Zie p. 4 van het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 augustus 2021.
HR, 28-03-2023, nr. 21/03721
ECLI:NL:HR:2023:390
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-03-2023
- Zaaknummer
21/03721
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2023:390, Uitspraak, Hoge Raad, 28‑03‑2023; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:136
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2021:2726
ECLI:NL:PHR:2023:136, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 07‑02‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2023:390
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2023-0072
Uitspraak 28‑03‑2023
Inhoudsindicatie
Opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheid hennep, art. 3.C jo. 11.5 Opiumwet. Post-Keskin. Afwijzing van ttz gedaan verzoek tot horen getuige op de grond dat het horen van getuige voor bewijsvoering geen toegevoegde waarde zal hebben, nu hof geen reden heeft om aan juistheid van eerder door getuige afgelegde verklaring te twijfelen en verklaring wordt bevestigd door “meerdere feitelijkheden”. Afwijzing verenigbaar met recht op eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2021:576 (post-Keskin) m.b.t. beoordeling van verzoeken tot oproepen en horen van getuigen door feitenrechter in situatie dat verzoek betrekking heeft op getuige t.a.v. wie verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al (in vooronderzoek of anderszins) verklaring heeft afgelegd met belastende strekking, en beoordeling of horen van getuige voor bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Afwijzing van verzoek is niet zonder meer begrijpelijk. Aan verzoek is immers ten grondslag gelegd dat verdachte de verklaring van getuige betwist, waarbij verdachte onder meer heeft aangevoerd dat hij niet pand waarin hennepplantage is aangetroffen heeft gehuurd, maar ander pand en dat niet duidelijk is dat getuige in zijn verklaring over huurder van pand doelt op verdachte. Door hof bedoelde “andere feitelijkheden” die verklaring van getuige ondersteunen zijn niet toereikend voor ‘s hofs kennelijke oordeel dat feiten en omstandigheden waarover getuige heeft verklaard (in het bijzonder dat verdachte pand heeft gehuurd) al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan, mede in aanmerking genomen dat voor bewijs gebruikte verklaring van verdachte inhoudt dat hij ander pand heeft gehuurd en dat hof heeft vastgesteld dat op de (in andere voor bewijs gebruikte verklaring van verdachte bedoelde) huurovereenkomst is vermeld dat deze betrekking heeft op dat andere pand. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 21/03721
Datum 28 maart 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 augustus 2021, nummer 20-002474-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de afwijzing door het hof van het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige niet verenigbaar is met het door artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
2.2.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 oktober 2015 tot 30 oktober 2015 te [plaats] opzettelijk een grote hoeveelheid van 2445 hennepplanten (zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [a-straat 1] ).”
2.2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die in de conclusie van de advocaat-generaal onder 5 zijn weergegeven, waaronder de volgende bewijsmiddelen:
“3. Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 24 februari 2016, (...), voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :
(...)
A: Ik ben eigenaar van de panden [a-straat 1 tot en met 5] .
(...)
V: Wat kunt u vertellen over de aangetroffen hennepkwekerij in [a-straat 1] ?
A: Ik ken de huurder. De huurder betrof een Turkse man. Het huurcontract is al in jullie bezit. Ik heb het pand verhuurd aan [verdachte] .
V: Wanneer bent u voor het laatst in het pand geweest?
A: Ik denk dat het een half jaar geleden is geweest. Ik denk dat ik een maand of anderhalve maand voor de ontdekking van de kwekerij vroeg in de ochtend voor deze deur stond. Ik trof toen [verdachte] buiten aan.
V: Wat kunt u verklaren omtrent het aanleggen van de internetkabel?
A: In september is in een van mijn panden een nieuwe huurder gekomen. Ik ben rond deze tijd ook de internetkabel gaan aanleggen in mijn panden. Ik heb de kabel van mij, [a-straat 2] , via de kabelgoot naar [a-straat 1] gelegd. Ik ben toen niet bij [a-straat 1] binnen geweest. [verdachte] heeft de kabel toen aangetrokken en ik heb de kabel doorgegeven. [verdachte] heeft de kabel vervolgens weer doorgestoken naar de achterburen.
V: Hoe werd de huur betaald?
A: Dit werd contant betaald.
(...)
7. Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 29 februari 2016, dossierpagina’s 27-31, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
(Dossierpagina 29)
V: Welke panden heb jij het afgelopen jaar gehuurd?
A: Ik heb het pand aan de [a-straat 3] gehuurd.
V: Van wie huurde jij het pand?
A: Ik huurde dit van [B] .
V: Hoe lang huur je het pand?
A: Ik huur dit vanaf 2013.
(Dossierpagina 30)
Opmerking verbalisant; Verbalisant heeft verhuurder [betrokkene 1] gebeld. [betrokkene 1] werd gevraagd wie de huur van het pand betaalde. Ik, verbalisant, hoorde dat [betrokkene 1] tegen mij zei dat de huur altijd door [verdachte] werd betaald, op een keer na.
8. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 12 juli 2019:
Ik heb het pand gehuurd. Ik heb enkele keren betaald aan [betrokkene 1] .
9. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 augustus 2021:
U, advocaat-generaal, vraagt mij of de kopie van het identiteitsbewijs op dossierpagina 21, die zich bevindt achter de huurovereenkomst van 1 oktober 2013 met [betrokkene 1] , betreffende het pand, een kopie van mijn identiteitsbewijs betreft. Dit klopt, dat is een kopie van mijn identiteitsbewijs.”
2.2.3
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd overeenkomstig de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt, voor zover voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang, het volgende in:
“ [verdachte] niet bij de hennepplantage betrokken. [verdachte] dan ook geen enkele wetenschap heeft van deze plantage. (...)
Uit niets blijkt of deze plantage ook aan cliënt toebehoort. Immers, in de loods zijn geen forensische bewijzen aangetroffen die naar [verdachte] leiden.
(...) [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij [verdachte] in september 2015 bij loods [a-straat 1] heeft opgemerkt toen hij daar de internetkabel van [a-straat 2] naar [a-straat 4] ging doortrekken. Het is heel opmerkelijk dat [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij [verdachte] heeft gezien, omdat hij niet naar binnen is gegaan. Hoe kan [betrokkene 1] dan met zekerheid weten (en verklaren) dat de man die in loods [a-straat 1] de kabel heeft doorgegeven/aangetrokken ook daadwerkelijk cliënt was? Kortom, deze verklaring is mijns inziens door het ontbreken van onderscheidende waarde volstrekt irrelevant en kan daarom ook niet aan het bewijs bijdragen. (...)
