In de tekst van de overgelegde beschikking is mogelijk een gedeelte weggevallen.
HR, 10-07-2015, nr. 15/01248
ECLI:NL:HR:2015:1846
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-07-2015
- Zaaknummer
15/01248
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Gezondheidsrecht (V)
Materieel strafrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2015:1846, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑07‑2015; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2015:906, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2015:906, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 01‑05‑2015
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2015:1846, Gevolgd
Beroepschrift, Hoge Raad, 16‑03‑2015
- Wetingang
- Vindplaatsen
NJ 2015/381 met annotatie van J. Legemaate
JVggz 2015/23 met annotatie van T.P. Widdershoven
PFR-Updates.nl 2015-0245
Uitspraak 10‑07‑2015
Inhoudsindicatie
BOPZ. Is voorlopige machtiging (art. 2 wet Bopz) mogelijk naast opgelegde ISD-maatregel (art. 38 Sr)? Ongewenste doorkruising? (HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5555, NJ 2003/628). Maakt (op 1 januari 2015 in werking getreden) art. 51 lid 3 Wet Bopz de voorlopige machtiging overbodig?
Partij(en)
10 juli 2015
Eerste Kamer
nr. 15/01248
EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[betrokkene],wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
t e g e n
OFFICIER VAN JUSTITIE OOST-BRABANT,zetelende te ’s-Hertogenbosch,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als betrokkene en de officier van justitie.
1. Het geding in feitelijke instantie
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/01/287375/FA RK 14-6624 van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 15 december 2014.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft betrokkene beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
De advocaat van betrokkene heeft bij brief van 18 mei 2015 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) Bij vonnis van 27 december 2011 heeft de rechtbank te ’s-Hertogenbosch aan betrokkene de maatregel opgelegd van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren (ISD; art. 38m Sr). Dit vonnis is door het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij arrest van 22 juni 2012 bevestigd.
(ii) Betrokkene is met ingang van 3 april 2013 opgenomen in de penitentiaire inrichting te Vught (Penitentiair Psychiatrisch Centrum).
(iii) De officier van justitie heeft op 8 december 2014 aan de rechtbank Oost-Brabant verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven (art. 2 Wet Bopz).
3.2
De rechtbank heeft de voorlopige machtiging verleend met ingang van 15 december 2014 en eindigend op 15 juni 2015. In reactie op het verweer dat een voorlopige machtiging niet mogelijk is naast een ISD-maatregel, heeft de rechtbank het volgende overwogen:
“De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad bij beschikking van 18 april 2003 (LJN: AF5555) heeft bepaald dat een strafrechtelijke machtiging en een civielrechtelijke machtiging (BOPZ) niet naast elkaar kunnen bestaan en dat, wanneer van zo’n situatie wel sprake zou zijn, de strafrechtelijke machtiging prevaleert.
De strafrechter heeft verschillende mogelijkheden om iemand te laten opnemen en/of behandelen in een psychiatrisch ziekenhuis indien sprake is van een door een geestesstoornis veroorzaakt gevaar. Een daarvan is de ISD maatregel van art. 38m Sr., waarbij iemand wordt opgenomen in een inrichting voor stelselmatige daders. Deze maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en beëindiging van de recidive van de verdachte.
De ISD-maatregel biedt echter geen mogelijkheid voor dwangbehandeling. Een gedetineerde met een zorgbehoefte kan, op grond van de artikelen 15.5 en 43.3 Penitentiaire Beginselenwet, wel worden geplaatst in een zorginstelling, maar artikel 51 Wet BOPZ verklaart de artikelen van de Wet BOPZ, die (onder meer) zien op de dwangbehandeling, nog niet van toepassing op personen met een ISD-maatregel. Een wetsvoorstel (nr 33771) waarin artikel 51 lid 3 Wet B[O]PZ naar verwijst hiertoe wordt uitgebreid, is recent aangenomen door de Eerste Kamer. Dat betekent dat iemand met een ISD-maatregel die, zoals in casu, zowel een meer adequate behandeling als noodmedicatie nodig heeft, momenteel niet zou kunnen worden doorgeplaatst naar de instelling die door de behandelaren noodzakelijk wordt geacht, en bij een vastlopen van de (vrijwillige) behandeling weer terug moet worden geplaatst naar de inrichting voor stelselmatige daders. De rechtbank is van oordeel dat in zo’n geval toch een samenloop mogelijk moet zijn; immers betrokkene verblijft bij overplaatsing “(BOPZ)-vrijwillig” in de instelling, terwijl ter bescherming van de maatschappij […] de ISD maatregel op de achtergrond doorloopt. Dat bijt elkaar niet, zo oordeelt de rechtbank.
Dat én de komende wetswijziging van artikel 51 lid 3 Wet Bopz maakt een BOPZ-machtiging naast een ISD-maatregel mogelijk. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat, bij de afweging van de oplegging van een BOPZ-maatregel, steeds een afweging moet worden gemaakt van de betrokken belangen. Voor betrokkene wordt in dit geval door de behandelaren een overplaatsing met de mogelijkheid van dwangbehandeling noodzakelijk geacht.”
3.3
Onderdeel I van het middel stelt de vraag aan de orde of een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz kan samenvallen met de tenuitvoerlegging van de aan betrokkene opgelegde ISD-maatregel. Volgens het onderdeel volgt uit HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5555, NJ 2003/628 dat een dergelijke samenloop van twee titels tot vrijheidsbeneming ontoelaatbaar is. Bovendien valt volgens het onderdeel niet in te zien waarom deze samenloop nodig zou zijn, nu betrokkene met ingang van 1 januari 2015 krachtens enkel de opgelegde ISD-maatregel onvrijwillig kan worden behandeld in een psychiatrisch ziekenhuis.
3.4
Vrijheidsbeneming op grond van een beslissing van de strafrechter, zoals de onderhavige ISD-maatregel, sluit niet in alle gevallen een onvrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis met toepassing van de Wet BOPZ uit (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.3-2.5). Wel dient bij de beoordeling van een verzoek tot het verlenen van een (voorlopige) machtiging op grond van de Wet Bopz te worden gewaakt tegen ongewenste doorkruising van een eerder gegeven strafrechtelijke beslissing en dient duidelijkheid te bestaan over de titel op grond waarvan de betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft (vgl. HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5555, NJ 2003/628).
