Proces-verbaal van de zitting, blz. 2, halverwege onder ‘Belanghebbende verklaart’.
HR, 14-11-2014, nr. 13/03180
ECLI:NL:HR:2014:3197
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-11-2014
- Zaaknummer
13/03180
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑11‑2014
ECLI:NL:HR:2014:3197, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑11‑2014; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHARL:2013:CA1816, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2014:1162, Gevolgd
- Vindplaatsen
Belastingblad 2015/3 met annotatie van G. GROENEWEGEN
BNB 2015/47 met annotatie van S. BOSMA
NTFR 2015/151
NTFR 2014/2819 met annotatie van mr. dr. G. Groenewegen
FutD 2014-2653
Viditax (FutD) 2014111407
Beroepschrift 14‑11‑2014
Edelhoogachtbaar college,
Als gemachtigde van het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek teken ik hierbij beroep in cassatie aan tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 mei 2013, nr. 12/00681 en 12/00682. Deze uitspraak is gewezen in het geschil tussen de gemeente en [X] te [Z] (belanghebbende) over de WOZ-beschikkingen 2012 voor de onroerende zaken [A-STR.1], weiland naast [B-STR.1] en […] alsmede de voor deze onroerende zaken opgelegde aanslagen OZB-gebruikersbelasting.
Een kopie van de aan mij verstrekte machtiging treft u aan in bijlage 1. Een afschrift van de bestreden uitspraak in bijlage 2.
1. Cassatiemiddelen
Tegen de bestreden uitspraak voert de gemeente de volgende cassatiemiddelen aan:
- A.
Schending van het recht, in het bijzonder schending van artikel 8:69, lid 1, Algemene wet bestuursrecht (Awb), de algemene rechtsbeginselen aangaande de plicht om op alle geschilpunten te beslissen, artikel 2, lid 1, onderdeel a, en lid 2 Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (WOZ) en artikel 7:312 Burgerlijk Wetboek (BW);
- B.
Verzuim van vormen, in het bijzonder het vereiste dat de rechterlijke beslissing moet berusten op begrijpelijke en daarmee dragende gronden.
Gelet op de verdeeldheid in de rechtsopvattingen tussen feitenrechters, is deze cassatieprocedure er mede op gericht om duidelijkheid voor de gemeentelijke rechtspraktijk te verkrijgen.
2. Vaststaande feiten
De WOZ-beschikkingen die in deze zaak in geschil zijn, zijn opgelegd voor twee weilanden in het buitengebied van de gemeente Oldebroek. Beide weilanden zijn in gebruik bij belanghebbende die een stoeterij exploiteert. Belanghebbendes bedrijfsactiviteiten richten zich op het fokken en laten opgroeien van pony's naar de richtlijnen van het stamboek om de kwaliteit van het ras te verbeteren. De aldus gefokte pony's worden verkocht aan fokkerijen die hun gefokte Welsh pony's verkopen aan personen die deze dieren als hobby houden.1. Naast de stoeterij zelf beschikt belanghebbende over enkele weilanden in het buitengebied van de gemeente Oldebroek. Twee van deze weilanden zijn in deze zaak in geschil. Beide weilanden zijn in gebruik voor het weiden van de pony's.
3. Motivering cassatiemiddelen
Algemene inleiding
Het geschil in deze procedure gaat om de uitleg van de cultuurgrondvrijstelling. Deze vrijstelling is geregeld in artikel 2 Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ en luidt:
- 1.
Bij de bepaling van de waarde wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van:
- a.
ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voor zover die niet de ondergrond vormt van gebouwde eigendommen. […]
- 2.
Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel a, wordt onder landbouw verstaan landbouw in de zin van artikel 312 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
Het tweede lid verwijst naar het begrip landbouw in artikel 7:312 BW. Dit artikel luidt:
Onder landbouw wordt verstaan, steeds voorzover bedrijfsmatig uitgeoefend: akkerbouw; weidebouw; veehouderij; pluimveehouderij; tuinbouw, daaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen; de teelt van griendhout en riet; elke andere tak van bodemcultuur, met uitzondering van de bosbouw.
