Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/4.7.2.2.3
4.7.2.2.3 Binding voor wie?
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS498274:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Teuben 2004, p. 186.
Zie de paragrafen 4.7.2.1 en 4.7.2.2.
Hier is sprake van een feitelijke binding. Reeds door de sancties die (kunnen) staan op het niet naleven van voorschriften in een rechtersregeling kan de justitiabele niet veel anders dan zich aan de regeling houden.
Dit is slechts anders in geval van rolreglementen: Teuben 2004, p. 191 en p. 221. En indien sprake is van een rechtersregeling die is gebaseerd op precedentwerking van een beslissing van de hoogste rechtscolleges.
Zie ook paragraaf 4.6.2.4 onder c.
Teuben 2004, p. 189.
In het geval een rechtersregeling voldoet aan de criteria uit het Rolrichtlijnen-arrest wordt (zelf)binding aangenomen voor rechters die betrokken zijn geweest bij de vaststelling van een rechtersregeling.1 Zij dienen de regeling in voorkomende gevallen toe te passen, al bestaat er steeds een inherente afwijkingsbevoegdheid.2 Het gaat hierbij primair om een verplichting jegens procespartijen, welke op hun beurt ook geacht worden zich aan de regeling te houden, ten opzichte van de rechter en ten opzichte van elkaar.3 Een dergelijke verplichting strekt zich ook uit tot zogenoemde ‘opvolgende’ rechters. Omdat de appèlrechter de zaak in hoger beroep geheel opnieuw beoordeelt, wordt deze niet geacht om gebonden te zijn aan een in een rechtersregeling vastgelegd beleid van de lagere rechter.4 De cassatierechter zal de rechtersregeling (ook ambtshalve) dienen te betrekken in zijn oordeel en dient in het geval van een rechtsbeslissing het besluit van de lagere rechter aan de (toepassing of het gebrek daaraan) van de bepalingen in de rechtersregeling te toetsen. Dit is het gevolg van de kwalificatie van de rechtersregeling als recht in de zin van artikel 79 lid 1 onder b RO. In het geval van een beleidsbeslissing zal een beperkte toetsing plaatsvinden.5
Op grond van (verticale) precedentwerking kan worden aangenomen dat, indien een bepaling in een rechtersregeling in overeenstemming is met een uitspraak van een der hoogste rechtscolleges, deze bindend is voor iedere rechter binnen de hiërarchie van de rechtspraak. Dit is het gevolg van de top-down werking van het rechtsmiddelenstelsel.6 Ook hier is sprake van een verplichting tot ambtshalve toepassing van de rechtersregeling.
Een rechtersregeling die tot stand komt door (horizontale) precedentwerking is slechts bindend voor de rechter op het niveau van vaststelling van de rechtersregeling. Deze dient de regeling in voorkomende gevallen toe te passen. Het gaat hierbij om een verplichting jegens procespartijen. Ik meen dat voor deze situatie ook heeft te gelden dat procespartijen geacht worden zich aan de regeling te houden, ten opzichte van de rechter en ten opzichte van elkaar. De rechtersregeling kan, voor zover hiertoe mogelijkheden zijn binnen het rechtsmiddelenstelsel, in een hogere instantie worden overruled.