Het middel bevat geen klacht tegen het oordeel van de rechtbank dat de Bopz-machtiging en de ISD maatregel ‘elkaar niet bijten’. Ook kan niet worden gezegd dat voor betrokkene onduidelijkheid dreigde omtrent de titel op grond waarvan hij in het psychiatrisch ziekenhuis zou verblijven. De opname uit hoofde van het onderhavige verzoek was immers gericht op dwangbehandeling, en de ISD-maatregel voorzag op het moment waarop de Bopz-machtiging zou ingaan niet in een mogelijkheid daartoe. In dit opzicht wijkt het onderhavige geval af van het geval dat aan de orde was in de eerder genoemde beschikking van 18 april 2003, waarin toewijzing van het verzoek wel kon leiden tot onduidelijkheid over de titel van het verblijf.
De omstandigheid dat de bepalingen uit de Wet Bopz over dwangbehandeling sinds 1 januari 2015 van overeenkomstige toepassing zijn op personen ten aanzien van wie een ISD-maatregel is toegepast (art. 51 lid 3 Wet Bopz, zoals die bepaling thans luidt), maakt het bovenstaande niet anders, nu de voorlopige machtiging voorzag in opname met ingang van 15 december 2014, derhalve vóór 1 januari 2015. Om diezelfde reden kan niet worden gezegd dat de vanaf 1 januari 2015 geldende regels de onderhavige voorlopige machtiging overbodig maakten, zoals het onderdeel betoogt.
Op het bovenstaande stuiten alle klachten van onderdeel I af.
3.5
De klachten van onderdeel II kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.B. Bakels als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, C.E. Drion, G. de Groot en M.V. Polak, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op 10 juli 2015.
Conclusie 01‑05‑2015
Inhoudsindicatie
BOPZ. Is voorlopige machtiging (art. 2 wet Bopz) mogelijk naast opgelegde ISD-maatregel (art. 38 Sr)? Ongewenste doorkruising? (HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5555, NJ 2003/628). Maakt (op 1 januari 2015 in werking getreden) art. 51 lid 3 Wet Bopz de voorlopige machtiging overbodig?
Partij(en)
15/01248
Mr. F.F. Langemeijer
1 mei 2015
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Oost-Brabant
In deze zaak gaat het om de mogelijkheid van samenloop van een ISD-maatregel en een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz.
1. De feiten en het procesverloop
1.1.
Bij vonnis van 27 december 2011 heeft de rechtbank te ’s-Hertogenbosch aan verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) de maatregel opgelegd van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren (ISD; art. 38m Sr). In hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bij arrest van 22 juni 2012 dit vonnis bevestigd. Betrokkene is met ingang van 3 april 2013 opgenomen in de penitentiaire inrichting te Vught (Penitentiair Psychiatrisch Centrum).
1.2.
De officier van Justitie heeft op 8 december 2014 aan de rechtbank Oost-Brabant verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven (art. 2 Wet Bopz). Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring d.d. 5 december 2014 gevoegd van de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 1].
1.3.
De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 15 december 2014, in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouwe, de psychiater [betrokkene 2], de behandelcoördinator [betrokkene 3] en de zorg- en behandelingsinrichtingswerker [betrokkene 4]. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de verzochte voorlopige machtiging verleend ingaande op 15 december 2014 en eindigend op 15 juni 2015.
1.4.
In reactie op het verweer dat een voorlopige machtiging niet mogelijk is naast een ISD-maatregel overwoog de rechtbank:
“De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad bij beschikking van 18 april 2003 (LJN: AF5555) heeft bepaald dat een strafrechtelijke machtiging en een civielrechtelijke machtiging (BOPZ) niet naast elkaar kunnen bestaan en dat, wanneer van zo’n situatie wel sprake zou zijn, de strafrechtelijke machtiging prevaleert.
De strafrechter heeft verschillende mogelijkheden om iemand te laten opnemen en/of behandelen in een psychiatrisch ziekenhuis indien sprake is van een door een geestesstoornis veroorzaakt gevaar. Een daarvan is de ISD maatregel van art. 38m Sr., waarbij iemand wordt opgenomen in een inrichting voor stelselmatige daders. Deze maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en beëindiging van de recidive van de verdachte.
De ISD-maatregel biedt echter geen mogelijkheid voor dwangbehandeling. Een gedetineerde met een zorgbehoefte kan, op grond van de artikelen 15.5 en 43.3 Penitentiaire Beginselenwet, wel worden geplaatst in een zorginstelling, maar artikel 51 Wet BOPZ verklaart de artikelen van de Wet BOPZ, die (onder meer) zien op de dwangbehandeling, nog niet van toepassing op personen met een ISD-maatregel. Een wetsvoorstel (nr 33771) waarin artikel 51 lid 3 Wet B[O]PZ naar verwijst hiertoe wordt uitgebreid1., is recent aangenomen door de Eerste Kamer. Dat betekent dat iemand met een ISD-maatregel die, zoals in casu, zowel een meer adequate behandeling als noodmedicatie nodig heeft, momenteel niet zou kunnen worden doorgeplaatst naar de instelling die door de behandelaren noodzakelijk wordt geacht, en bij een vastlopen van de (vrijwillige) behandeling weer terug moet worden geplaatst naar de inrichting voor stelselmatige daders. De rechtbank is van oordeel dat in zo’n geval toch een samenloop mogelijk moet zijn; immers betrokkene verblijft bij overplaatsing “(BOPZ)-vrijwillig” in de instelling, terwijl ter bescherming van de maatschappij […] de ISD maatregel op de achtergrond doorloopt. Dat bijt elkaar niet, zo oordeelt de rechtbank.
Dat én de komende wetswijziging van artikel 51 lid 3 Wet Bopz maakt een BOPZ-machtiging naast een ISD-maatregel mogelijk. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat, bij de afweging van de oplegging van een BOPZ-maatregel, steeds een afweging moet worden gemaakt van de betrokken belangen. Voor betrokkene wordt in dit geval door de behandelaren een overplaatsing met de mogelijkheid van dwangbehandeling noodzakelijk geacht.”
1.5.
Namens betrokkene is – tijdig2.– beroep in cassatie ingesteld. De officier van Justitie heeft in cassatie geen verweer gevoerd.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1.