Tot slot nog het punt van de adressering. De kwekerij is op een ander adres dan het gehuurde pand van [verdachte] aangetroffen. Uit het huurcontract met [betrokkene 1] staat opgenomen dat het gehuurde de loods op [a-straat 3] betreft. Dit huisnummer staat bovendien vermeld in het huurcontract dat namens [verdachte] en onderhuurder [betrokkene 3] is gesloten (...) Ook om die reden kan er geen veroordeling voor het tlgl volgen.
Onjuiste herkenning (...) Voorwaardelijk verzoek
Onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is in samenhang met het verkeerde adres, de onjuiste herkenning en het ontbreken van wetenschap en machtssfeer verzoek ik uw hof [verdachte] vrij te spreken.
Indien uw mijn betoog niet volgt, het voorwaardelijke verzoek om [betrokkene 1] , de eigenaar van de loods te horen. In de eerste plaats om er zeker van te zijn wie hij daadwerkelijk bedoelt met [verdachte] en tevens hoe het nu zit met de nummering van de diverse loodsen.”
2.2.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt daarnaast het volgende in:
“Cliënt heeft verklaard dat hij [betrokkene 1] nooit heeft gezien. Daarnaast wil ik opmerken dat [betrokkene 1] nooit met cliënt is geconfronteerd. Ik wil het hof verzoeken om [betrokkene 1] nader te horen om er zeker van te zijn wie hij bedoelt met ‘ [verdachte] ’. Is destijds geverifieerd of het cliënt is?”
2.2.5
De uitspraak van het hof houdt onder meer het volgende in:
“Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 29 oktober 2015 een inwerking zijnde hennepkwekerij met zeven kweekruimtes aan de [a-straat 1] te [plaats] is aangetroffen. Van alle acht de bedrijven ter plaatse in de twee bedrijfsverzamelgebouwen (met vier bedrijven links en vier rechts) werden slechts bij één bedrijf, het bedrijf gevestigd op [a-straat 1] , bijzonderheden aangetroffen.
(...)
Verhuurder [betrokkene 1] is op 24 februari 2016 door de politie gehoord en heeft verklaard dat hij het pand aan de [a-straat 1] te [plaats] aan ‘ [verdachte] ’ verhuurde en dat hij de huur contant ontving. (...) [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij een maand of anderhalve maand voor de ontdekking van de kwekerij ‘ [verdachte] ’ buiten aantrof. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij in september 2015 een internetkabel heeft aangelegd in zijn panden aan de [a-straat 1 tot en met 5] . [betrokkene 1] is toen niet in het pand met [a-straat 1] binnengegaan, omdat [verdachte] de kabel vanuit zijn pand heeft aangetrokken en heeft doorgestoken naar de achterburen.
(...)
Naar het oordeel van het hof is boven redelijke twijfel verheven dat het de verdachte is geweest die onder zijn eigen naam ‘ [verdachte] ’ met ingang van 1 oktober 2013 met [betrokkene 1] een huurovereenkomst is aangegaan met betrekking tot het bedrijfspand waar op 29 oktober 2015 een inwerking zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen. (...) Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft bevestigd dat hij per 1 oktober 2013 met [betrokkene 1] een huurovereenkomst is aangegaan voor een bedrijfspand aan de [a-straat ] in [plaats] . (...) Voorts staat naar het oordeel van het hof vast dat die huurovereenkomst tussen [betrokkene 1] en verdachte zag op het door verdachte gehuurde bedrijfspand aan de [a-straat ] met [a-straat 1] , waar de inwerking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Dat op de schriftelijke huurovereenkomst een ander nummer, te weten [a-straat 3] , is vermeld, laat naar het oordeel van het hof alle overige uit de bewijsmiddelen voortvloeiende bevindingen dat het hier gaat om het aan ‘ [verdachte] ’ verhuurde bedrijfspand met [a-straat 1] , waar de hennepplanten zijn aangetroffen, onverlet. Daar komt bij dat [betrokkene 1] beschikte over een kopie van een op naam van de verdachte verstrekt identiteitsbewijs, dat bij deze overeenkomst was gevoegd.
(...)
Nu de verklaringen van de verdachte de redengevendheid van al het bewijsmateriaal niet kunnen ontzenuwen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte aldus wist van de aanwezigheid van de inwerking zijnde hennepkwekerij aldaar, in het door hem gehuurde, terwijl de hennepplanten zich in zijn machtssfeer bevonden, nu hij als huurder in het pand en de kwekerij kon en kwam wanneer hij dat wilde en niet is gesteld of gebleken dat hij daar (op of vanaf enig moment) niet (zonder meer) mocht komen.
(...)
Voorwaardelijke verzoeken raadsman
Hiervoor is reeds uiteengezet waarom het hof de verklaringen van de verdachte dat hij niets wist van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het door hem gehuurde pand, dat hij daar niet kwam (...) niet geloofwaardig acht.
Het hof voegt daar nog aan toe dat, tegen de achtergrond van het procesdossier, van geen enkele reden is gebleken om aan de verklaring van [betrokkene 1] te twijfelen voor zover die ziet op de verdachte. Zoals blijkt uit de bewijsmiddelen wordt de verklaring van [betrokkene 1] bevestigd door meerdere feitelijkheden. (...) Immers, niet ter discussie staat dat verdachte een huurovereenkomst met [betrokkene 1] is aangegaan. Het hof ziet derhalve geen noodzaak om tot het horen van [betrokkene 1] over te gaan (...).”
2.3.1
In de toelichting op het cassatiemiddel wordt in verband met de klacht over de afwijzing door het hof van het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige een beroep gedaan op de uitspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens (hierna: EHRM) in de zaak Keskin tegen Nederland (EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16).
2.3.2
Naar aanleiding van de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin tegen Nederland heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 onder meer geoordeeld dat bij de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter, het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld als het gaat om een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al - in het vooronderzoek of anderszins - een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. In dat geval mag van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang worden verlangd (rechtsoverweging 2.9.2). Uit dit arrest volgt ook dat de rechter het verzoek om zo’n getuige op te roepen en te horen niettemin kan afwijzen, onder meer als hij tot het oordeel komt dat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen als de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan (rechtsoverweging 2.9.3).
2.4.1
Het hof heeft het verzoek tot het horen van [betrokkene 1] als getuige afgewezen en heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat het horen van de getuige voor de bewijsvoering geen toegevoegde waarde zal hebben. Aan dat oordeel heeft het hof in de kern ten grondslag gelegd dat het geen reden heeft om aan de juistheid van de door de getuige afgelegde verklaring te twijfelen en dat die verklaring wordt bevestigd door “meerdere feitelijkheden”.
