Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/3.3.6
3.3.6 Onstoffelijke objecten en het gesloten goederenrechtelijke stelsel
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS587576:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie de literatuurverwijzingen in par. 2.1.
Artikel 555 BW (oud).
Meijers (1948) p. 280. 'De mening, dat ieder vorderingsrecht tegelijk een eigendomsrecht over een onlichamelijke zaak en dus een zakelijk recht geeft, verwart alles.'
Hoofdstuk 2, par. 6.1.
Hoofdstuk 2, par. 6.2.
De Jong (2006) p. 174, waarover kritisch Struycken (2007) p.116-118.
De Jong (2006) p.175-176. Hij spreekt in dat verband van het reïficatiebeginsel.
HR 26 januari 2007, JOR 2007, 79 m.nt. N.E.D. Faber (`Ontvanger-Kerseboom'), besproken in hoofdstuk 3, par. 3.4. Faber haalt enkele overwegingen aan uit Rb. Utrecht 21 september 2005, JOR 2005, 287 m.nt. R.J. Abendroth (`Le Grand q.q.-SNS'), Hof Amsterdam 11 september 2003, JOR 2004, 142 m.nt. R.J. Abendroth (Verstijlen q.q.-ABN Amro); Rb. Haarlem 23 maart 2005, JOR 2005, 261 m.nt. S.R. Damminga (`ABN Amro-Van Zanten') en Rb. Amsterdam, 19 januari 2006, JOR 2006, 111 (`De Jong-Van der Hoop'). Over het arrest Ontvanger-Kerseboom ook Van Boom (2008) p. 44-49.
Over giraal geld en vermogensovergang langs girale weg: hoofdstuk 2, par. 5.
Hoe kan een giraal tegoed als het onstoffelijk object van een goederenrechtelijke aanspraak worden ingebed in het goederenrecht en, in het bijzonder, hoe verhoudt het zich tot het gesloten stelsel van het goederenrecht? In een aantal publicaties zijn recent de structuur en de ontvankelijkheid van het goederenrecht voor maatschappelijke ontwikkelingen onderzocht.1 Een deel van de discussie had daarbij betrekking op het rechtskarakter van beperkte rechten en op welke wijze die zich verhouden tot het hoofdrecht of het object waarop zij gevestigd zijn. Binnen de kaders van mijn betoog zou ik mij willen beperken tot één facet uit deze meer omvattende discussie, namelijk de plaatsbepaling van het onstoffelijke object binnen het goederenrecht.
Onder het BW (oud) had het recht van eigendom zowel betrekking op lichamelijke als op onlichamelijke zaken.2 Een voorbeeld van een onlichamelijke zaak was het vorderingsrecht. Het was onder het BW (oud) dus mogelijk om eigenaar te zijn van een vordering. Meijers had uitgesproken bezwaren tegen een dergelijke benadering.3 In zijn ontwerp dat uiteindelijk tot het huidige BW zou leiden, koos hij een andere terminologie en dogmatische uitgangspunten. Daarbij werd de onlichamelijke zaak in zijn geheel over boord gezet. Terwijl deze keuze dogmatisch verdedigbaar is voor wat betreft onlichamelijke objecten die hun oorsprong vinden in andere delen van het vermogensrecht, zoals de vordering, heeft het echter tot problemen geleid bij het inpassen van maatschappelijk-economische ontwikkelingen in het goederenrecht. Ik doel daarbij op de tendensen die ik heb besproken onder de term dematerialisatie.4Ik heb daarbij gewezen op de gevolgen van de beperking van het eigendomsrecht tot stoffelijke objecten bij de werking van het preferentiestelsel en het afbakenen van het voor verhaal vatbaar vermogen van een debiteur. Als de tendens tot dematerialisatie in verband wordt gebracht met het vereiste van stoffelijkheid als onderdeel van het eigendomsrecht,
toont deze een lacune in het vermogensrecht.5 Door in voorkomend geval het onstoffelijk object van een goederenrechtelijke aanspraak te aanvaarden (een absoluut recht op een immaterieel object) kan men deze lacune overbruggen. Dat is dienstbaar bij het reguleren van verhaal op dergelijke goederen, zoals giraal geld.