Onderdeel I komt in het kort neer op de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz kan samenvallen met de tenuitvoerlegging van de aan betrokkene opgelegde ISD-maatregel. Een dergelijke samenloop van twee titels tot vrijheidsbeneming is volgens het middelonderdeel in strijd met de beschikking van de Hoge Raad van 18 april 20033.. Indien deze samenloop wel mogelijk moet worden geacht, valt volgens het middelonderdeel niet in te zien waarom deze nodig zou zijn, nu betrokkene met ingang van 1 januari 2015 onder vigeur van enkel de opgelegde ISD-maatregel onvrijwillig kan worden behandeld in een psychiatrisch ziekenhuis. Waarop de rechtbank haar oordeel grondt dat de wijziging van art. 51 lid 3 Wet Bopz (in wetsvoorstel 33 7714.) een Bopz-machtiging naast een ISD-maatregel mogelijk maakt, is volgens het middelonderdeel niet duidelijk: deze wetswijziging heeft volgens het middel juist ten doel de behandelsituatie van personen die met een ISD-maatregel en van hen die met een Bopz-machtiging zijn opgenomen gelijk te trekken.
2.2.
Vooraf merk ik op dat uit de bestreden beschikking en uit de in cassatie overgelegde gedingstukken niet met zekerheid kan worden opgemaakt op welke datum de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel een aanvang heeft genomen, noch op welke datum zij zal eindigen. Het gaat in dit cassatieberoep niet om een geval waarin een voorlopige machtiging wordt aangevraagd in het zicht van het einde van de strafrechtelijke detentie teneinde de onvrijwillige opname in een psychiatrisch ziekenhuis direct te laten aansluiten op het tijdstip waarop de strafrechtelijke vrijheidsbeneming eindigt5.. Op blz. 6 van de geneeskundige verklaring wordt gesproken van een verblijf op grond van een ISD-maatregel (als “afgestraft”) tot 21 maart 2015. Mijns inziens kan in cassatie ten minste hypothetisch worden uitgegaan van het feit dat de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel nog voortduurde ten tijde van de bestreden beschikking; blijkens haar overwegingen is de rechtbank daarvan uitgegaan. De omstandigheid dat betrokkene door de rechter in zijn woning is gehoord6., doet daaraan niet af.
2.3.
Anders dan het cassatiemiddel veronderstelt, sluit een vrijheidsbeneming op grond van een beslissing van de strafrechter een onvrijwillige opneming in een psychiatrisch ziekenhuis niet zonder meer uit. Dit volgt uit het bepaalde in art. 51 Wet Bopz, zoals dit artikel luidde in de periode voor 1 januari 2015. Dit artikel noemde drie categorieën:
(i) personen die op grond van een uitspraak van de strafrechter als bedoeld in art. 37 lid 1 Sr in een psychiatrisch ziekenhuis verblijven (zie art. 51 lid 1 Wet Bopz);
2.4.
In de onderhavige zaak gaat het om een geval uit de derde categorie. Volledigheidshalve zij vermeld dat naast deze drie categorieën meer mogelijkheden bestaan om een gedetineerde vanuit een penitentiaire inrichting onder te brengen in een psychiatrisch ziekenhuis. Ten behoeve van de tweede evaluatie van de Wet Bopz in 2002 is een overzicht gemaakt van zeventien verschillende wegen, waarlangs een persoon vanuit een strafrechtelijk traject kan worden opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis7.. De Nota van toelichting op het Interimbesluit forensische zorg, waarin de financiering is geregeld, onderscheidt zelfs 21 strafrechtelijke titels als basis voor het verlenen van forensische zorg8.. De verblijfstitels voor jeugdigen, in deze zaak niet aan de orde, blijven in deze conclusie verder onbesproken.
2.5.
Art. 15 lid 5 Pbw bepaalt:
“In geval van gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens van een gedetineerde kan de selectiefunctionaris bepalen dat de gedetineerde naar een psychiatrisch ziekenhuis als bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen zal worden overgebracht om daar zolang dat noodzakelijk is te worden verpleegd.”
Deze mogelijkheid ziet op alle gedetineerden in een penitentiaire inrichting en is op zichzelf goed te verklaren. Wanneer een gedetineerde, bijvoorbeeld, psychotisch wordt, bestaan binnen een penitentiaire inrichting niet altijd passende ruimten en opvangmogelijkheden, noch is steeds voldoende gespecialiseerd personeel beschikbaar voor een psychiatrische behandeling. Daarom moet in zo’n geval kunnen worden uitgeweken naar een psychiatrisch ziekenhuis, net zoals een gedetineerde met letsel of een ernstige lichamelijke ziekte in voorkomend geval kan worden opgenomen in een algemeen ziekenhuis.
2.6.
In gevallen waarin de betrokken patiënt al op grond van een rechterlijke machtiging (als bedoeld in de Wet Bopz) onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft en het Openbaar Ministerie voornemens is over te gaan tot tenuitvoerlegging van een strafvonnis of andere strafrechtelijke beslissing tot vrijheidsbeneming (bijvoorbeeld wanneer de patiënt in voorlopige hechtenis wordt genomen) heeft de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke beslissing in beginsel voorrang, ook al wordt de uitvoering van de rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz daarmee doorkruist9.. De rechterlijke machtiging verleent een bevoegdheid aan het Openbaar Ministerie om de betrokken patiënt onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en te doen verblijven, maar creëert niet een verplichting voor het O.M. om de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis te doen verblijven.
2.7.
In het omgekeerde geval, waarbij het strafvonnis voorafgaat aan het verzoek om een rechterlijke machtiging op grond van de Wet Bopz, rijst inderdaad de vraag of een machtiging tot vrijheidsbeneming kan worden ‘gestapeld’ op de strafrechtelijke beslissing tot vrijheidsbeneming. De beschikking van de Hoge Raad van 18 april 2003, aangehaald in de bestreden beschikking en in het cassatiemiddel, had betrekking op samenloop van een terbeschikkingstelling en een rechterlijke machtiging krachtens de Wet Bopz. In die zaak werd in cassatie de vraag aan de orde gesteld of een lopende terbeschikkingstelling, althans een lopende terbeschikkingstelling met voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege waarvan nog verlenging mogelijk is op grond van art. 38j Sr, in de weg staat aan het verlenen van een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz. De Hoge Raad overwoog daaromtrent:
“3.3 Met het oog op een voor de praktijk hanteerbare oplossing dient bij de beantwoording van de door het middel aan de orde gestelde vraag, mede gelet op hetgeen hiervóór in 3.2 onder (iv) is vermeld, tot uitgangspunt te worden genomen dat voorrang wordt gegeven aan de in het kader van de terbeschikkingstelling genomen beslissingen. Dit stemt ook overeen met hetgeen in 3.5 van de conclusie van de Advocaat-Generaal is vermeld omtrent de in art. 38l Sr. geregelde verhouding tussen de terbeschikkingstelling en de last tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis. Ter voorkoming van ongewenste doorkruising van beslissingen inzake terbeschikkingstelling dient te worden aanvaard dat de burgerlijke rechter ervoor zorgt dat – behoudens in het in de conclusie van de Advocaat-Generaal in 3.4 onder (iv) vermelde geval10.– tijdens een lopende terbeschikkingstelling niet tegelijkertijd een machtiging ingevolge de Wet Bopz gaat gelden. Indien de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd, doet een machtiging op grond van de Wet Bopz – behoudens in het zo-even genoemde geval – onzekerheid ontstaan omtrent de titel op grond waarvan de betrokkene rechtens van zijn vrijheid is beroofd en de plaats waar hij dient te worden opgenomen.