De centrale vraag is of de weilanden die in gebruik zijn bij een stoeterij, zijnde een bedrijf dat paarden (in deze zaak Welsh pony's) fokt en laat opgroeien ter verbetering van de kwaliteit van het ras, delen in de cultuurgrondvrijstelling. Om deze vraag te kunnen beantwoorden moet worden bepaald of de stoeterij landbouw bedrijft. Daarvan is sprake als een of meer van de activiteiten genoemd in artikel 7:312 BW bedrijfmatig worden uitgeoefend.
Uit de wettelijke opsomming lijken ‘weidebouw’ en ‘veehouderij’ de meeste overeenkomsten te hebben met de activiteiten van belanghebbendes bedrijf. Voor de vraag of de cultuurgrondvrijstelling van toepassing is, zal daarom aan deze activiteiten worden getoetst.
Geconstateerd moet worden dat beide activiteiten, evenals de andere activiteiten in artikel 7:312 BW, niet nader zijn gedefinieerd. In de rechtspraktijk is het dan gebruikelijk om na te gaan welke betekenis het spraakgebruik geeft aan het woord, in casu de activiteit. Daarbij is gebruik gemaakt van omschrijvingen in woordenboeken zoals die van Van Dale.
Volgens het spraakgebruik is onder ‘weidebouw’ te verstaan: het verbouwen (het tot wasdom laten komen en oogsten) van gras, zodat dit product kan worden gebruikt in huishouden, ambacht of industrie.
Van ‘veehouderij’ is sprake als het verzorgen en fokken van dieren een gestage stroom aan producten oplevert die bestemd zijn voor gebruik in huishouden, ambacht of industrie. Te denken valt aan vlees, haren, melk, eieren etc. De veehouderij onderscheidt zich van het houden van huis-of gezelschapsdieren doordat deze dieren niet zozeer producten opleveren maar belevingsnut zoals gezelschap, ontspanning of bescherming.
Klacht 1: Schending van het recht dan wel verzuim van vormen doordat het gerechtshof de aanwending van onderhavige weilanden aanmerkt als weidebouw en daarmee als vrijgestelde cultuurgrond
Schending van het recht
In geschil is onder meer of onderhavige weilanden worden gebruikt voor weidebouw. Uit de feiten blijkt dat belanghebbende de weilanden pacht om er pony's te weiden. ‘Weiden’ houdt in dat dieren worden overgebracht naar een afgezet perceel (in casu het weiland), waar deze dieren binnen de afrastering vrijelijk kunnen bewegen. Tijdens hun verblijf zullen de dieren omdat zij graseters zijn, eten van het aanwezige gras. De vraag die partijen verdeeld houdt is de vraag of het verblijf van de pony's kan samengaan met grasteelt.
In de algemene toelichting is aangegeven dat volgens het spraakgebruik onder weidebouw is te verstaan: het verbouwen (het tot wasdom laten komen en oogsten) van gras, zodat dit product kan worden gebruikt in huishouden, ambacht of industrie.
Uit de omschrijving volgt, in samenhang met de bedrijfsmatige exploitatie die de wet vereist, dat er sprake moet zijn van het telen van gewassen gericht op de bruikbare vrucht van die teelt zodat dit kan worden verhandeld. Grofweg komt dit er bij weidebouw op neer dat het gewas (grasplant) onder zo optimaal mogelijke omstandigheden voorspoedig kan groeien zodat het gewas bij voldoende omvang meerdere keren per jaar kan worden geoogst. Nu feitelijk is vastgesteld dat belanghebbende de weilanden systematisch aanwendt om zijn pony's de noodzakelijke bewegingsruimte in de buitenlucht te geven waarbij de dieren van het aanwezige gras eten, is het niet mogelijk om tegelijkertijd op dezelfde kavel weidebouw te laten plaatsvinden. De optimale groei en oogstmogelijkheden wordt door de periodieke aanwezigheid van de dieren teniet gedaan.
Nu het gerechtshof in overweging 4.3 ervan uitgaat dat grasteelt en weiden van pony's kunnen samengaan, gaat het gerechtshof uit van een onjuiste uitleg van het begrip weidegrond en geeft daarmee een onjuiste uitleg aan de cultuurgrondvrijstelling. Hierdoor kan de beslissing door schending van het recht niet in stand blijven.