De vraag of het aanvaarden van rechten die gestoeld zijn op een dergelijk onstoffelijk object, in strijd komt met het gesloten stelsel van het goederenrecht, zou ik ontkennend willen beantwoorden. De geslotenheid is niet zodanig dat maatschappelijke ontwikkelingen die ten tijde van de totstandkoming van het BW niet waren te voorspellen of waarvan de aard nog niet in volle omvang kon worden overzien, geheel buiten het BW gehouden moeten worden. Dat zou een miskenning zijn van de ordenende functie van het recht. Met betrekking tot het girale geldverkeer kan er bovendien nog op worden gewezen dat het in essentie niet om een nieuw fenomeen gaat, maar een verschijnsel zo oud als de weg naar Rome, namelijk geld, dat door hedendaagse techniek alleen een immateriële vorm heeft aangenomen. De Jong heeft gepleit voor het behoud van een gesloten stelsel van rechten, maar een open stelsel van voorwerpen. Het zaaksbegrip staat wat hem betreft niet in de weg aan de erkenning van nieuwe zaken die kunnen ontstaan als gevolg van technische ontwikkelingen.6 Voor de vraag of een onstoffelijk object voldoende bepaalbaar is om in aanmerking te komen voor een goederenrechtelijke erkenning, noemt De Jong het maatschappelijke verkeer als een zwaarwegende factor. Het desbetreffende 'iets' moet daarbij als een zelfstandige of afzonderlijke entiteit gaan gelden:
`Dat komt tot uiting in het feit dat men gaat denken en spreken in termen van 'houden' (in de zin van onder zich hebben, ook al is dat in een denkbeeldige zin), 'rechthebbende zijn' of 'eigendom', 'overdraagbaarheid' en 'overdracht'. Men denkt en spreekt, met andere woorden, in goederenrechtelijke terminologie.' 7
Dit criterium lijkt bij uitstek toepasbaar op giraal geld. Wie in het dagelijks taalgebruik spreekt over het tegoed op zijn betaalrekening, zal het hebben over 'mijn geld'. Ook in de jurisprudentie zijn voorbeelden te vinden waarin een girale betaling met het goederenrecht in verband wordt gebracht. Een selectie is te vinden in een kritische noot van Faber onder het arrest Ontvanger-Kerseboom. Het arrest kwam hiervoor al aan de orde.8 Voor wat betreft giraal geld, moet er wel enige voorzichtigheid worden betracht indien bij het maatschappelijk spraakgebruik wordt aangeknoopt. In de aangehaalde jurisprudentie lijkt de woordkeuze soms het gevolg te zijn van een feitelijk onjuiste perceptie van het girale betalingsverkeer, waarbij nog de gedachte doorklinkt als zou sprake zijn van een afgeleide van chartaal geld of de afwikkeling van een girale betaling tevens de overdracht van chartaal geld met zich mee zou brengen. Dat is niet juist.9 Indien echter wordt bedoeld dat sprake is van een overdracht langs girale weg van een hoeveelheid abstracte beschikkingsmacht zoals dat tot uitdrukking komt in een creditsaldo, heb ik geen moeite met dergelijk goederenrechtelijk spraakgebruik.
Voor het bepalen en begrenzen van het onstoffelijk object, en daarmee de reikwijdte van een mogelijk goederenrechtelijke aanspraak, zou ik aansluiting willen zoeken bij hetgeen door de bank is geadministreerd op een betaalrekening ten name van een rekeninghouder. Geld dat door een bank bijvoorbeeld tijdelijk op een tussenrekening wordt geadministreerd of geld dat door een rekeninghouder aan de bank is betaald tegen uitgifte van een (verhandelbaar) schuldinstrument, valt daar buiten. In het licht van het hedendaags gedematerialiseerd betalingsverkeer en de betekenis die in dat verband aan een bancaire administratie moet worden toegekend, is geld op een betaalrekening in voldoende mate bepaalbaar. In veruit de meeste gevallen zal dat inhouden dat het geld toebehoort aan de rekeninghouder. Noodzakelijk is dat echter niet en in de navolgende hoofdstukken zal ik uiteenzetten waarom en onder welke omstandigheden (een deel van) het saldo kan toebehoren aan een ander dan de rekeninghouder.