Ook in gevallen waarin de terbeschikkingstelling is gegeven zonder bevel tot verpleging van overheidswege dan wel het bevel tot verpleging van overheidswege voorwaardelijk is beëindigd en de ter beschikking gestelde ingevolge een daarbij gestelde voorwaarde in een psychiatrisch ziekenhuis verblijft, dient te worden voorkomen dat daarmee strijdige beslissingen worden genomen en dat onduidelijkheid ontstaat over de vraag op grond waarvan de betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft. Voorts kan door het verlenen van een machtiging op grond van de Wet Bopz in gevallen waarin de strafrechter een terbeschikkingstelling zonder bevel tot verpleging heeft opgelegd, of het bevel tot verpleging voorwaardelijk heeft beëindigd, de nakoming van de in dat kader door de strafrechter gestelde voorwaarden in het gedrang komen.”11.
2.8.
Anders dan in de zo-even geciteerde beschikking van 18 april 2003, is in de huidige zaak geen sprake van enige vorm van terbeschikkingstelling. In zoverre vindt de vraag naar de verenigbaarheid van een voorlopige machtiging met een ISD-maatregel niet rechtstreeks beantwoording in de beschikking van 18 april 2003. Aan de overwegingen in die beschikking kunnen wel enkele vuistregels worden ontleend12.. De door de Hoge Raad geformuleerde normen houden in:
(i) dat de Bopz-rechter dient te waken voor een ongewenste doorkruising van de eerder gegeven strafrechterlijke beslissing;
(ii) dat de rechter behoort te voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over de vraag op grond van welke titel de betrokkene in het psychiatrisch ziekenhuis verblijft;
(iii) dat meer in het bijzonder erop moet worden gelet of door het verlenen van een Bopz-machtiging de naleving van een of meer door de strafrechter gestelde voorwaarden in het gedrang komt.
Wanneer men dit alles in één volzin wil uitdrukken, zou men kunnen zeggen dat de Bopz-rechter bij zijn beslissing over het verzoek om een machtiging in beginsel de eerdere beslissing van de strafrechter respecteert. Indien het te duchten gevaar kan worden afgewend door (het voortduren van) de tenuitvoerlegging van de strafrechtelijke beslissing, is er bovendien geen reden meer voor een cumulatie van een Bopz-machtiging en die strafrechtelijke beslissing: zie art. 2, lid 2 onder b, Wet Bopz.
2.9.
In dit geding behoorde de rechtbank te onderzoeken of sprake zal zijn van een ongewenste doorkruising van de eerder opgelegde ISD-maatregel dan wel onduidelijkheid ontstaat over de verblijfstitel wanneer betrokkene krachtens de machtiging onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis wordt opgenomen terwijl de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde ISD-maatregel nog loopt. De rechtbank heeft dat onderzoek verricht, met het resultaat dat de rechtbank in de lopende ISD-maatregel geen beletsel heeft gezien om de verzochte machtiging te verlenen.
2.10.
Wat houdt zo’n ISD-maatregel precies in? Sinds 1 oktober 2004 bepaalt art. 38m Sr dat de rechter op vordering van de officier van justitie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) kan opleggen aan verdachten die stelselmatig strafbare feiten plegen. Dit geldt voor maximaal twee jaren (art. 38n Sr). Het eerste lid van art. 38m Sr luidt:
“De rechter kan op vordering van het openbaar ministerie de maatregel opleggen tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders, indien:
1. het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten;
2. de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf is veroordeeld dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen of maatregelen en er voorts ernstig rekening mede moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan, en
3. de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel eist.”
2.11.
Het tweede lid van art. 36m Sr bepaalt dat de maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en de beëindiging van de recidive van de verdachte. Het derde lid schrijft voor dat indien de verdachte verslaafd is dan wel ten aanzien van hem andere specifieke problematiek bestaat, de maatregel tevens ertoe strekt een bijdrage te leveren aan de oplossing van zijn (verslavings)problematiek. De tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel valt uiteen in twee fasen: in de eerste fase ligt het accent op detentie en klinische observatie; in de tweede fase wordt toegewerkt naar het behandeldoel (zoals: ontwenning van verslaafden; resocialisatie; psychiatrische behandeling etc.). De Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers (in het bijzonder de vordering van de ISD-maatregel bij stelselmatige daders) vermeldt dat een ISD-maatregel primair is gericht op langdurige insluiting en daarnaast op gedragsbeïnvloeding13.. Bij een bijzondere zorgbehoefte zoals een verstandelijke handicap, psychische stoornis of verslavingsproblematiek is een onafhankelijke indicatiestelling door een gedragskundige de basis voor overplaatsing naar een bijzondere zorgvoorziening binnen het gevangeniswezen, een tijdelijke plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van art. 15 lid 5 Pbw of de doorplaatsing naar een ggz-instelling. Uit een in 2007 uitgebracht advies van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) blijkt dat minstens de helft van de veelplegers met psychische problemen te kampen heeft14.. Art. 15 lid 5 Pbw is ook van toepassing op personen tegen wie een ISD-maatregel ten uitvoer wordt gelegd. Voor een dergelijke overplaatsing gelden nadere regels, vastgelegd in de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing gedetineerden15.. Art. 30 in deze Regeling bepaalt dat wanneer een plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis geïndiceerd is, de directeur van de inrichting waar de gedetineerde verblijft, na overleg met de districtspsychiater, een daartoe strekkend advies indient bij de selectiefunctionaris16.. De leden 3 - 9 van dit artikel geven verdere uitvoeringsvoorschriften voor de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis op de voet van art. 15 lid 5 Pbw.
