Op p. 2 van het verzoekschrift tot cassatie wordt kennelijk abusievelijk 24 oktober 2013 (i.p.v. 24 oktober 2012) vermeld.
HR, 13-06-2014, nr. 14/01789
ECLI:NL:HR:2014:1407
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
13-06-2014
- Zaaknummer
14/01789
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:1407, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 13‑06‑2014; (Cassatie, Artikel 80a RO-zaken)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:422, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2014:422, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 02‑05‑2014
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2014:1407, Gevolgd
- Vindplaatsen
Uitspraak 13‑06‑2014
Partij(en)
13 juni 2014
Eerste Kamer
nr. 14/01789
LZ/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. E. Tamas.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].
1. Het geding in feitelijke instanties
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/09/12/903R van de rechtbank Den Haag van 17 januari 2014;
b. het arrest in de zaak 200.140.746/01 van het gerechtshof Den Haag van 27 maart 2014.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoekster] heeft bij brief van 16 mei 2014 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 13 juni 2014.
Conclusie 02‑05‑2014
14/01789 | Mr. L. Timmerman |
Zitting 2 mei 2014 | |
Conclusie inzake: | |
[verzoekster], | |
verzoekster tot cassatie |
1.1 Ten aanzien van verzoekster tot cassatie (“[verzoekster]”) heeft de rechtbank Den Haag bij vonnis van 24 oktober 20121.de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Deze schuldsaneringsregeling is op voordracht van de rechter-commissaris tussentijds beëindigd bij vonnis van deze rechtbank van 17 januari 2014.
1.2 [verzoekster] is van het vonnis van de rechtbank van 17 januari 2014 bij het hof Den Haag in hoger beroep gekomen.
1.3 Bij arrest van 27 maart 2014 heeft het hof voornoemd vonnis van de rechtbank bekrachtigd op de grond dat [verzoekster] is tekortgeschoten in de nakoming van haar sollicitatieverplichting (rov. 5).
1.4 [verzoekster] is van dit arrest bij verzoekschrift, op 4 april 20142.per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen en dus tijdig, in cassatie gekomen.
1.5 Het verzoekschrift tot cassatie bevat twee middelen, opgenomen in onderdelen 1.9 en 1.10.
1.6 In het eerste onderdeel (opgenomen in onderdeel 1.9) klaagt het middel dat het hof ten onrechte overweegt dat [verzoekster] heeft gesteld dat zij er niet op is gewezen dat zij in geval van arbeidsongeschiktheid door de rechter-commissaris moet worden vrijgesteld van haar sollicitatieverplichting. [verzoekster] heeft (aldus het middel) daarentegen gesteld dat noch door de rechter-commissaris noch door de bewindvoerder een deskundige is aangewezen om [verzoekster] (niet alleen in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB), maar ook) in het kader van de schuldsaneringsregeling te laten keuren.
1.7 In het tweede onderdeel (opgenomen in onderdeel 1.10) wijst het middel erop dat [verzoekster] met voornoemde stelling over een deskundige heeft verwezen naar de in de Recofa-richtlijnen opgenomen verplichting van de bewindvoerder en van de rechter-commissaris tot het aanwijzen van een deskundige voor de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid en klaagt het middel dat deze verplichting niet is nagekomen.
1.8 De middelen gaan eraan voorbij dat ingevolge art. 3.5 sub c en f Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen een schuldenaar voor een beroep op ontheffing van de sollicitatieverplichting wegens arbeidsongeschiktheid gehouden is een medische verklaring of medische informatie over te leggen waaruit de arbeidsongeschiktheid blijkt. Bij gebreke hiervan en indien aannemelijk is dat sprake is van medische omstandigheden die de (mate van) arbeidsgeschiktheid beïnvloeden, kan een keuring door een (door de bewindvoerder of door de rechter-commissaris aan te wijzen) deskundige plaatsvinden. In rov. 5 overweegt het hof dat, bij gebrek aan onderliggende bewijsstukken, geenszins is gebleken van een eventuele arbeidsongeschiktheid die [verzoekster] zou ontslaan van haar arbeidsverplichting en daarmee van haar sollicitatieverplichting in het kader van de schuldsaneringsregeling. Eveneens in rov. 5 stelt het hof vast dat herhaaldelijk aan [verzoekster] is uiteengezet hoe een vrijstelling van de sollicitatieverplichting in de schuldsaneringsregeling werkt. Van enig verzuim door de bewindvoerder of door de rechter-commissaris, zoals in onderdelen 1.9 en 1.10 van het verzoekschrift tot cassatie gesteld, is dan ook niet gebleken.
Beide middelen stuiten op het voorgaande af
Conclusie
Ik concludeer tot verwerping.
De procureur-generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑05‑2014
Op p. 5 van het verzoekschrift tot cassatie staat kennelijk abusievelijk 4 maart 2014 (i.p.v. 4 april 2014) vermeld.