2.4.2
De afwijzing van het verzoek is niet zonder meer begrijpelijk, gelet op wat onder 2.3 is vooropgesteld. Aan het verzoek is immers ten grondslag gelegd dat de verdachte de verklaring van [betrokkene 1] betwist, waarbij de verdachte onder meer heeft aangevoerd dat hij niet het pand [a-straat 1] - het pand waarin de hennepplantage is aangetroffen - heeft gehuurd, maar het pand [a-straat 3] en dat niet duidelijk is dat [betrokkene 1] in zijn verklaring over de huurder van het pand [a-straat 1] doelt op de verdachte. De door het hof bedoelde “andere feitelijkheden” die de verklaring van [betrokkene 1] ondersteunen zijn niet toereikend voor het kennelijke oordeel van het hof dat de feiten en omstandigheden waarover [betrokkene 1] heeft verklaard - in het bijzonder dat de verdachte [a-straat 1] heeft gehuurd - al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. De Hoge Raad neemt hierbij mede in aanmerking dat bewijsmiddel 7 inhoudt dat de verdachte [a-straat 3] heeft gehuurd en dat het hof heeft vastgesteld dat op de in bewijsmiddel 9 bedoelde huurovereenkomst is vermeld dat deze betrekking heeft op [a-straat 3] .
2.5
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2023.
Conclusie 07‑02‑2023
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Post-Keskin. Middel klaagt over afwijzing voorwaardelijk verzoek om getuige te horen. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03721
Zitting 7 februari 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 24 augustus 2021 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een geldboete van tienduizend euro, subsidiair 85 dagen hechtenis.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en W.J. Ausma, advocaat te Utrecht, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3. Het middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte dan wel met een ontoereikende motivering, het door de verdediging gedane verzoek tot het horen van (de belastende) getuige [betrokkene 1] heeft afgewezen en daarmee het recht van de verdachte op een eerlijk proces heeft geschonden. Voor ik nader op het middel inga, geef ik eerst de bewezenverklaring en bewijsvoering weer.
4. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 oktober 2015 tot 30 oktober 2015 te Schijndel opzettelijk een grote hoeveelheid van 2445 hennepplanten (zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II) opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [a-straat 1] ).”
5. Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van voetnoten):
“Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 november 2015, dossierpagina's 52-57, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(Dossierpagina 52)
Op 29 oktober 2015 waren wij ter plaatse aan de [a-straat] te Schijndel. Wij zijn aangegaan bij de aldaar gevestigde bedrijven, gevestigd in de twee bedrijfsverzamelgebouwen aan weerszijden. Aan de linkerzijde, gezien vanaf de [a-straat] , waren 4 bedrijven gevestigd. Bij deze bedrijven troffen we geen bijzonderheden. Aan de rechterzijde waren eveneens 4 bedrijven gevestigd. Bij het eerste, derde en vierde bedrijf troffen we geen bijzonderheden. Bij het tweede bedrijf, naar later bleek gevestigd op [a-straat 1] , was rondom alles afgesloten. Aan de voorzijde van [a-straat 1] zagen wij dat de ramen in de roldeur verduisterd waren. Ook was het raam boven de loopdeur verduisterd. We zagen dat dit bij de overige bedrijven niet het geval was.
Bij het eerste bedrijf spraken we met een medewerker, die mededeelde dat hij werkzaam was voor het bedrijf [A] gevestigd aan de [a-straat 2] . Wij hoorden dat zijn werkgever [betrokkene 1] eigenaar zou zijn van het gehele bedrijfsverzamelgebouw. Wij hoorden hem zeggen dat er niet of nauwelijks bedrijvigheid was rondom het bedrijf naast hem, waarmee hij doelde op [a-straat 1] . Wij hoorden dat er in de ochtenduren en soms in de avonduren en nachtelijke uren bedrijvigheid zou zijn.
Wij zagen in de loods, behorende bij [a-straat 2] , een schuifdeur tussen [a-straat 2] en [a-straat 1] zitten. Wij hoorden duidelijk een afzuiginstallatie aan de andere zijde van de schuifdeur.
(Dossierpagina 53)
Door een andere medewerker van het bedrijf op [a-straat 2] werd ons een huurcontract overhandigd. Dit huurcontract was ondertekend op 1 oktober 2013. Het huurcontract was ondertekend door [betrokkene 1] en verdachte [verdachte] .
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , ben vervolgens middels een lange ladder op het dak van het bedrijfsverzamelgebouw geklommen. Op het dak trof ik in totaal zes afzuigkappen aan. Ik voelde uit twee van de zes kappen warme lucht komen. Bij de bedrijven op [a-straat 2] en [a-straat 3] werden geen afzuiginstallaties aangetroffen.
Bij binnenkomst bij [a-straat 2] trof ik, verbalisant [verbalisant 2] , direct aan mijn linkerzijde twee grote gaten aan in de muur. Toen ik door deze gaten keek zag ik diverse zilverkleurige buizen liggen. Verbalisant [verbalisant 1] keek eveneens door de gaten. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , herkende deze buizen als de buizen voor luchtafvoer behorende bij een afzuiginstallatie, welke vaak gebruikt worden bij het telen van hennep.
Ik, verbalisant [verbalisant 2] , ben vervolgens bij [a-straat 2] verder gaan zoeken naar eventuele gaten in de muur tussen [a-straat 2] en [a-straat 1] . Bij binnenkomst, links achter in het pand, zag ik eveneens twee gaten in de muur. Toen ik door deze gaten keek zag ik een grote hoeveelheid zwarte bloempotten staan. Tevens zag ik potgrond liggen en ventilatoren staan. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , kon de goederen welke door ons werden waargenomen, aanmerken als goederen die gebruikt kunnen worden voor het telen van hennep.
Op 29 oktober 2015 werd het slot van de loopdeur, links naast de roldeur, verwijderd, waarop wij het pand betraden.
(Dossierpagina 54)
In het pand, bij binnenkomst door de loopdeur, zagen wij aan onze linkerkant een witte plaat. De plaat bleek later te dienen als deur. Nadat wij deze deur openden zagen wij een aantal transformatoren aan de wand hangen. Wij zagen dat links naast de transformatoren een deur zat. Toen wij de deur openden zagen wij een inwerking zijnde hennepkwekerij.
(Dossierpagina 55)
Een overzicht van de aangetroffen goederen per kweekruimte:
Kweekruimte 1: in totaal 410 hennepplanten, ongeveer vier weken oud;
Kweekruimte 2: in totaal 406 hennepplanten, ongeveer vijf weken oud;
(Dossierpagina 56)
Kweekruimte 3: in totaal 404 hennepplanten, ongeveer vijf weken oud;
Kweekruimte 4: in totaal 411 hennepplanten, ongeveer drie weken oud;
Kweekruimte 6: in totaal 497 hennepplanten, ongeveer een week oud;
(Dossierpagina 57)
Kweekruimte 7: in totaal 317 hennepplanten, ongeveer negen weken oud.