2.12.
Naar aangenomen wordt, leidde ten tijde van de bestreden beschikking de overbrenging van een gedetineerde vanuit een penitentiaire inrichting naar een psychiatrisch ziekenhuis, op grond van art. 15 lid 5 Pbw, niet tot een bevoegdheid om de patiënt in dat ziekenhuis psychiatrisch te behandelen zonder zijn toestemming17.. In de systematiek van de Wet Bopz zijn de meeste bepalingen in hoofdstuk III van die wet, over de interne rechtspositie van patiënten die in een psychiatrisch ziekenhuis zijn opgenomen, van toepassing op “personen op wie hoofdstuk II toepassing heeft gevonden”, dat wil zeggen: personen die in het ziekenhuis verblijven op grond van een Bopz-machtiging18.. Voor personen die vrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis zijn opgenomen, geldt het bepaalde in de wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst (art. 7:446 e.v. BW), dus ook het vereiste van een ‘informed consent’ van de patiënt voor een medische behandeling19.. Volledigheidshalve: indien in een strafrechtelijke beslissing, bijvoorbeeld in het kader van een voorwaardelijke vrijheidsstraf, als bijzondere voorwaarde is gesteld dat de betrokkene zich laat opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis, en hij de gestelde voorwaarde naleeft en zich in het psychiatrisch ziekenhuis laat opnemen, geldt hij voor de toepassing van de Wet Bopz als een vrijwillig in het ziekenhuis opgenomen patiënt.
2.13.
Het beleid van penitentiaire inrichtingen ten aanzien van de tenuitvoerlegging van een ISD-maatregel is erop gericht, gedetineerden met psychische problematiek zoveel mogelijk te laten uitstromen in de richting van de algemene geestelijke gezondheidszorg. In dit beleid speelt de mogelijkheid om psychiatrische patiënten te behandelen met medicatie een rol. Indien de betrokken delinquent/patiënt niet met succes kan worden behandeld in het ziekenhuis, moet hij weer worden ‘teruggehaald’ naar de penitentiaire inrichting. Tegenwoordig is er regelmatig ‘grensverkeer’ van patiënten tussen penitentiaire inrichtingen en psychiatrische ziekenhuizen20.. Mede om de overgang van een penitentiair regime naar een psychiatrisch ziekenhuis te versoepelen is een wetsvoorstel Wet forensische zorg ingediend21.. Er wordt getracht dit wetsvoorstel en de beide andere wetsvoorstellen die betrekking hebben op onvrijwillige opname en behandeling van psychiatrische patiënten op elkaar af te stemmen22..
2.14.
De Wet Bopz zelf bood geen mogelijkheden tot onvrijwillige psychiatrische behandeling van gedetineerden die met toepassing van art. 15 lid 5 Pbw in een psychiatrisch ziekenhuis verblijven, voor zover zij niet behoorden tot de kring van personen op wie hoofdstuk II van de Wet Bopz toepassing heeft gevonden. Dit werd ervaren als een lacune23.. Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2015 van de ‘Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2013’24.zijn de bepalingen uit de Wet Bopz over dwangbehandeling van overeenkomstige toepassing verklaard op, onder meer, personen aan wie een ISD-maatregel is opgelegd waarvan de tenuitvoerlegging in een psychiatrisch ziekenhuis plaatsvindt. Art. 51 lid 3 Wet Bopz luidt thans als volgt:
“De artikelen 36 tot en met 41b, 44, 56, 57 en 58 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot personen die ter beschikking zijn gesteld, personen aan die de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, personen aan wie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is opgelegd en personen tegen wie een voorlopige hechtenis en overbrenging ter observatie is bevolen, indien de tenuitvoerlegging van die maatregel of dat bevel plaatsvindt in een psychiatrisch ziekenhuis, niet zijnde een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in artikel 90 quinquies, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht.”25.
Dit brengt mee dat met ingang van 1 januari 2015 personen aan wie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is opgelegd en die op grond van art. 15 lid 5 Pbw naar een psychiatrisch ziekenhuis zijn overgebracht zonder hun toestemming daar psychiatrisch kunnen worden behandeld in die gevallen, waarin art. 38c Wet Bopz een dwangbehandeling toestaat. Voor onvrijwillige psychiatrische behandeling binnen de penitentiaire inrichtingen is van belang de Wet van 13 september 2012, Stb. 410, tot wijziging van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, de Penitentiaire beginselenwet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen in verband met de verruiming van de mogelijkheid om onvrijwillige geneeskundige behandeling te verrichten26..
2.15.
De slotsom van het voorgaande is dat de rechtsklacht van onderdeel I faalt: de cumulatie van de voorlopige machtiging en de tenuitvoerlegging van de opgelegde ISD-maatregel is niet in strijd met de wet, noch, in dit geval, met de aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad. De aard van de opgelegde strafrechtelijke maatregel (ISD-maatregel) brengt in deze uitkomst geen verandering. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat geen sprake is van een ongewenste doorkruising van de eerder opgelegde strafrechtelijke maatregel, noch van onduidelijkheid over de verblijfstitel; in het middelonderdeel lees ik niet een klacht over dát oordeel.
2.16.
De subsidiaire klacht in onderdeel I, dat – indien samenloop mogelijk moet worden geacht – niet valt in te zien waarom een voorlopige machtiging nodig zou zijn naast een ISD-maatregel, hangt samen met onderdeel II. Onderdeel II is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat in dit geval is voldaan aan het gevaarscriterium in art. 2, lid 2 onder a, Wet Bopz. Het is tevens gericht tegen de overweging dat het gevaar niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis (art. 2, lid 2 onder b, Wet Bopz). De klacht houdt in dat het eerstgenoemde oordeel niet toereikend is gemotiveerd: een verwijzing naar de justitiële voorgeschiedenis van betrokkene volstaat niet. Wat het tweede oordeel betreft, houdt de klacht in dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat het gevaar kan worden afgewend met de opgelegde ISD-maatregel.
2.17.