Verzuim van vormen
Mocht de Hoge Raad in tegenstelling tot de gemeente van mening zijn dat het weiden van pony's niet in de weg staat aan weidebouw op dezelfde onroerende zaak, dan is de verhouding tussen grasteelt en andere activiteiten van belang. Om bij een weiland waarop meerdere activiteiten plaatsvinden te kunnen spreken van weidebouw, zal de grasteelt op zijn minst de hoofdactiviteit moeten zijn. Het enkele feit dat er een keer gras wordt gemaaid om hooi te verkrijgen, is te beperkt om deze activiteit als hoofdactiviteit aan te merken. Het gerechtshof maakt die afweging niet, althans verwoordt dat niet in zijn overwegingen. Daarmee is de uitspraak onvoldoende onderbouwd om de beslissing te dragen.
Klacht 2: Schending van het recht dan wel verzuim van vormen doordat het gerechtshof bij de vraag of de weilanden worden gebruikt voor bedrijfsmatige weidebouw geen relatie legt met de aard van belanghebbendes bedrijf
Zoals in de algemene toelichting is aangegeven, is cultuurgrond vrijgesteld als deze grond ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig wordt geëxploiteerd. In tegenstelling tot de indruk die het gerechtshof in overweging 4.3 wekt, is het niet voldoende dat een kavel grond wordt gebruikt voor de teelt en oogst van gras. De cultuurgrond moet worden geëxploiteerd ten behoeve van de land- of bosbouw. In dit verband verwijs ik opnieuw naar het voorbeeld van de slager die een stuk weiland pacht voor zijn ingekochte slachtvee dat in afwachting van het slagersmes van het gras eet. Dit gebruik van het weiland is volgens de wetgever niet als landbouw aan te merken. Een weiland wordt pas vrijgesteld als dit:
- 1.
zelf dient om landbouw op te bedrijven (weidebouw), of
- 2.
als het dienstbaar is aan een bedrijfsmatig geëxploiteerd land- of bosbouwbedrijf (zoals een weiland bij een veehouderij met melk- of vleeskoeien).
Zoals is vastgesteld, richten belanghebbendes bedrijfsactiviteiten zich op het fokken en laten opgroeien van pony's naar de richtlijnen van het stamboek om de kwaliteit van het ras te verbeteren. De aldus gefokte pony's worden verkocht aan fokkerijen die hun gefokte Welsh pony's verkopen aan personen die deze dieren als hobby houden. Hieruit volgt dat belanghebbendes bedrijf niet gericht is op bedrijfmatig geëxploiteerde weidebouw. De eerste situatie doet zich dus niet voor.
Uit de vastgestelde feiten kan worden opgemaakt dat belanghebbende de weilanden gebruikt om samen met andere weilanden die binnen het bedrijf worden gebruikt, paarden te laten lopen en eenmaal per jaar het gras te maaien. Dit gebeurt volgens een roulatiesysteem. Het gemaaide gras wordt binnen belanghebbendes eigen bedrijf benut als wintervoer.2. Hieruit volgt dat de weilanden dienstbaar zijn aan belanghebbendes stoeterij. Maar omdat paarden en pony's geen vee zijn3., valt een stoeterij niet aan te merken als veehouderij of een andere activiteit binnen de land- of bosbouw. Zodoende doet ook de tweede situatie zich niet voor.
Het gerechtshof komt tot een andere conclusie zonder dit nader toe te lichten. Dit maakt dat de beslissing in strijd is met het recht, doordat de cultuurgrondvrijstelling verkeerd is toegepast. Zo deze andere conclusie al te trekken was, had het gerechtshof dit moeten toelichten in de uitspraak. Nu dit niet is gebeurd, is sprake van verzuim van vormen waardoor de beslissing niet in stand kan blijven.
Klacht 3: Verzuim van vormen door te stellen dat er geen geschil bestaat over het belang van maaien bij de beoordeling van weidebouw
Aan het slot van overweging 4.3 stelt het gerechtshof:
Verder is terecht niet in geschil dat het maaien van weilanden om hooi (als veevoer) te verkrijgen eveneens landbouw (weidebouw) is in de zin van artikel 7:312, van het BW, zodat dit gebruik van de weilanden niet kan afdoen aan voormeld oordeel.