Goederen aangetroffen in overige ruimtes:
- 12 grote gebruikte koolstoffilters;
- 2 kleine gebruikte koolstoffilters;
- totaal 70 liter lege kannen groeimiddel, voor ongeveer 870 planten;
- 6 kuub aan gebruikte grond, voor ongeveer 545 potten
2. Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen d.d. 3 november 2015, dossierpagina 80, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant [verbalisant 1] :
Ik heb onderzoek ingesteld op het adres [a-straat 1] te Schijndel. In dit pand werd een hennepkwekerij aangetroffen met in totaal 2445 hennepplanten. Ik zag en rook dat het plantenmateriaal in de hennepkwekerij mij bekend voor kwam als hennep cq hennepdelen, een stof als bedoeld op lijst II van de Opiumwet. Ik herkende het plantenmateriaal als zijnde hennep aan zijn geur en uiterlijke kenmerken.
3. Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 24 februari 2016, dossierpagina's 11-13, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :
(Dossierpagina 11)
A: Ik ben eigenaar van de panden [a-straat 1 t/m 5] .
(Dossierpagina 12)
V: Wat kunt u vertellen over de aangetroffen hennepkwekerij in [a-straat 1] ?
A: Ik ken de huurder. De huurder betrof een Turkse man. Het huurcontract is al in jullie bezit. Ik heb het pand verhuurd aan [verdachte] .
V: Wanneer bent u voor het laatst in het pand geweest?
A: Ik denk dat het een halfjaar geleden is geweest. Ik denk dat ik een maand of anderhalve maand voor de ontdekking van de kwekerij vroeg in de ochtend voor deze deur stond. Ik trof toen [verdachte] buiten aan.
V: Wat kunt u verklaren omtrent het aanleggen van de internetkabel?
A: In september is in een van mijn panden een nieuwe huurder gekomen. Ik ben rond deze tijd ook de internetkabel gaan aanleggen in mijn panden. Ik heb de kabel van mij, [a-straat 2] , via de kabelgoot naar [a-straat 1] gelegd. Ik ben toen niet bij [a-straat 1] binnen geweest. [verdachte] heeft de kabel toen aangetrokken en ik heb de kabel doorgegeven. [verdachte] heeft de kabel vervolgens weer doorgestoken naar de achterburen.
V: Hoe werd de huur betaald?
A: Dit werd contact betaald.
4. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2015, dossierpagina's 58-59, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :
(Dossierpagina 58)
Op 29 oktober 2015 omstreeks 14.30 uur werd door mij, [verbalisant 2] , en collega [verbalisant 1] een onderzoek ingesteld naar aanleiding van verkregen informatie dat er aan de [a-straat] in Schijndel een henneplucht zou zijn geroken. Omstreeks 16:55 uur werd door ons daadwerkelijk een in werking zijnde hennepplantage aangetroffen. Door de zaakwaarnemer ( [betrokkene 2] van [A] ) werd gebeld met de eigenaar van de loods, [betrokkene 1] . [betrokkene 1] verklaarde dat hij twee weken terug nog in het betreffende gedeelte van het pand was geweest waar de hennepplantage zat. Hij was alleen in de kleine ruimte aan de zuidzijde geweest en niet in de ruimte aan de noordzijde waar later de hennepplantage werd aangetroffen. Hij was daar geweest omdat een internetkabel getrokken moest worden van [a-straat 2] naar [a-straat 4] , dus door tussengelegen [a-straat 1] .
Op 29 oktober 2015 omstreeks 19.30 uur werd door mij de betreffende internetkabel gevonden en gevolgd. Ik zag dat de kabel achter langs kweekruimte vijf, zes en zeven liep. Deze ruimten waren alleen bereikbaar via de loods waar de plantageruimten gebouwd waren. Ik zag dat de internetkabel nog nieuw was en er geen stof op zat. Ik zag dat de kabels daaromheen oud en verkleurd waren en dat er wel stof op lag.
5. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex artikel 36e, tweede lid, Sr, d.d. 4 juli 2016, dossierpagina’s 81-88, voor zover inhoudende de bevindingen van hoofdagent [verbalisant 3] :
(Dossierpagina 85)
Ruimte 5:
hennepresten naar aanleiding van eerdere oogst met in de pot een flinke stam,
Algemeen:
11 sterk vervuilde koolstoffilters, welke niet meer in gebruik waren; gemiddeld gaat een koolstoffilter 5 oogsten mee,
7 vuilniszakken met potgrond en hennepresten aangetroffen à 60 liter per stuk,
Lege, gebruikte fles purschuim aangetroffen met houdbaarheidsdatum van 29 januari 2014.
6. De kopie van het Spaanse paspoort van [betrokkene 3] met nummer [001] en de bevindingen van het Spaanse liaison bureau bij Europol, dossierpagina’s 46 en 47, voor zover inhoudende:
Please be informed that, after checking our Police Databases (police records, aliens, intelligence...) we have not obtained any result.
There is neither information on Spanish passport in databases, nor any passport issued to this individual.
7. Het proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte d.d. 29 februari 2016, dossierpagina’s 27-31, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [verdachte] :
(Dossierpagina 29)
V: Welke panden heb jij het afgelopen jaar gehuurd?
A: Ik heb het pand aan de Van Leeuwenhoekweg [a-straat 3] gehuurd.
V: Van wie huurde jij het pand?
A: Ik huurde dit van [B] .
V: Hoe lang huur je het pand?
A: Ik huur dit vanaf 2013.
(Dossierpagina 30)
Opmerking verbalisant; Verbalisant heeft verhuurder [betrokkene 1] gebeld. [betrokkene 1] werd gevraagd wie de huur van het pand betaalde. Ik, verbalisant, hoorde dat [betrokkene 1] tegen mij zei dat de huur altijd door [verdachte] werd betaald, op een keer na.
8. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 12 juli 2019:
Ik heb het pand gehuurd. Ik heb enkele keren betaald aan [betrokkene 1] .
9. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 augustus 2021:
U, advocaat-generaal, vraagt mij of de kopie van het identiteitsbewijs op dossierpagina 21, die zich bevindt achter de huurovereenkomst van 1 oktober 2013 met [betrokkene 1] , betreffende het pand, een kopie van mijn identiteitsbewijs betreft. Dit klopt, dat is een kopie van mijn identiteitsbewijs.”