De motiveringsklacht over het gevaarscriterium treft geen doel: de rechtbank heeft niet volstaan met verwijzing naar het justitiële verleden van betrokkene, maar heeft ook gewezen op het (mede daaruit blijkende) recidivegevaar bij een hernieuwde psychose of hernieuwd alcoholmisbruik. Dit oordeel vindt steun in de geneeskundige verklaring waarnaar de rechtbank verwijst. Dit oordeel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt; onbegrijpelijk is het niet.
2.18.
De motiveringsklacht met betrekking tot alternatieve mogelijkheden ter afwending van het door de rechtbank beschreven gevaar lijkt mij slechts in zoverre juist, dat het verblijf in een penitentiaire inrichting, met de daaraan inherente verzorging en bewaking, een alternatief kan zijn voor een onvrijwillige opneming in een psychiatrisch ziekenhuis waarmee een te duchten gevaar wordt afgewend. Het antwoord op de vraag of aan dit criterium is voldaan, hangt echter in een belangrijke mate af van de aard en de ernst van het gevreesde onheil. Zo kan, bijvoorbeeld, bij suïcidegevaar het verblijf in een inrichting voor stelselmatige daders niet voldoende worden geacht om het gevaar af te wenden. Bij de toepassing van art. 2, lid 2 onder b, Wet Bopz heeft de rechtbank zich de vraag gesteld of het gevaar langs andere weg kan worden afgewend. Zij is van oordeel dat betrokkene “zowel een meer adequate behandeling als noodmedicatie nodig heeft” en is tot de slotsom gekomen dat, na afweging van “de betrokken belangen” het verblijf in een inrichting voor stelselmatige daders niet een toereikend alternatief is. Dit oordeel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt; onbegrijpelijk is het niet. Zowel onderdeel 1 als onderdeel 2 faalt.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. – g.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 01‑05‑2015
HR 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5555, NJ 2003/628 m.nt. J. de Boer, BJ 2003/21.
Inmiddels: Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2013, wet van 26 november 2014, Stb. 2014/540; zie art. XXVa.
D.w.z. een situatie als bedoeld in rov. 3.4 van de genoemde beschikking van de Hoge Raad van 18 april 2003.
Zie blz. 1 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.
J.E. Beekman en F. Koenraadt, De Wet Bopz in de forensische psychiatrie, deelonderzoek 9 ten behoeve van de tweede evaluatie van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, Den Haag: ZonMW, 2002, hoofdstuk 4.
KB van 23 oktober 2010, Stb. 875. Zie ook de MvT op het wetsvoorstel Wet forensische zorg, Kamerstukken II 2009-2010, 32 398, nr. 3, blz. 11.
Vgl. HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1038, NJ 2014/356 m.nt. J. Legemaate, JVggz 2014/3 m.nt. T.P. Widdershoven. Zie ook: HR 13 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1500, BJ 2008/46; HR 12 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO3233, NJ 2007/106 m.nt. P.A.M. Mevis, BJ 2005/2.
De beschikking van 18 april 2003 is kritisch besproken in W. Dijkers en T.P. Widdershoven (red.), Commentaar Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen, SDU losbl., art. 51, aant. C.5.1. (T.P. Widdershoven). De schrijver brengt naar voren dat de bij een TBS te stellen voorwaarden slechts betrekking kunnen hebben op de veiligheid van anderen of op de algemene veiligheid van personen en goederen (art. 38 lid 1 Sr). Indien ook gevaar voor betrokkene zelf te duchten is, zou een aanvullende Bopz-machtiging niet kunnen worden gemist.
J. Legemaate e.a., Gedwongen zorg. Thematische wetsevaluatie, Den Haag: ZonMW 2014 (www.zonmw.nl), blz. 198 en 246.
Stcrt. 2013/35061, in werking getreden op 1 januari 2014; zie onder 3.1.
Advies Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, “De Inrichting voor Stelselmatige Daders: de isd-maatregel in theorie en praktijk” (2007), te raadplegen via www.rsj.nl. Zie over de uitstroommogelijkheden ook: RSJ-advies “Forensische zorg tijdens detentie” (2012), in het bijzonder par. 4.5 over de ISD-maatregel.
Het Bureau Selectiefunctionarissen beslist over de (over)plaatsing van een gedetineerde binnen Nederland. Het Bureau Selectiefunctionarissen valt onder de afdeling Individuele Zaken van de Sectordirectie Gevangeniswezen van DJI.
Zie: W. Dijkers en T.P. Widdershoven (red.), Commentaar Wet bijzondere opnemingen psychiatrische ziekenhuizen, SDU losbl., aant. C.8.1 bij art. 51 (T.P. Widdershoven); Rb. Assen 13 april 2012, JVggz 2012/29 m.nt. T.P. Widdershoven.
Zo ook zijn de artikelen 38a, 38b en 38c (over dwangbehandeling) alleen van toepassing op patiënten op wie hoofdstuk II van de Wet Bopz toepassing heeft gevonden; zie art. 37b Wet Bopz.
Zie art. 7:450 en art. 7:466 BW.
Zie over deze ontwikkeling: E.E. Können en A.J.J. van der Kwartel, Grensgebieden van de Wet Bopz, deelonderzoek 4 voor de derde evaluatie van de Wet Bopz, Den Haag: VWS, 2007; J. Legemaate e.a., Gedwongen zorg. Thematische wetsevaluatie, Den Haag: ZonMW 2014.
Deze afstemming is een uitdrukkelijke wens van de Eerste Kamer: zie brief 25 februari 2015, Kamerstukken I 2014-2015, 32 398, M. Wetsvoorstel Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten: Kamerstukken I 2013-2014, 31 996, A. Het gewijzigde wetsvoorstel Wet verplichting ggz (32 399) is nog in behandeling bij de Tweede Kamer.
Tweede Nota van wijziging, Kamerstukken II 2013-2014, 33 771, nr. 8, blz. 10-11.
Zie voor de datum van inwerkingtreding het Besluit van 15 december 2014, Stb 2014/541.
Zie in het bijzonder: art. 46a – 46e Pbw en verder: S.H. Gooren, Onvrijwillige geneeskundige behandeling in de justitiële inrichtingen, Sancties 2013, blz. 264-270.