De constatering van het gerechtshof dat er geen geschil bestaat is onbegrijpelijk. In het beroepschrift heeft de gemeente gesteld:
De weidegrond wordt pas cultuurgrond als deze grond binnen een landbouwbedrijf zodanig wordt aangewend dat de vruchten die deze grond voortbrengt binnen dat bedrijf van meer dan onderschikt belang zijn.
Daarnaast blijkt uit het proces-verbaal van de zitting dat door de gemeente naar voren is gebracht:
Op vragen van het Hof verklaart [B]
[…] De omstandigheid dat de dieren door het gras van de weilanden worden gevoed is in dit geval onvoldoende. […]
Belanghebbende verklaart:
De cultuurgrondvrijstelling is van toepassing indien sprake is van maaien/oogsten van gras.
[B] verklaart:
Dat is juist indien grasland wordt ingezet om hooi te produceren. Indien het laten groeien van gras daarop is gericht. Hij betwist dat daarvan in dit geval sprake is.
[…]
[B] verklaart:
Om gras in een goede conditie te houden is eenmaal per jaar maaien niet voldoende. Voorts is de opbrengst van hooi in dit geval van te ondergeschikt belang om te kunnen spreken van weidebouw.
Uit voorgaande passages volgt klip en klaar dat er tussen partijen een geschil bestaat over de vraag of het maaien van weilanden om hooi (als veevoer) te verkrijgen eveneens is aan te merken als landbouw (weidebouw) in de zin van artikel 7:312, van het BW. Nu het gerechtshof op deze overweging zijn beslissing grondt, is de beslissing onbegrijpelijk en kan deze beslissing niet in stand blijven.
Klacht 4: Schending van het recht in het bijzonder van artikel 8:69 Awb en de algemene rechtsbeginselen aangaande de plicht om op alle geschilpunten te beslissen
Het gemeentelijk standpunt in hoger beroep baseerde zich op twee stellingen, te weten:
- 1.
belanghebbendes Welsh pony's zijn niet aan te merken als vee zodat belanghebbendes stoeterij geen veehouderij kan zijn, en
- 2.
er is geen sprake van weidebouw omdat onderhavige weilanden vooral worden aangewend voor Het weiden van belanghebbendes pony's.
De overwegingen 4.1 en 4.2 vormen inleidende overwegingen tot het geschil. In overweging 4.3 gaat het gerechtshof vervolgens in op het voorliggende geschil. In deze overweging staat het gerechtshof stil bij de vraag of:
- a.
het fokken van vee is aan te merken als veehouderij, en
- b.
weidebouw samen gaat met het weiden van pony's.
Door deze vragen te beantwoorden, beslist het gerechtshof alleen over het onder 2 genoemde geschil over de weidegrond. Het onder 1 genoemde geschil of paarden en pony's zijn aan te merken als vee, wordt door het gerechtshof niet beantwoord. Weliswaar beantwoordt het gerechtshof de vraag of fokken van vee deel uit maakt van de veehouderij, maar dit is een andere vraag dan het hiervoor onder 1 genoemde geschilpunt.
Nu een wezenlijk onderdeel van het hoger beroep buiten beschouwing is gebleven, kan de beslissing van het gerechtshof wegens schending van het recht niet in stand blijven.
Klacht 5: Verzuim van vormen doordat het gerechtshof niet inzichtelijk maakt waarom paarden vandaag de dag als vee moeten worden aangemerkt
De vierde klacht stelt dat het gerechtshof de vraag niet beantwoord dat paarden en pony's vandaag de dag zijn aan te merken als-vee. Als de Hoge Raad vindt dat het gerechtshof deze vraag wel heeft beantwoord, dan is deze beantwoording zo impliciet dat de beslissing onvoldoende met dragende gronden omkleed is en er sprake is van verzuim van vormen. Ter toelichting vermeld ik daarbij het volgende.