6. Het arrest bevat voorts de volgende bewijsoverweging, waarin tevens het voorwaardelijk verzoek tot het oproepen en ter terechtzitting horen van de getuige [betrokkene 1] wordt afgewezen:
“Bewijsoverwegingen
Opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken of aanwezig hebben van 2445 hennepplanten
Standpunten verdediging
Door de raadsman is gesteld dat de verdachte niet op de hoogte was van de aangetroffen hennepkwekerij in het pand aan de [a-straat 1] te Schijndel. Daartoe is aangevoerd dat iemand anders zich voor ‘ [verdachte] ’ heeft uitgegeven. Allereerst staat op de huurovereenkomst een andere handtekening dan op het rijbewijs van verdachte. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij de verhuurder [betrokkene 1] nooit heeft ontmoet, maar dat hij zijn loods via zijn overleden vriend heeft onderverhuurd aan [betrokkene 3] . Het is niet geverifieerd dat als [betrokkene 1] het over ‘ [verdachte] ’ had, hij ook daadwerkelijk de verdachte [verdachte] bedoelde. Tot slot hebben verschillende getuigen verschillende verklaringen afgelegd, maar worden deze verklaringen niet onderbouwd met specifieke uiterlijke kenmerken van de dader. Forensisch bewijs dat leidt naar de verdachte, is evenmin aangetroffen in de loods. Volgens de verdediging heeft de hennepplantage zich aldus niet in de machtssfeer van de verdachte bevonden, nu daarvoor nodig is dat de verdachte in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans moest hebben aanvaard dat de hennep in zijn machtssfeer aanwezig was. In dat verband is ook nog betoogd dat de hennepkwekerij is aangetroffen in de loods op [a-straat 1] terwijl uit het huurcontract met [betrokkene 1] blijkt dat het om de loods op [a-straat 3] ging, betreffende ook de onderverhuurde loods blijkens het huurcontract met onderhuurder [betrokkene 3] dat gaat over [a-straat 3] .
Voor het geval het hof voormelde standpunten van de verdediging niet volgt, is voorwaardelijk verzocht om [betrokkene 1] [het hof begrijpt: [betrokkene 1] ], de eigenaar van de loods, te horen. In de eerste plaats om er zeker van te zijn wie hij bedoelt met ' [verdachte] ’ en tevens hoe het nu zit met de nummering van de diverse loodsen. Daarnaast het voorwaardelijk verzoek een handschriftdeskundige te benoemen om de handtekening onder het huurcontract met [betrokkene 1] te vergelijken, nu deze in de verste verte niet lijkt op de handtekening onder het andere contract en het rijbewijs [naar het hof begrijpt: van de verdachte]
(…)
Oordeel van het hof
(…)
Voor de vraag of de verdachte opzettelijk drugs aanwezig heeft gehad als bedoeld in artikel 3 onder C van de Opiumwet is op grond van bestendige jurisprudentie niet doorslaggevend aan wie die drugs toebehoren. Er hoeft daarnaast ook geen sprake te zijn van enige beschikkings- of beheersbevoegdheid ten aanzien van die drugs. Wel zullen de verdovende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte dienen te bevinden (vgl. HR 15 september 1986, ECLI:NL:HR: 1986:AC4312, NJ 1987/359 en HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3696). Daarnaast dient de verdachte wetenschap te hebben van de aanwezigheid van de verdovende middelen. Daaronder is ook begrepen het bewust aanvaarden van de aanmerkelijke kans dat die middelen in een bepaalde ruimte aanwezig zijn.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat op 29 oktober 2015 een inwerking zijnde hennepkwekerij met zeven kweekruimtes aan de [a-straat 1] te Schijndel is aangetroffen. Van alle acht de bedrijven ter plaatse in de twee bedrijfsverzamelgebouwen (met vier bedrijven links en vier rechts) werden slechts bij één bedrijf, het bedrijf gevestigd op [a-straat 1] , bijzonderheden aangetroffen. Na de anonieme melding dat er rondom [a-straat 1] een sterke hennepgeur werd geroken, werd ter plaatse het vermoeden van een hennepkwekerij steeds groter naarmate meer onderzoek werd verricht vanaf het dak boven [a-straat 1] en vanuit [a-straat 2] , naast [a-straat 1] . Het toegenomen vermoeden vond bevestiging toen eenmaal bij [a-straat 1] werd binnengetreden. Er werden 2445 hennepplanten aangetroffen. Deze planten waren niet allemaal even oud. Per ruimte varieerde het groeistadium waarin de hennepplanten zich bevonden. De oudste planten waren ongeveer negen weken oud. Daarnaast zijn er meerdere goederen bestemd voor een hennepkwekerij aangetroffen. Er werden bijvoorbeeld 14 gebruikte koolstoffilters, 6 kuub aan gebruikte grond voor ongeveer 545 potten en 70 liter lege kannen groeimiddel voor ongeveer 870 planten aangetroffen. Van 11 aangetroffen gebruikte (niet meer in gebruik zijnde) koolstoffilters stelt de politie dat deze sterk vervuild waren en dat een koolstoffilter gemiddeld 5 oogsten meegaat. Ook werden in 7 vuilniszakken naast potgrond hennepresten aangetroffen. Tevens werd een lege gebruikte fles purschuim aangetroffen met een houdbaarheidsdatum van 29 januari 2014.
Verhuurder [betrokkene 1] is op 24 februari 2016 door de politie gehoord en heeft verklaard dat hij het pand aan de [a-straat 1] te Schijndel aan ' [verdachte] ’ verhuurde en dat hij de huur contant ontving. Door een medewerker van [betrokkene 1] ' bedrijf, gevestigd op [a-straat 2] , was de huurovereenkomst met huurder ‘ [verdachte] ’ van het betreffende [a-straat 1] met daarbij een kopie van het identiteitsbewijs van de verdachte (dossierpagina’s 18- 22) reeds aan de politie ter beschikking gesteld op 29 oktober 2015. [betrokkene 1] heeft verklaard dat hij een maand of anderhalve maand voor de ontdekking van de kwekerij ' [verdachte] ’ buiten aantrof. Daarnaast heeft hij verklaard dat hij in september 2015 een internetkabel heeft aangelegd in zijn panden aan de [a-straat 1 t/m 5] . [betrokkene 1] is toen niet in het pand met [a-straat 1] binnengegaan, omdat [verdachte] de kabel vanuit zijn pand heeft aangetrokken en heeft doorgestoken naar de achterburen. Die internetkabel is door de politie in [a-straat 1] , waar de hennepkwekerij aanwezig was, ook aangetroffen. De kabel zag er nieuw uit en zat niet, net als alle andere kabels wel, onder het stof.
Tegenover de feiten en omstandigheden zoals deze uit de bewijsmiddelen volgen, staan de verklaringen van de verdachte.
