een cassatieberoep te handhaven dat na de tegemoetkoming aan zijn enige klacht slechts tot niet-ontvankelijkverklaring kan leiden. Weliswaar vindt die niet-ontvankelijkverklaring haar grond in die tegemoetkoming, zodat hij op basis van HR BNB 2022/76 in beginsel recht heeft op vergoeding van het cassatiegriffierecht, maar anders dan in HR BNB 2022/76, heeft de gemachtigde in casu een bovenwettelijk aanbod tot pkv in ruil voor intrekking – waaraan verbonden griffierecht-vergoeding – verworpen. Hij heeft dus evident nodeloos doorgeprocedeerd.
5.2
Dat lijkt mij echter geen reden om het cassatiegriffierecht niet te doen vergoeden. Griffierecht is bedoeld om de belanghebbende een afweging van procesrisico en -belang te laten maken vóór het instellen van een rechtsmiddel. In casu is het cassatieberoep op zichzelf terecht ingesteld vanwege het griffierecht-abuis van het Hof, ook al had de gemachtigde – aldus de Staatssecretaris – cassatieberoep kunnen voorkomen “met een simpel telefoontje naar de inspecteur.” Ik merk op dat dan wel iemand de telefoon moet opnemen en dat die iemand het abuis dan bovendien wel snel moet kunnen herstellen.
6. Buiten de orde
6.1
Voor zover uit het verweerschrift van de Staatssecretaris opgemaakt zou kunnen worden dat de gemachtigde art. 19a Wet Bpm ook in strijd acht met rechtstreeks werkende internationale mensenrechtenbepalingen, herhaal ik dat in diens cassatiegeschriften geen dergelijke stellingname valt te ontwaren en dat hij niet heeft gerepliceerd. Voor zoveel desondanks mogelijk relevant verwijs ik naar mijn conclusies van 25 oktober 2024 in de bij u aanhangige zaken met rolnummers 24/01942 en 24/00575.7.
6.2
Ceterum censeo (1) dat bij evidente en simpel herstelbare misslagen in nevenbeslissingen, zoals de litigieuze, de betrokkene verplicht zou moeten zijn om informeel (telefoon, e-mail) herstel te vragen, en dat hoger en cassatieberoep tegen zo’n evidente misslag niet-ontvankelijk zouden moeten kunnen worden verklaard als die informele weg zonder redelijke grond niet is gevolgd, een en ander uiteraard pas na gelegenheid tot herstel van dat verzuim. Zoals opgemerkt: dan moet wel iemand de telefoon opnemen c.q. die mail adequaat beantwoorden. Daarvoor zou de Awb gewijzigd moeten worden, gegeven ook uw arrest van HR 26 maart 2010, nr. 09/01089, V-N 2010/16.5, dat vooralsnog in de weg staat aan deze aanpak.
6.3
Ceterum censeo (2) dat de fiscale rechtspraak, ook de belastingkamer van de Hoge Raad, te veel van haar voor recht doen bedoelde tijd bezig is met steeds kabbalistischer ogende nevenbeslissingsbeoordelingskunde.8.Ik noem als willekeurig voorbeeld uw arrest van twee weken terug49.waarin een advocaat die – ongegrond – (door)procedeerde over leges ad € 15,60 beloond werd met € 500 voor de psychische schade die hij ondergaan zou hebben doordat zijn ongegronde bezwaar en ongegronde beroep in totaal een maand langer dan twee jaar hadden geduurd. Hij liet zich kennelijk in cassatie ook nog vertegenwoordigen door zijn zoon, die namens hem tekende op briefpapier van vader’s advocatenkantoor waarop zoon echter niet als advocaat of anderszins werd vermeld. Eén rechterlijke instantie en geen cassatie lijkt mij ampel in dergelijke zaken. De wet ware mijns inziens ook in dat opzicht te wijzigen.
6.4
Na vijf adhortatieve conclusies10.binnen een jaar op dat vlak zal ik voorlopig niet meer de wens te kennen geven om gehoord te worden als nevenbeslissingsbeoordelingskundige. Ik vermoed dat Rechtbanken en Hoven dat ook wel zouden willen kunnen zeggen.