Eerder in de procedure is aangegeven dat pony's kleine paarden zijn die in het verleden vooral zijn ingezet om hun kracht. Hierdoor waren zij geschikt voor transport van mens en goederen, of voor het leveren van kracht in productieprocessen. De laatste decennia is de inzet van paarden in productieprocessen om economische en ethische redenen niet meer aan de orde. De kracht van paarden wordt alleen nog ingezet voor sport, recreatie en ontspanning. Ook de consumptie van paardenvlees is de laatste decennia (zeker in Nederland en de omliggende landen) om ethische redenen gemarginaliseerd. Zo het vlees al wordt gebruikt in de voedselbereiding, is dit gebruik maatschappelijk gezien zeer discutabel en vaak onacceptabel.4. Deze feiten leiden tot de constatering dat paarden niet meer worden aangehouden voor hun inzet in productieprocessen of het voorbrengen van producten zoals vlees, maar primair worden aangehouden voor sport, recreatie en ontspanning. Deze constatering leidt tot de conclusie dat paarden vandaag de dag in tegenstelling tot andere dieren zoals koeien, varkens, schapen of geiten, niet meer zijn.aan te merken als vee. Het (bedrijfsmatig) houden van paarden is daarmee geen veehouderij (meer).
Als moet worden aangenomen dat het gerechtshof de vraag of paarden en pony's zijn aan te merken als vee impliciet in overweging 4.3 beantwoordt, dan zal die beantwoording zijn gebaseerd op de aangehaalde uitspraken van de Pachtkamer uit 1963 en 1964. Gelet op de hiervoor beschreven extreme wijzigingen in de aanwending van paarden en pony's, had het gerechtshof moeten toelichten waarom deze aangehaalde uitspraken een halve eeuw later nog relevant zijn. Nu deze nadere toelichting ontbreekt, is de beslissing die op deze oude uitspraken rust onbegrijpelijk en kan deze geen stand houden.
Hierbij past nog een kanttekening. Bij de vastgestelde feiten vermeldt het gerechtshof dat de ‘uitgefokte’ dieren5. naar de slacht gaan. Zoals hiervoor al is aangegeven is belanghebbendes fokactiviteiten gericht op verbetering van het ras volgens de richtlijnen van het stamboek. Ook de handelsactiviteiten zijn daarop gericht. De eventuele afvoer van dieren naar de slacht is een niet-nagestreefd neveneffect van het bedrijfmatig fokken binnen een stoeterij. Dit neveneffect is, mede doordat het bij de bedrijfsvoering van de stoeterij niet wordt nagestreefd, van verwaarloosbare invloed op de vraag of de dieren worden gehouden als vee. Het feit dat het gerechtshof in zijn motivering niet meer terugkomt op de slacht, onderstreept de verwaarloosbaarheid van het neveneffect.
4. Conclusies over de cassatiemiddelen
In het voorgaande heb ik namens het college van burgemeester en wethouders van Oldebroek aangegeven dat de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 mei 2013, nr. 12/00681 en 12/00682 in strijd is met het recht en dat de bestreden uitspraak op essentiële plaatsen onvoldoende of onbegrijpelijk is gemotiveerd. Het gevolg daarvan is dat de beslissing dat onderhavige weilanden die dienstbaar zijn aan een stoeterij, onder de cultuurgrondvrijstelling vallen, stoelt op onjuiste gronden en daardoor niet in stand kan blijven. Omdat het dossier voldoende vaststaande feiten bevat kan de Hoge Raad, na beantwoording van de rechtsvraag over de reikwijdte van de cultuurgrondvrijstelling, naar mijn mening de zaak zelf afdoen.
5. Tot slot
Zoals in iedere procedure ligt ook in deze zaak een individuele casus voor. Tegelijkertijd is de bestreden uitspraak één in een serie van uitspraken met wisselende uitkomsten. lk verwijs in dit verband naar de passage op bladzijde 2 en 3 van het beroepschrift in hoger beroep en de daarin genoemde uitspraken.6. Gelet op de verdeeldheid onder rechters, reikt het doel van deze cassatieprocedure daarom verder dan de toetsing van een individuele casus. De gemeente hoopt, ondersteund door de VNG, op heldere (positieve) criteria waarmee de rechtspraktijk stoeterijen en andere fokkerijen kan toetsen aan de cultuurgrondvrijstelling. In dat verband is deze cassatieprocedure er in het bijzonder op gericht om van de Hoge Raad duidelijkheid te krijgen over de vraag wanneer dieren zijn aan te merken als vee, of het onderscheid tussen productiedieren (vee) en recreatiedieren van belang is voor de vraag of professionele fokkerijen als veehouderijen zijn aan te merken, en de vraag wanneer grasland dat deel uitmaakt van bedrijven wel of niet deelt in de cultuurgrondvrijstelling. Waar mogelijk zijn deze vragen verwerkt in bovenstaande klachten.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑11‑2014
Proces-verbaal van de zitting, blz. 2 (‘Waar pony's staan en waar wordt gemaaid rouleert zodanig dat alle in gebruik zijnde weilanden eenmaal per jaar worden gemaaid. Het gemaaide gras wordt in de winter benut als voer.’)