De verdachte is allereerst op 29 februari 2016 bij de politie gehoord. Hij heeft verklaard dat hij sinds 2013 een pand aan de [a-straat] van [betrokkene 1] heeft gehuurd. Daarna heeft hij het pand onderverhuurd aan [betrokkene 3] . Hij heeft de (onderver)huurovereenkomst van voornoemd pand overgelegd (dossierpagina’s 40-45). Voorts heeft hij verklaard dat [betrokkene 3] de huur aan [betrokkene 1] betaalde. De verdachte had zelf niets met [betrokkene 1] te maken. Tot slot heeft de verdachte verklaard dat hij voorafgaand aan de onderverhuur voor het laatst in voornoemd pand is geweest en dat hij niet met het doortrekken van de internetkabel heeft geholpen.
Voorts is de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 12 juli 2019 gehoord. Hij heeft toen anders verklaard, namelijk dat hij het pand aan de [a-straat 3] en niet [a-straat 1] , waar de hennepkwekerij is aangetroffen, huurde. Hij had dat pand ( [a-straat 3] ) samen met een vriend gehuurd voor de autohandel. Dat kwam van de grond en zij hadden enkele auto's: Het pand werd door hen gebruikt tot halverwege 2014. Deze vriend, [betrokkene 4] , zou in 2017 zijn overleden volgens verdachte. Voor wat betreft de onderverhuur verklaarde verdachte ten overstaan van de rechtbank dat hij vanaf 1 september 2015 het pand aan [betrokkene 3] onderverhuurde. [betrokkene 3] betaalde de huur contant aan [betrokkene 1] . De verdachte heeft verklaard dat hij ook zelf enkele keren de huur aan [betrokkene 1] heeft betaald.
Als laatste is de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 10 augustus 2021 gehoord. Hij heeft ten overstaan van het hof verklaard dat hij [betrokkene 1] nooit heeft gezien. Hij kent [betrokkene 1] niet en [betrokkene 1] kent hem niet. Het identiteitsbewijs dat bij het huurcontract is gevoegd, is wel van de verdachte. Slechts de naam van de verdachte stond op het huurcontract, maar zijn – inmiddels overleden – vriend regelde alles. Verdachte heeft het huurcontract zelf niet getekend. De handtekening op het huurcontract is niet de zijne. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij samen met zijn vriend het pand had gehuurd om samen geld te verdienen in de autohandel. Dit kwam echter niet van de grond. Verdachte was om die reden in de veronderstelling dat ze geen beschikking over het pand meer hadden. Hij is alleen in het begin van de huurperiode, in 2013, in het pand geweest. Zijn – inmiddels overleden – vriend heeft het pand vervolgens aan [betrokkene 3] onderverhuurd. Deze vriend heeft de naam van de verdachte op het onderverhuurcontract gezet, aldus de verdachte.
Het hof stelt vast dat via het Spaanse liaison bureau bij Europol onderzoek is verricht naar de persoon van ' [betrokkene 3] ' en dat uit dat onderzoek in de politiedatabases geen enkel resultaat over deze persoon is verkregen. Voorts is evenmin informatie over het Spaanse paspoort gevonden, noch is enig paspoort aan […] deze persoon uitgegeven.
Alvorens het hof de vragen kan beantwoorden of de hennepplanten zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden en of hij wetenschap had van de aanwezigheid van de verdovende middelen, dient de vraag te worden beantwoord of voldoende aannemelijk is geworden of iemand anders zich voor ‘ [verdachte] ’, en aldus voor verdachte, heeft uitgegeven en zo ja, of verdachte derhalve niet op de hoogte was van de hennepkwekerij in het pand aan de [a-straat 1] te Schijndel.
Naar het oordeel van het hof is boven redelijke twijfel verheven dat het de verdachte is geweest die onder zijn eigen naam ‘ [verdachte] ' met ingang van 1 oktober 2013 met [betrokkene 1] een huurovereenkomst is aangegaan met betrekking tot het bedrijfspand waar op 29 oktober 2015 een inwerking zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen. Het hof acht de verklaringen van de verdachte dat hij niets wist van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het door hem gehuurde pand, dat hij daar niet kwam, dat hij [betrokkene 1] niet kent (en [betrokkene 1] hem niet) en dat hij dat pand had onderverhuurd vanaf 1 september 2015 aan ene [betrokkene 3] , ongeloofwaardig en schuift deze dan ook ter zijde. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte heeft bevestigd dat hij per 1 oktober 2013 met [betrokkene 1] een huurovereenkomst is aangegaan voor een bedrijfspand aan de [a-straat] in Schijndel. Dat de handtekening op de aan de politie verstrekte huurovereenkomst niet de zijne zou zijn, laat onverlet het feit verdachte heeft erkend dat hij een huurovereenkomst met [betrokkene 1] is aangegaan die voor wat betreft de inhoud met de zich in het dossier bevindende schriftelijke huurovereenkomst overeenstemt. Voorts staat naar het oordeel van het hof vast dat die huurovereenkomst tussen [betrokkene 1] en verdachte zag op het door verdachte gehuurde bedrijfspand aan de [a-straat] met [a-straat 1] , waar de inwerking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen. Dat op de schriftelijke huurovereenkomst een ander nummer, te weten [a-straat 3] , is vermeld, laat naar het oordeel van het hof alle overige uit de bewijsmiddelen voortvloeiende bevindingen dat het hier gaat om het aan ‘ [verdachte] ' [ik begrijp: [verdachte] , DP] verhuurde bedrijfspand met [a-straat 1] , waar de hennepplanten zijn aangetroffen, onverlet. Daar komt bij dat [betrokkene 1] beschikte over een kopie van een op naam van de verdachte verstrekt identiteitsbewijs, dat bij deze overeenkomst was gevoegd. [betrokkene 1] beschikte aldus van meet af aan over de identiteitsgegevens van zijn huurder, zijnde de verdachte genaamd ‘ [verdachte] ’, en [betrokkene 1] wist aldus wel degelijk wie ‘ [verdachte] ' was en hoe ‘ [verdachte] ’ er uitzag én welk bedrijfspand hij van [betrokkene 1] huurde. Bovendien heeft de verdachte in eerste aanleg ten overstaan van de rechtbank verklaard dat hij ook zelf aan [betrokkene 1] de huur had betaald. De huur, die altijd contant werd voldaan. Dit alles tezamen brengt mee dat het hof geen enkele reden heeft om eraan te twijfelen dat [betrokkene 1] het over de verdachte had waar hij heeft verklaard over zijn huurder ‘ [verdachte] ' en dat het ook verdachte was die hij bij het verhuurde pand waar de kwekerij is aangetroffen, heeft gezien. Voorts doet de gestelde en overgelegde (onderver)huurovereenkomst