6.5
Ik merk in dit verband op dat de Centrale Raad van Beroep op 2 april 2024 is om gegaan in geschillen die alleen over bezwaarkostenvergoeding gaan omdat beoordeling daarvan “leidt tot een ondoelmatige inzet van de schaarse capaciteit binnen de bestuursrechtspraak” en dat hij sindsdien niet-vergoeding van bezwaarkosten niet meer als zelfstandig procesbelang aanmerkt, tenzij het bestuursorgaan het besluit in bezwaar heeft herroepen zonder bezwaarkostenvergoeding hoewel daar wel om was gevraagd.11.Het College van Beroep voor het bedrijfsleven12.en de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State13.hebben zich daarbij aangesloten.
7. Conclusie
7.1
Ik geef u primair in overweging de gemachtigde in de gelegenheid te stellen om het machtigingsverzuim te herstellen en bij gebreke daarvan het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren zonder pkv toe te kennen en zonder griffierecht te doen vergoeden.
7.2
Subsidiair – als u de machtiging toereikend acht of alsnog een toereikende machtiging wordt overgelegd - geef ik u in overweging het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang en geen cassatie-pkv toe te kennen maar wel griffierechtvergoeding te gelasten.
7.3
Meer subsidiair – als u de machtiging toereikend acht of alsnog een toereikende machtiging wordt overgelegd – geef ik u in overweging het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren wegens gebrek aan belang, € 41,85 aan cassatie-pkv toe te kennen en vergoeding van griffierecht te gelasten.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 13‑12‑2024
Zie HR 10 januari 2014, zaak nr. 13/02112, ECLI:NL:HR:2014:2, V-N 2014/5.9.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 27-28.
Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 427, nr. 3 (MvT), p. 25-26.
HR 21 april 2023, nr. 22/00122, ECLI:NL:HR:2023:652, BNB 2023/82, NTFR 2023/669 m.nt. De Jong.
HR 29 april 2022, nr. 21/00322, ECLI:NL:HR:2022:660, BNB 2022/76, FED 2022/64 met noot Thomas, NLF 2022/0822 met noot Hennevelt, NTFR 2022/1926 met noot Den Ouden, V-N 2022/20.12 met noot Redactie.
De belanghebbende is op 20 augustus 2024 de gelegenheid tot repliek geboden. De daarvoor gestelde termijn is ongebruikt verstreken.
Conclusies van 25 oktober 2024 met gemene bijlage, ECLI:NL:PHR:2024:1118, ECLI:NL:PHR:2024:1140 en ECLI:NL:PHR:2024:1141, Belastingblad 2024/400 m.nt. Scherff, NTFR 2024/1793 m.nt. Postema, NLF 2024/2496 m.nt. Nent en V-N 2024/50.11 m.nt. Redactie.
Fondly known als ‘formeel geneuzel’; zie onder meer F.M. Witpeerd: ‘Formeel geneuzel: excessief formalisme in het belastingrecht; Verslag afscheidssymposium raadsheer mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren’, WFR 2022/136, en Philippe Albert: ‘Te ingewikkeld of niet de juiste prioriteiten?’; WFR 2024/115, die onder meer stelt: “Als het aan de werkdruk ligt [dat uitspraken in belangrijke kwesties zoals box 3 zo lang op zich laten wachten; PJW], dan kan men zich afvragen of de Hoge Raad de juiste prioriteiten stelt. De belastingkamer besteedt (heel) veel tijd aan ‘formeel geneuzel’ om met A-G Koopman te spreken (…). (…). De capaciteit en denkkracht die vrijkomen als de Hoge Raad zich (veel) minder bezighoudt met formeelrechtelijke kwesties, kunnen voor andere zaken worden ingezet.”
Rolnr. 23/01930, ECLI:NL:HR:2024:1758.
ECLI:NL:PHR:2023:1042, ECLI:NL:PHR:2023:1044, ECLI:NL:PHR:2024:1118, ECLI:NL:PHR:2024:1140, ECLI:NL:PHR:2024:1141 (bijlage bij de vorige twee ECLI’s) en deze conclusie.
CRvB 2 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:635, r.o. 4.3 t/m 4.8.
CBB 4 juni 2024, ECLI:NL:CBB:2024:378, r.o. 2.4.4.
ABRvS 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2323, r.o. 11.2.