Zie klacht 5 voor een uitvoeriger toelichting hierop.
Dit Kan worden opgemaakt uit de recente schandalen waarbij vlees van paarden werd voorzien van het etiket rundvlees omdat het vlees en de daarmee bereide producten anders onverkoopbaar was.
Hoewel tiet gerechtshof de mannelijke veulentjes apart noemt, vallen deze dieren onder één noemer te scharen met ‘uitgefokte’ dieren. Voor al deze dieren geldt dat zij binnen belanghebbendes bedrijf niet geschikt (meer) om mee te fokken en die ook niet verkoopbaar zijn aan andere fokkers of gebruikers.
De in deze passage genoemde uitspraken zijn: HR 26 augustus 1998, nr. 32598, LJN: AA2531, Hof Amsterdam 26 november 2002, nr. 01/146, LJN: AF5961, Hof 's‑Hertogenbosch 20 maart 2007, nr. 06/00138, LJN: BA2753, Hof Leeuwarden 25 januari 2008, 177/06, LJN: BC2992 (Achtkarspelen), Rb. 's‑Gravenhage 5 februari 2009, nr. 08/3039, LJN: BH3174 en Hof Leeuwarden 18 juni 2010,150/09, LJN: BM8757 (Opsterland).
Uitspraak 14‑11‑2014
Partij(en)
14 november 2014
nr. 13/03180
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek (hierna: het College) tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 mei 2013, nrs. 12/00681 en 12/00682, op het hoger beroep van de heffingsambtenaar van de gemeente Oldebroek tegen de uitspraak van de Rechtbank te Zutphen (nrs. 12/836 en 12/978 WOZ) betreffende de ten aanzien van [X] te [Z] (hierna: belanghebbende) genomen beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2012 betreffende de onroerende zaken [a-straat 1], weiland naast, en [b-straat 1] (hierna: de onroerende zaken). De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Het College heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
Het College heeft een conclusie van repliek ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van dupliek ingediend.
De Advocaat-Generaal R.L.H. IJzerman heeft op 2 juli 2014 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Het College heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van de klachten
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende houdt zich op bedrijfsmatige wijze bezig met het (op)fokken van Welsh pony’s. Op het bedrijf zijn fokmerries en fokhengsten aanwezig alsmede veulens (als ‘product’). Van de mannelijke veulens wordt een aantal gehouden om (later) als fokhengst in te zetten.
De veulens worden vooral verkocht aan andere fokkerijen van (stamboek) Welsh pony's, die op hun beurt vooral weer hun ‘productie’ verkopen aan personen die Welsh pony's als hobbydieren houden. Veulens die niet aan andere fokkerijen worden verkocht en fokmerries en fokhengsten die niet meer in het bedrijf van belanghebbende kunnen worden ingezet gaan naar de slacht. Binnen het bedrijf van belanghebbende vinden geen manegeactiviteiten plaats.
Het bedrijf heeft verschillende percelen weiland in gebruik waaronder de onroerende zaken. De pony’s rouleren zodanig over deze weilanden dat steeds een gedeelte braak ligt teneinde het gras te laten groeien en een gedeelte wordt begraasd door de pony’s. Alle weilanden worden minimaal eenmaal per jaar gemaaid. De opbrengst van het maaien wordt gebruikt om de pony’s in de winter te voeren.
2.1.2.
Tussen partijen is in geschil of de waarde van de onroerende zaken buiten aanmerking moet worden gelaten als ten behoeve van de landbouw geëxploiteerde cultuurgrond. Niet is in geschil dat belanghebbende de onroerende zaken bedrijfsmatig exploiteert.
2.1.3.
Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat het begrip landbouw in de zin van artikel 7:312 BW mede omvat veehouderij en weidebouw. Uit de rechtspraak met betrekking tot de aan die bepaling voorafgaande overeenkomstige regeling in de Pachtwet heeft het Hof afgeleid dat het laten begrazen van weilanden door pony’s als veehouderij kan worden aangemerkt. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat het maaien van weilanden om hooi (als veevoer) te verkrijgen als landbouw (weidebouw) kan worden beschouwd. Op grond daarvan heeft het Hof aangenomen dat de onroerende zaken zijn aan te merken als ten behoeve van de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond.
2.2.1.
Bij de beoordeling van de tegen deze oordelen aangevoerde klachten dient te worden vooropgesteld dat bij de waardebepaling als bedoeld in de Wet waardering onroerende zaken ingevolge artikel 2, lid 1, aanhef en letter a, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (hierna: de cultuurgrondvrijstelling) buiten toepassing blijft de ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond (voor zover die niet de ondergrond van gebouwde eigendommen vormt), waarbij het begrip landbouw blijkens artikel 2, lid 2, van de zojuist genoemde Uitvoeringsregeling dezelfde betekenis heeft als daaraan in artikel 7:312 BW is toegekend. Dientengevolge moet bij toepassing van de cultuurgrondvrijstelling onder landbouw, voor zover bedrijfsmatig uitgeoefend, onder meer worden begrepen weidebouw en veehouderij.
2.2.2.
De klachten berusten op de veronderstelling dat het begrip veehouderij in artikel 7:312 BW slechts betrekking kan hebben op dieren die uitsluitend of in overwegende mate worden gefokt met het oog op consumptief gebruik of verbruik van delen of producten van die dieren. Die veronderstelling is onjuist. Veehouderij in de zin van artikel 7:312 BW kan ook betrekking hebben op dieren, zoals in dit geval pony’s, die worden gefokt met het overwegende oogmerk om ze te verhandelen; daarbij is niet van belang welk gebruik de koper van de dieren zal maken. In zoverre falen de klachten. Opmerking verdient dat van veehouderij in de hiervoor bedoelde zin geen sprake is bij activiteiten die bestaan uit het verlenen van diensten met betrekking tot dieren, zoals de tijdelijke terbeschikkingstelling van dieren (bijvoorbeeld rijpaarden) of het bieden van onderdak aan dieren (bijvoorbeeld een dierenpension). Beslissend is of de dieren of producten die de dieren voortbrengen voor de verkoop zijn bestemd.
2.2.3.
De klachten zijn verder aldus toegelicht dat weidebouw naar spraakgebruik moet worden uitgelegd als het tot wasdom laten komen en oogsten van gras, waarbij de eis van een bedrijfsmatige exploitatie meebrengt dat het telen van het gewas gericht moet zijn op de voor de handel bruikbare vrucht ervan. Daarvan uitgaande wordt betoogd dat het Hof heeft miskend dat de optimale condities voor het oogsten van gras in dit geval teniet zijn gedaan door het feitelijke gebruik van de weilanden, dat eruit bestaat dat belanghebbende ze door dieren laat begrazen en er daarnaast slechts een of enkele malen per jaar wordt gemaaid.
2.2.4.
Ook in zoverre falen de klachten. Voor de toepassing van de cultuurgrondvrijstelling is bepalend of de bedrijfsmatige exploitatie van de cultuurgrond geheel of nagenoeg geheel geschiedt ten dienste van een bedrijf waarin activiteiten worden ontplooid die zijn te rekenen tot de landbouw als bedoeld in artikel 7:312 BW. Het Hof heeft dit niet miskend met zijn oordeel dat sprake is van weidebouw in de zin van voormeld artikel bij gebruik van de weilanden om de pony’s van gras te voorzien, met dien verstande dat sporadisch wordt gemaaid om hooi als wintervoer te verzamelen en de weilanden verder door de pony’s worden begraasd. Het Hof is er daarbij terecht van uitgegaan dat niet van belang is of de opbrengst van grasland wordt behaald door begrazing of door oogst. Ook in zoverre falen de klachten.
2.2.5.
Ook voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3. Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2922 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap, M.A. Fierstra, Th. Groeneveld en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 november 2014.
Van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldebroek wordt een griffierecht geheven van € 478.