met ‘ [betrokkene 3] ' in combinatie met de situatie die werd aangetroffen bij het binnentreden van het pand afbreuk aan de geloofwaardigheid van verdachtes verklaringen. De verdachte heeft namelijk verklaard dat hij met [betrokkene 3] per 1 september 2015 een onderverhuurovereenkomst is aangegaan en dat hij, verdachte, sindsdien niet meer in het pand is geweest. Allereerst stelt het hof vast dat er hennepplantjes zijn aangetroffen die ongeveer negen weken oud zijn, wat betekent dat die plantjes feitelijk al ouder zijn dan de tijd die is gelegen tussen de datum van het ingaan van de onderverhuurovereenkomst (1 september 2015) en het binnentreden (29 oktober 2015), nog daargelaten de tijd die daarbij niet is meegerekend, maar wel is gemoeid met het opzetten van een hennepkwekerij met een omvang als de onderhavige. Daarnaast zijn meerdere indicatoren aangetroffen die erop wijzen dat de hennepkwekerij al langer in het pand aanwezig en in werking was dan de onderverhuurperiode, waarbij met name hennepresten/-afval van een (of meer) eerdere oogsten, een grote hoeveelheid sterk vervuilde niet meer in gebruik zijnde koolstoffilters en een grote hoeveelheid lege kannen in het oog springen. Voorts heeft het Spaande liaison bureau bij Europol nader onderzoek verricht naar de persoon van [betrokkene 3] op basis van de bij de (onderver)huurovereenkomst door verdachte overgelegde kopie van diens paspoort. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat aan niemand met deze persoonsgegevens een Spaans paspoort is verstrekt en deze persoon evenmin in de databases van de politie voorkomt. Er zijn bovendien ook geen verdere aanwijzingen die leidden in de richting van het bestaan van deze persoon. Het hof concludeert hieruit dat het er alle schijn van heeft dat niet alleen het paspoort is gefingeerd, maar ook de overeenkomst tussen de verdachte en deze [betrokkene 3] .
Het hof betrekt bij zijn oordeel over de ongeloofwaardigheid van verdachtes verklaringen bovendien nog het volgende. De verdachte komt in elk stadium met een net wat andere verklaring en tracht zijn betrokkenheid steeds meer af te zwakken. Ten overstaan van de politie was verdachte nog de huurder van [betrokkene 1] en werd door verdachte geen vriend genoemd en zou hij tot voor de datum van onderverhuur in het pand zijn gekomen. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft hij aan zijn verklaring toegevoegd dat hij het pand met een vriend huurde, die in 2017 overleden is, en dat zij het pand gebruikten tot halverwege 2014. En ter terechtzitting in hoger beroep heeft hij voor het eerst aan zijn verklaring toegevoegd dat hij de verhuurder [betrokkene 1] nog nooit zou hebben gezien en hij heeft gesteld dat hij alleen in het begin van de huurperiode, in 2013, in het pand is geweest, omdat de plannen voor het bedrijf dat hij samen met zijn vriend wilde starten niet van de grond kwamen. Naast al deze wisselende verklaringen heeft de verdachte zijn verklaringen onvoldoende geconcretiseerd en bleek zijn tot op zekere hoogte wel controleerbare verklaring dat hij het door hem gehuurde pand zou hebben onderverhuurd bij controle onjuist in die zin dat het bij de door hem overgelegde kopie van het paspoort van de onderhuurder ging om een niet bestaande persoon, hetgeen alleen maar afbreuk doet aan de door de verdachte afgelegde verklaringen.
Dat [betrokkene 1] de verdachte niet kende, dat de verdachte er nooit kwam en dat een ander zich als verdachte moet hebben voorgedaan tegenover [betrokkene 1] , daaraan hecht het hof geen geloof. Al deze verklaringen van de verdachte zijn strijdig met de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, waaruit juist naar voren komt dat de verdachte vanaf het moment van het ingaan van de huurovereenkomst met [betrokkene 1] in het bedrijfspand aan de [a-straat] in Schijndel kwam en nadien steeds daar is gekomen, zeker ook ten tijde van de groei- en bloeiperiode van de aangetroffen 2.445 hemnepplanten, getuige de verklaringen van [betrokkene 1] over onder andere de aanleg van de internetkabel en de in dat verband overige vastgestelde feiten en omstandigheden. Dat verdachte het bedrijfspand relatief kort voor de ontdekking van de kwekerij aan ene [betrokkene 3] zou hebben onderverhuurd en de verdachte daarom geen enkel strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt, omdat dit alles op het conto van [betrokkene 3] zou moeten komen, is zoals hiervoor reeds toegelicht niet aannemelijk geworden.
Nu de verklaringen van de verdachte de redengevendheid van al het bewijsmateriaal niet kunnen ontzenuwen, kan het naar het oordeel van het hof niet anders zijn dan dat de verdachte aldus wist van de aanwezigheid van de inwerking zijnde hennepkwekerij aldaar, in het door hem gehuurde, terwijl de hennepplanten zich in zijn machtssfeer bevonden, nu hij als huurder in het pand en de kwekerij kon en kwam wanneer hij dat wilde en niet is gesteld of gebleken dat hij daar (op of vanaf enig moment) niet (zonder meer) mocht komen.
Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte in de periode van 1 oktober 2015 tot 30 oktober 2015 te Schijndel opzettelijk een grote hoeveelheid 2445 hennepplanten aanwezig heeft gehad in het pand aan de [a-straat 1] te Schijndel.
(…)
Voorwaardelijke verzoeken raadsman
Hiervoor is reeds uiteengezet waarom het hof de verklaringen van de verdachte dat hij niets wist van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het door hem gehuurde pand, dat hij daar niet kwam, dat hij [betrokkene 1] niet kent en dat hij dat pand had onderverhuurd vanaf 1 september 2015 niet geloofwaardig acht.
Het hof voegt daar nog aan toe dat, tegen de achtergrond van het procesdossier, van geen enkele reden is gebleken om aan de verklaring van [betrokkene 1] te twijfelen voor zover die ziet op de verdachte. Zoals blijkt uit de bewijsmiddelen wordt de verklaring van [betrokkene 1] bevestigd door meerdere feitelijkheden. Daarnaast ziet het hof evenmin een reden om een handschriftdeskundige te benoemen. Immers, niet ter discussie staat dat verdachte een huurovereenkomst met [betrokkene 1] is aangegaan. Het hof ziet derhalve geen noodzaak om tot het horen van [betrokkene 1] over te gaan dan wel een handschriftdeskundige te benoemen en wijst de verzoeken af.”