Beroepschrift 16‑03‑2015
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
Geeft eerbiedig te kennen
[verzoeker], wonende te [woonplaats], te dezer zake in Den Haag woonplaats kiezende aan de Riouwstraat 131, ten kantore van de advocate bij de Hoge Raad der Nederlanden mr. G.E.M. Later, die door verzoeker als zodanig wordt aangewezen om voor hem in dit rechtsgeding op te treden en die het verzoekschrift voor verzoeker ondertekent en indient en daartoe door verzoeker bepaaldelijk is gemachtigd;
- 1)
Bij beschikking van 15 december 2014 onder kenmerk C/01/287375/FA RK 14-6624 heeft de Rechtbank Oost-Brabant, een voorlopige machtiging verleend om, betrokkene het doen opnemen en doen verblijven van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis ingaande 15 december 2014, eindigende op 15 juni 2015. Die beschikking met het verzoek van de Officier van Justitie van 8 december 2014 met geneeskundige verklaring van 5 december 2014, behandelplan Penetentiare Inrichtingen Vught van 16 oktober 2014 met evaluatie behandeldoelen, beschikking afwijzing verzoek voortzetting inbewaringstelling d.d. 29 juni 2010, arrest Gerechtshof 's‑Hertogenbosch d.d. 22 juni 2012 alsmede het proces-verbaal van de zitting van 15 december 2014 legt verzoeker hierbij over.
- 2)
Verzoeker kan zich met de onderhavige beschikking niet verenigen en stelt daarvan bij deze — derhalve tijdig — beroep in kassatie in onder aanvoering van het navolgende:
Middel van kassatie
Schending van het recht althans verzuim van vormen waarvan niet inachtneming nietigheid medebrengt, aangezien de Rechtbank Oost-Brabant ten aanzien van de voorlopige machtiging tot het doen opnemen en doen verblijven in een psychiatrisch ziekenhuis heeft overwogen, zoals in de beschikking staat vermeld en heeft beslist zoals in de beschikking staat omschreven, welke overwegingen en beslissingen als hier herhaald en overgenomen dienen te worden beschouwd, zulks ten onrechte om de navolgende redenen.
I.
Naar uit de bestreden beschikking blijkt heeft de Rechtbank in de beschikking overwogen:
‘… De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad bij beschikking van 18 april 2003 (LJN :AF5555) heeft bepaald dat een strafrechtelijke machtiging en een civielrechtelijke machtiging (BOPZ) niet naast elkaar kunnen bestaan en dat, wanneer van zo 'n situatie wel sprake zou zijn, de strafrechtelijke machtiging prevaleert.
De strafrechter heeft verschillende mogelijkheden om iemand te laten opnemen en/of behandelen in een psychiatrisch ziekenhuis indien sprake is van een door een geestesstoornis veroorzaakt gevaar. Een daarvan is de ISD maatregel van artikel 38 m Sr., waarbij iemand wordt opgenomen in een inrichting voor stelselmatige daders. Deze maatregel strekt tot beveiliging van de maatschappij en beëindigen van de recidive van de verdachte.
De ISD-maatregel biedt echter geen mogelijkheid voor dwangbehandeling. Een gedetineerde met een zorgbehoefte kan, op grond van de artikelen 15.5 en 43.3 Penitentiaire Beginselenwet, wel worden geplaatst in een zorginstelling, maart artikel 51 Wet BOPZ verklaart de artikelen van de Wet BOPZ, die (onder meer) zien op de dwangbehandeling, nog niet van toepassing op personen met een ISD-maatregel. Een wetsvoorstel (nr. 33771) waarin artikel 51 lid 3 Wet BOPZ naar verwijst hiertoe wordt uitgebreid, is recent aangenomen door de Eerste Kamer. Dat betekent dat iemand met een ISD-maatregel die, zoals in casu, zowel een meer adequate behandeling, als noodmedicatie nodig heeft, momenteel niet zou kunnen worden doorgeplaatst naar de instelling die door de behandelaren noodzakelijk wordt geacht, en bij een vastlopen van de (vrijwillige) behandeling weer terug moet worden geplaatst naar de inrichting voor stelselmatige daders. De rechtbank is van oordeel dat in zo 'n geval toch een samenloop mogelijk moet zijn.
immers, betrokkene verblijft bij overplaatsing ‘(BOPZ)- vrijwillig’ in de instelling, terwijl ter bescherming van de maatschappij kan de ISD maatregel op de achtergrond doorloopt. Dat bijt elkaar niet, zo oordeelt de rechtbank.
Dat én de komende wetswijziging van artikel 51 lid 3 Wet Bopz maakt een BOPZ-machtiging naast een ISD-maatregel mogelijk Daarbij is de rechtbank van oordeel dat, bij de afweging van de oplegging van een BOPZ-maatregel, steeds een afweging moet worden gemaakt van de betrokken belangen. Voor betrokkene wordt in dit geval door de behandelaren een overplaatsing met de mogelijkheid van dwangbehandeling noodzakelijk geacht…’
Naar de mening van verzoeker zijn voormelde overwegingen van de rechtbank onjuist, althans onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
Verzoekers advocate heeft aangevoerd blijkens het proces-verbaal:
‘…Ik heb moeite met twee maatregelen. De Hoge Raad vond dit in 2003 ook nog ongewenste doorkruising(…) De Officier van Justitie kan een verzoek opheffing van de ISD maatregel doen, maar twee maatregelen naast elkaar, dat kan niet…’
Artikel XXVa van de Wet van 26 november 2014 tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten alsmede aanbrenging van andere wijzigingen van ondergeschikte aard in diverse wetsbepalingen op het terrein van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, alsmede in de Wet op de dierproeven tot herstel van een abuis (Verzamelwet Veiligheid en Justitie 2013) stelt:
‘…Artikel 51, derde lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen komt te luiden:
- 3.
De artikelen 36 tot en met 41b, 44, 56, 57 en 58 zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot personen die ter beschikking zijn gesteld, personen aan wie de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd, personen aan wie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is opgelegd en personen tegen wie voorlopige hechtenis en overbrenging ter observatie is bevolen, indien de tenuitvoerlegging van die maatregel of dat bevel plaatsvindt in een psychiatrisch ziekenhuis, niet zijnde een justitiële inrichting voor verpleging van ter beschikking gestelden als bedoeld in artikel 90, quinquies, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht…’
De beschikking van de rechtbank dateert van 15 december 2014, artikel XXVa van voormelde wet is gelet het Besluit van 15 december 2014 op 1 januari 2015 in werking getreden.1.
Voormelde bepalingen hebben onder meer betrekking op de rechten van onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis verblijvende personen, waaronder met betrekking tot dwangbehandeling.
Dat betekent dat ingeval verzoeker wordt overgeplaatst naar een psychiatrisch ziekenhuis — zoals heeft plaats gevonden — de bepalingen met betrekking tot dwangbehandeling op hem van toepassing zijn vanaf 1 januari 2015.
