Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling
Einde inhoudsopgave
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.3.4:6.3.4 Concretisering van de te betrachten hoeveelheid zorg
Vertrouwen op informatie bij bestuurlijke taakvervulling (IVOR nr. 83) 2011/6.3.4
6.3.4 Concretisering van de te betrachten hoeveelheid zorg
Documentgegevens:
mr. M. Mussche, datum 30-05-2011
- Datum
30-05-2011
- Auteur
mr. M. Mussche
- JCDI
JCDI:ADS611006:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De Hullu 2009, p. 361.
HR 28 september 1993, NJ 1994, 178.
Noot bij HR 28 september 1993, NJ 1994, 178.
HR 22 augustus 2006, NJ 2006, 484.
Zie ook De Hullu 2009, p. 361.
HR 20 januari 1959, NJ 1959, 102-103 (Leeftijdarresten). Zie ook de noot van Van Berckel bij HR 13 februari 1962, NJ 1962, 430 (Gladde banden).
Kessler 1998, p. 36. Bepleitbaar is ook dat de onderliggende activiteit, het hebben van geslachtsgemeenschap, wel wordt toegelaten, maar slechts onder randvoorwaarden ten aanzien van de leeftijd.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat kan worden gevergd aan zorg, onderzoek en voorzorg, valt niet in algemene bewoordingen aan te geven.1 Het is in ieder geval niet nodig dat alle mogelijke zorg is genomen. Het criterium 'maximaal te vergen zorg' dat werd gehanteerd in de pindazaak, werd spoedig genuanceerd tot een zedelijkheidscriterium. De Hoge Raad oordeelde binnen een half jaar na de pindazaak over een soortgelijk avas-verweer. Een bv in vee- en vleeshandel (de HVH) en haar directeuren werden gedagvaard wegens het voorhanden hebben van met hormonen behandeld vee, respectievelijk het daartoe opdracht, dan wel daaraan leiding geven.2 Zij verweerden zich door te stellen dat een hormoonbehandeling bij levend vee bijna onmogelijk te zien is, zelfs voor keurmeesters van de RVV. Spuitplekken zouden pas na het slachten zichtbaar zijn. Vanwege de grote aantallen aankopen werd een groot deel van de aankopen niet door de directeuren persoonlijk gezien of gekeurd. Dat was ook in casu niet gebeurd. De aankopen werden gedaan bij vertrouwde veehandelaren en de verdachte zou zich op hen hebben mogen verlaten. Het laten onderzoeken van aangekochte dieren door TNO zou te duur en te langzaam zijn en bovendien onvoldoende zekerheid bieden. Het verweer werd niet gehonoreerd door het hof te Amsterdam. De Hoge Raad las het oordeel van het Hof zo, dat door de verdachte niet `alle maatregelen zijn genomen die redelijkerwijze van haar konden worden gevergd ten einde te voorkomen dat in strijd met de te dezen overschreden voorschriften werd gehandeld.' Dat feitelijke oordeel was volgens de Hoge Raad niet onbegrijpelijk. Annotator Van Veen meent echter dat het hof zijn oordeel erg mager heeft gemotiveerd.3 AG Fokkens had dat ook al opgemerkt, maar vindt de motivering desondanks toereikend:
`Het verweer komt er immers op neer, dat bedrijven als de HVH (en het leidinggevend personeel) (...) vrijwel nimmer een verwijt kan worden gemaakt van het voorhanden hebben van met hormonen behandeld vlees. Voor afwezigheid van alle schuld zou toch minstens nodig zijn, dat het bedrijf de maatregelen die wel genomen kunnen worden (...) in dit concrete geval had toegepast.'
Het criterium van 'maximale voorzorg' is dus genuanceerd tot het (door AG Fokkens in de zaak over de deegsamenstelling al gehanteerde) criterium 'alle maatregelen die redelijkerwijze konden worden gevergd om wetsovertreding te voorkomen'. Deze nuancering lijkt niet te betekenen dat een beroep op avas wegens zorgvuldig handelen sneller wordt aanvaard. In 2006 stond een exploitant van een vakantiepark terecht voor feitelijk leiding geven aan dood door schuld door een rechtspersoon.4 Het vakantiepark was sinds enkele maanden overgenomen door de verdachte, toen twee kinderen in het zwembad van het park verdronken. De verdachte poogde zich te disculperen door te stellen dat de in de gehele branche heersende gedachte zou zijn dat bij een waterstand van beneden de 1.40 m geen toezicht nodig is. Die gedachte zou mede gevoed zijn door het optreden van het bevoegde gezag in vergelijkbare situaties. De Hoge Raad ging niet inhoudelijk in op het verweer, AG Machielse wel. Hij concludeerde:
`Hetgeen aan de exploitant en aan verdachte als feitelijk leidinggever wordt verweten is niet dat zij op (door de bevoegde instantie verstrekte) foutieve informatie zijn afgegaan, maar dat zij naar aanleiding van de overname en de dientengevolge genomen beslissingen met betrekking tot de vermindering van het personeel in het zwembad géén deskundig juridisch advies hebben ingewonnen.'
Een omstandigheid die in casu niet aan de orde kwam, maar mogelijk relevant had kunnen zijn bij de beoordeling van het avas-verweer, is de omvang van de belangen die op het spel staan.5 Naarmate het door de wet beschermde belang zwaarder weegt, is het denkbaar dat meer voorzorgsmaatregelen ter voorkoming van wetsovertreding dienen te worden genomen. Die gedachte vond toepassing in de zogenaamde leeftijd-arresten.6 De verdachten stonden terecht voor ontucht met minderjarige meisjes. Volgens de Hoge Raad kon het feit dat de meisjes in kwestie er ouder uitzien dan 15 en dat ze ook een hogere leeftijd hebben opgegeven de verdachten niet disculperen:
`Voor wat de artt. 245 en 247 Sr. betreft blijkt uit de wettelijke omschrijving van die bepalingen, dat daarmede is beoogd personen beneden den leeftijd van zestien jaren ten aanzien van misdrijven tegen de zeden een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming te doen geworden. Hieruit volgt, dat deze bepalingen ook de strekking hebben deze jeugdige personen te beschermen tegen verleiding, die mede van hen zelf kan uitgaan. Gelet op de bescherming welke als voormeld bepaaldelijk art. 245 Sr. beoogt te geven aan een vrouw, die den leeftijd van twaalf, maar nog niet dien van zestien jaren heeft bereikt, zou het doel van deze strafbepaling worden gemist, indien een verweer als hoger weergegeven (dat de getuigen d. J. en S. er uitzien als vrouwen, die den leeftijd van zestien jaren reeds een of meer jaren zijn gepasseerd, en dat deze getuigen, voordat hij (req.) de bewezenverklaarde feiten pleegde, desgevraagd een hogeren leeftijd dan vijftien jaren hebben opgegeven) haar toepassing zou vermogen uit te sluiten.'
Wederom betreft het hier een bepaling die, in tegenstelling tot veel economische wetten, geen regulering maar een verbod inhoudt.7 In casu ging het overigens meer om een dwalingsverweer dan om een zorgvuldigheidsverweer. In de volgende paragraaf ga ik nader op de dwaling in.