De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland
Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.6.1:6.6.1 Algemeen
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.6.1
6.6.1 Algemeen
Documentgegevens:
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS399638:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In veel gevallen vloeit uit de Europese subsidieregelgeving voort in welke gevallen een aanvraag voor een Europese subsidie door het nationaal uitvoeringsorgaan moet worden geweigerd. In hoeverre deze weigeringsgronden in het nationale recht dienen te worden geïmplementeerd, is afhankelijk van twee factoren. Ten eerste is van belang in welke soort Europese regel de weigeringsgrond is neergelegd. In hoofdstuk 51 is besproken dat bepalingen uit Europese verordeningen rechtstreeks toepasselijk zijn ten opzichte van een aanvrager van een Europese subsidie, mits zij onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn geformuleerd. Weigeringsgronden die zijn neergelegd in Europese besluiten van algemene strekking die zijn gericht tot de lidstaten, een OP, of voortvloeien uit bepalingen van Europese verordeningen die niet rechtstreeks toepasselijk zijn, dienen te worden geïmplementeerd in het nationale recht. Voor zover de Europese subsidie is aan te merken als een Awbsubsidie, staat artikel 4:35 van de Awb hieraan niet in de weg. In deze bepaling gaat het blijkens de woorden 'in ieder geval' immers om niet-limitatieve weigeringsgronden.2 De weigeringsgronden neergelegd in artikel 4:35 van de Awb, gelden derhalve aanvullend naast eventueel in een lagere subsidieregeling neergelegde weigeringsgronden.
De tweede factor die van betekenis is, is in hoeverre uit de Europese dan wel nationale regelgeving voortvloeit dat een discretionaire bevoegdheid tot subsidieverstrekking bestaat. Zo ja, dan kan een Nederlands bestuursorgaan een aanvraag voor een Europese subsidie zonder meer afwijzen wanneer honorering van de aanvraag in strijd zou komen met voor Nederland geldende Europese verplichtingen, ongeacht waarin zij zijn neergelegd.
Op deze twee factoren wordt in de volgende paragrafen verder ingegaan. Paragraaf 6.6.2 ziet op Europese subsidieregelingen waarvoor geldt dat een gebonden bevoegdheid tot het verstrekken van Europese subsidies bestaat. In paragraaf 6.6.3 ga ik in op Europese subsidieregelingen waarvoor geldt dat een discretionaire bevoegdheid tot subsidieverstrekking bestaat. Vervolgens wordt in paragraaf 6.6.4 ingegaan op de vraag hoe moet worden omgegaan met weigeringsgronden die voortvloeien uit Europese soft law. Ten slotte wordt in paragraaf 6.6.5 afzonderlijk aandacht besteed aan de vraag in hoeverre een Nederlands bestuursorgaan een Europese subsidie kan weigeren, wanneer sprake is of zou kunnen zijn van onrechtmatige staatssteun. In paragraaf 6.6.6 volgen conclusies en aanbevelingen.