Niet valt in te zien waarom een samenloop van een BOPZ maatregel en de ISD maatregel mogelijk zou zijn, gelet op bijvoorbeeld de beschikking van uw Hoge Raad van 18 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF5555, met betrekking tot samenloop van TBS en voorlopige machtiging.
Immers, waarom er sprake zou zijn bij overplaatsing van een situatie ‘(BOPZ) vrijwillig’, terwijl ter bescherming van de maatschappij de ISD maatregel op de achtergrond zou doorlopen, maakt de rechtbank niet duidelijk. Als immers verzoeker wordt overgeplaatst naar een psychiatrisch ziekenhuis om daar — zolang als noodzakelijk — te worden verpleegd zal hij vanaf 1 januari 2015 ook aan dwangbehandeling onderworpen kunnen worden als daar termen voor aanwezig zijn.
Een BOPZ maatregel in de vorm van de voorlopige machtiging zoals die is toegewezen, betekent dat verzoeker dus tweemaal van zijn vrijheid beroofd wordt. Er is naar zijn mening geen enkele reden om aan te nemen dat een en ander mogelijk is. Twee vrijheidsberovingen bijten elkaar naar de mening van verzoeker wel degelijk.
Ook valt niet in te zien waarom een samenloop — indien die mogelijk zou zijn — nodig zou zijn.
Er zou immers — gelet op de wetswijziging waarvan op dezelfde dag dat de rechtbank de beschikking gaf bekend werd wanneer die in werking trad — geen enkele noodzaak aanwezig zijn om de ISD maatregel samen te laten lopen met een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz.
Verzoeker kan immers al in het kader van de ISD maatregel in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst worden en kan daar behandeld worden ook tegen zijn wil. Op hem zijn dezelfde bepalingen van toepassing als op personen die in het kader van een voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz opgenomen zijn, waar het betreft de dwangbehandeling.
Waarom volgens de rechtbank de komende wetswijziging van artikel 51 lid 3 Wet Bopz — die dus op 1 januari 2015 in werking trad — een BOPZ machtiging naast een ISD maatregel mogelijk maakt, wordt niet duidelijk.
Naar de mening van verzoeker blijkt daarvan niets in die wetswijziging.
In tegendeel, de wetswijziging heeft naar de mening van verzoeker ten doel om de behandelsituatie van opgenomen personen via bijvoorbeeld de ISD maatregel en via een voorlopige machtiging gelijk te trekken.
II.
De rechtbank overweegt met betrekking tot het gevaarscriterium en het afwenden van gevaar naar de mening van verzoeker ten onrechte :
‘… en dat die stoornis betrokkene gevaar doet veroorzaken, bestaande uit gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen en gevaar voor een ander, zowel psychisch als lichamelijk. Betrokkene heeft een justitiële voorgeschiedenis, onder andere bestaande uit openbare dronkenschap, vernielingen, beledigingen en mishandelingen, waarbij recidivekans bestaat bij een hernieuwde psychose of hernieuwd alcoholmisbruik;
- —
dat dit gevaar niet door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis kan worden afgewend’
Uit het proces-verbaal van de zitting blijkt dat zijdens verzoeker verweer gevoerd is ten aanzien van het gevaar.
Zijn advocate heeft onder meer aangevoerd:
‘Daarnaast is niet voldaan aan het gevaarscriterium. De kans op strafbare feiten zou de reden zijn om een rechterlijke machtiging aan te vragen. Daarnaast is het gevaar waarschijnlijk het gaan gebruiken van alcohol. Dit ‘mogelijke’ alcohol gebruik, in combinatie met ‘mogelijke’ strafbare feiten , is te vaag voor een zware maatregel als de voorlopige rechterlijke machtiging…’
Verzoeker zelf heeft gezegd:
‘Ik hoor u, rechter zeggen dat er voldoende gevaar is gezien mijn geschiedenis. Dat is oude koeien uit de sloot halen…’
Uit het arrest van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 22 juni 2012 blijkt dat de ISD maatregel is opgelegd voor 2 jaar zonder aftrek van voorarrest. Het Hof overweegt onder andere:
‘Het hof is dan ook, met de rechtbank en de advocaat-generaal van oordeel dat de ISD-maatregel thans de enige reële mogelijkheid is om, met het oog op het terugdringen van het recidivegevaar, de problematiek van de verdachte adequaat te behandelen.
Om de beëindiging van de recidive van de verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, acht het hof, met de rechtbank en de advocaat-generaal, het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen zodat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, niet in mindering komt op de duur van de maatregel.
Evenals de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat tussentijds een beoordeling dient plaats te vinden van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van deze maatregel.’
In verband met de problemen in het verleden is door het Gerechtshof 's‑Hertogenbosch de ISD-maatregel opgelegd die de bedoeling heeft om het recidivegevaar terug te dringen en de problematiek adequaat te behandelen.
In die situatie verkeert verzoeker.
Een verwijzing naar het verleden lijkt gelet op de ISD maatregel die daar iets aan tracht te doen niet een adequate verwijzing.
Maar bovendien kan door de ISD maatregel het gevaar langs andere weg worden afgewend. Zie de conclusie van 28 februari 2003 van de Procureur-generaal bij voormelde beschikking van de Hoge Raad sub 3.14 tot 3.16.
De overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het gevaar en het afwenden van het gevaar zijn dan ook niet juist, althans onbegrijpelijk naar de mening van verzoeker althans heeft de rechtbank een en ander onvoldoende ongemotiveerd.
In casu wordt het gevaar afgewend via de ISD-maatregel, via welke maatregel verzoeker al in een psychiatrisch ziekenhuis terecht komt, zodat het niet een tweede keer nodig is.
De beschikking komt dan ook naar de mening van verzoeker voor vernietiging in aanmerking.
Dat verzoeker procedeert onder toevoeging nr. 3IM5534, van welke toevoeging hij kopie hierbij overlegt;
Weshalve
Het de Hoge Raad der Nederlanden moge behagen te vernietigen de beschikking van de Rechtbank Oost-Brabant van 15 december 2014 met zodanige beschikking als Uw Hoge Raad in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.
's‑Gravenhage, 16 maart 2015
mr. G.E.M. Later
advocaat
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 16‑03‑2015
Besluit van 15 december 2014 Staatsblad 2014 541.