7. Uit het voorgaande leid ik de navolgende voor deze zaak relevante feiten af. De verdachte is – na een veroordeling wegens het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep in eerste aanleg – door het gerechtshof veroordeeld wegens het aanwezig hebben hiervan (en vrijgesproken van het medeplegen).
8. Bij de inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep, op 10 augustus 2021, is namens de verdachte voor het eerst het (voorwaardelijke) verzoek gedaan om [betrokkene 1] ter terechtzitting op te roepen en te horen (zie onder 6, tweede alinea onder het kopje “standpunten verdediging”).
9. Dit voorwaardelijke verzoek was gekoppeld aan een – eveneens voor het eerst in hoger beroep gevoerd – verweer, waarvan de strekking kort gezegd was dat sprake zou zijn van een persoonsverwisseling. De verdachte zou alleen aan het begin – kort na het sluiten van het huurcontract in 2013 – in het pand zijn geweest. De huur zou daarna zijn betaald door “een vriend”, terwijl de verdachte op geen enkele wijze nog betrokken was bij (de activiteiten in) het pand. De eigenaar van het pand, [betrokkene 1] , zou hij nog nooit hebben ontmoet.
10. Anders dan de verdachte in eerste aanleg had verklaard (bewijsmiddel 8 van het arrest), stelde de verdachte zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt dat hij niet de huurder van het pand was en ook niet degene was die telkens het geld voor de huur (contant) aan [betrokkene 1] betaalde. Volgens de verdachte moest [betrokkene 1] , die in zijn verklaring de persoon aan wie hij het pand verhuurde, van wie hij het geld ontving en die hij tijdens het leggen van een internetkabel (enkele weken voor de ontdekking van de plantage) nog bij het pand had gezien, aanduidde met “ [verdachte] ” (bewijsmiddel 7) of “ [verdachte] ” (bewijsmiddel 3), dan ook iemand anders dan de verdachte hebben bedoeld.
11. Het voorwaardelijke verzoek tot het oproepen en horen van [betrokkene 1] is door de verdediging in lijn met deze schets van de gebeurtenissen gemotiveerd. Aan het verzoek is onder meer ten grondslag gelegd dat [betrokkene 1] ter terechtzitting gevraagd zou kunnen worden “wie hij bedoelt met ' [verdachte] ’”. Ter toelichting op het verzoek heeft de raadsman van de verdachte ter terechtzitting nog opgemerkt dat [betrokkene 1] “nooit met cliënt is geconfronteerd”, bijvoorbeeld door middel van een fotoconfrontatie.1.Het oproepen van [betrokkene 1] zou dus mede moeten gebeuren – zo begrijp ik – om ter terechtzitting vast te stellen of de verdachte inderdaad de persoon is met wie [betrokkene 1] steeds zaken heeft gedaan en wie hij bij het pand heeft gezien.
12. Het gerechtshof heeft vervolgens in het bestreden arrest de verdachte veroordeeld en het voorwaardelijk gedane verzoek tot het oproepen en horen van [betrokkene 1] afgewezen, op de grond dat het “de verklaringen van de verdachte dat hij niets wist van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het door hem gehuurde pand, dat hij daar niet kwam, dat hij [betrokkene 1] niet kent en dat hij dat pand had onderverhuurd vanaf 1 september 2015 niet geloofwaardig acht.” Daar heeft het hof aan toegevoegd “dat, tegen de achtergrond van het procesdossier, van geen enkele reden is gebleken om aan de verklaring van [betrokkene 1] te twijfelen voor zover die ziet op de verdachte.”
13. In de bewijsconstructie heeft het hof de bij de politie afgelegde verklaring van [betrokkene 1] als bewijsmiddel opgenomen (bewijsmiddel 3). In de overwegingen waarin het hof het door de verdachte geschetste scenario verwerpt, maakt het bovendien gebruik van deze verklaring om te motiveren waarom het aan dit scenario geen geloof hecht. In dat verband wijs ik nog op de volgende passage uit de hierboven al weergegeven bewijsmotivering:
“Dat [betrokkene 1] de verdachte niet kende, dat de verdachte er nooit kwam en dat een ander zich als verdachte moet hebben voorgedaan tegenover [betrokkene 1] , daaraan hecht het hof geen geloof. Al deze verklaringen van de verdachte zijn strijdig met de hiervoor genoemde bewijsmiddelen, waaruit juist naar voren komt dat de verdachte vanaf het moment van het ingaan van de huurovereenkomst met [betrokkene 1] in het bedrijfspand aan de [a-straat] in Schijndel kwam en nadien steeds daar is gekomen, zeker ook ten tijde van de groei- en bloeiperiode van de aangetroffen 2.445 hennepplanten, getuige de verklaringen van [betrokkene 1] over onder andere de aanleg van de internetkabel en de in dat verband overige vastgestelde feiten en omstandigheden.”
14. Uit het voorgaande volgt dat door de verdediging de oproeping is verzocht van een getuige die in het vooronderzoek een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking, terwijl die verklaring in hoger beroep voor het bewijs is gebruikt. Het hof had het verzoek, gelet op het bepaalde in het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2021 (ECLI:NL:HR:2021:576, NJ 2021, 173, m.nt. J. M. Reijntjes) en de daarop gevolgde jurisprudentie, niet mogen afwijzen op de grond dat “van geen enkele reden is gebleken om aan de verklaring van [betrokkene 1] te twijfelen voor zover die ziet op de verdachte.”
15. Ik heb mij nog afgevraagd of hierover anders kan worden gedacht, omdat de voor het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] mogelijk aangemerkt zou kunnen worden als een onmiskenbaar overbodige of irrelevante verklaring. De eerst in hoger beroep betrokken stelling van de verdachte dat hij niet de huurder was, [betrokkene 1] nooit had ontmoet en ook niet zelf de huur betaalde, vindt haar weerlegging inmiddels al in de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte in eerste aanleg, waarin hij zelf aangeeft wel het pand te hebben gehuurd en de huur aan [betrokkene 1] te hebben betaald (bewijsmiddel 8). Zo bezien zou de verklaring van [betrokkene 1] als overbodig kunnen worden gezien.
16. Gelet echter op het gegeven dat het hof de verklaring zowel als zelfstandig bewijsmiddel opneemt, als gebruikt in de motivering waarom het de alternatieve lezing van de verdachte verwerpt, terwijl het hof zich niet kenbaar rekenschap heeft gegeven van de zogenoemde (post-)Keskin-jurisprudentie en geen aandacht heeft geschonken aan de ‘overall fairness’ van de procedure, zie ik hiervoor geen ruimte.
17. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.
Slotsom
18. Het middel slaagt.
19. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 07‑02‑2023