Hof Amsterdam, 02-10-2018, nr. 200.162.226/01
ECLI:NL:GHAMS:2018:3522
- Instantie
Hof Amsterdam
- Datum
02-10-2018
- Zaaknummer
200.162.226/01
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:GHAMS:2018:3522, Uitspraak, Hof Amsterdam, 02‑10‑2018; (Hoger beroep)
ECLI:NL:GHAMS:2016:30, Uitspraak, Hof Amsterdam, 05‑01‑2016; (Hoger beroep)
- Wetingang
art. 843 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
- Vindplaatsen
JIN 2016/34 met annotatie van E.A. van de Kuilen, E.P.C. Duinkerke
JOR 2016/58 met annotatie van mr. M.W. Josephus Jitta
FutD 2016-0226
Viditax (FutD) 2016011912
Uitspraak 02‑10‑2018
Inhoudsindicatie
Aansprakelijkheid controlerend accountant van beleggingsfondsen ten opzichte van beleggers voor schade in verband met door X gepleegde fraude "?". Invloed van de eerdere beslissing van de tuchtrechter (Accountantskamer). Zie ECLI:NL:GHAMS:2016:30.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I, AOF
zaaknummer : 200.162.226/01
zaak-/rolnummer rechtbank : C/13/526263 / HA ZA 12-1149
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 2 oktober 2018
inzake
1. COLIMA INTERNATIONAL LIMITED,
gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,
2. STICHTING FAIRFIELD COMPENSATION FOUNDATION,
gevestigd te Amsterdam,
appellanten,
advocaat: mr. K.Rutten te Utrecht,
tegen
1. PRICEWATERHOUSECOOPERS N.V.,gevestigd te Amsterdam,
2. PRICEWATERHOUSECOOPERS ACCOUNTANTS N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerden,
advocaat: mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam.
1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Appellanten worden hierna wederom Colima en de Stichting genoemd en gezamenlijk Colima c.s. en geïntimeerden PwC en PwC Accountants en gezamenlijk PwC c.s.
Bij tussenarrest van 5 januari 2016 in het incident ex artikel 843a Rv (hierna: het tussenarrest) heeft het hof PwC c.s. veroordeeld om aan Colima c.s. inzage of afschrift te verstrekken van de controledossiers met betrekking tot de jaarrekeningen van Sentry voor de boekjaren 2003, 2004 en 2005.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- conclusie na tussenarrest met producties aan de zijde van Colima c.s.;
- memorie na tussenarrest met producties aan de zijde van PwC c.s..
Partijen hebben de zaak ter zitting van 2 februari 2017 doen bepleiten, Colima c.s. door mr. K. Rutten, advocaat te Utrecht, en PwC c.s. door mr. Lunsingh Scheurleer voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Colima c.s. hebben ter gelegenheid van het pleidooi nog een akte houdende verzoek tot benoeming van een deskundige, met producties, ingediend.
Ten slotte is arrest gevraagd.
2. De verdere beoordeling
2.1.
Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of PwC c.s. nalatig zijn geweest bij de controle van de jaarrekeningen - meer in het bijzonder wat betreft de op de balans verantwoorde beleggingen - van de Fondsen over de jaren 2000 tot en met 2005 en aldus onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Beleggers.
2.2
Recapitulerend staat tussen partijen omtrent de verschillende betrokkenen het volgende vast.
Fairfield Greenwich (Bermuda) Limited (hierna: Fairfield Greenwich) was vanaf 2003 de investment manager (beheerder) van de Fondsen. Citco Global Custody N.V. (hierna: CGC) en Citco Bank Nederland B.V. (Dublin Branch) (hierna: CBN) traden op als custodian (bewaarder) en depositary (bewaarbedrijf) en Citco Fund Services (Europe) B.V. (hierna: CFS) als administrator (administrateur).
BMIS was de voornaamste broker/dealer van de Fondsen (van Sentry en de twee andere fondsen via Sentry). Verder was aan BMIS mandaat verleend om op te treden als sub-investment manager en was BMIS door CGC benoemd tot sub-custodian.
PwC c.s. hebben vanaf 1998 de jaarrekeningen van de Fondsen gecontroleerd. PwC c.s. hebben bij de jaarrekeningen over de boekjaren 2000, 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005 goedkeurende verklaringen zonder beperkingen afgegeven.
2.3
Colima c.s. hebben geen grieven gericht tegen de bestreden (tussen)vonnissen van 23 oktober 2013 en 12 maart 2014. Het hof gaat er vanuit dat het appel zich niet tegen deze vonnissen richt. Colima c.s. komen in de hoofdzaak met veertien grieven op tegen de beslissingen in het bestreden eindvonnis van 3 september 2014 en de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
2.4
Grief 1 komt op tegen het door de rechtbank gehanteerde toetsingskader. Volgens Colima c.s. heeft de rechtbank - samengevat - een te groot gewicht toegekend aan de beslissing van de Accountantskamer van 6 januari 2012 (zie 2.9 van het tussenarrest).
2.5
Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de aansprakelijkheid van PwC c.s. centraal staat of PwC c.s., in het licht van alle omstandigheden van het geval, hebben gehandeld overeenkomstig hetgeen van hen mede op basis van de destijds geldende regelgeving als redelijk handelende en redelijk bekwame externe controlerende (register)accountants kon worden gevergd in het kader van een zorgvuldige uitoefening van hun taak. De (afwijzende) beslissing van de Accountantskamer van 6 januari 2012 dient bij deze beoordeling in aanmerking te worden genomen en de rechter dient, indien hij afwijkt van het oordeel van de tuchtrechter, zijn oordeel zodanig te motiveren dat het, ook in het licht van de beoordeling door de tuchtrechter, voldoende begrijpelijk is, maar dat maakt niet zonder meer dat ook voor Colima c.s. in de onderhavige civiele zaak een zwaardere motiveringsplicht geldt. In zoverre is grief 1 terecht voorgesteld. Het hof zal de zaak in hoger beroep aan de hand van deze uitgangspunten beoordelen.
2.6
Grief 2 heeft betrekking op de door de rechtbank vastgestelde feiten. Het hof heeft bij de feitenvaststelling (zie r.o. 2 van het tussenarrest) reeds rekening gehouden met hetgeen partijen dienaangaande hebben gesteld. De grief behoeft geen verdere bespreking.
2.7
Grief 3 komt op tegen de overweging van de rechtbank in r.o. 5.1 van het bestreden vonnis inhoudende dat de beleggingen van de Fondsen (beweerdelijk) vrijwel uitsluitend uit U.S. Treasury Bills hebben bestaan. Blijkens de toelichting bij grief 3 wordt deze grief verder uitgewerkt in de toelichting bij grief 5. Grief 3 faalt bij gebrek aan zelfstandige betekenis.
2.8
Grief 4 betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen omkering van de bewijslast heeft toegepast althans geen verzwaarde motiveringsplicht op PwC c.s. heeft gelegd. Nu geen bijzondere omstandigheden zijn aangevoerd die daartoe aanleiding geven, acht ook het hof hiervoor geen termen aanwezig. Grief 4 faalt eveneens.
2.9
Grief 5 stelt aan de orde dat de rechtbank de grondslag van de vordering van Colima c.s. niet juist heeft weergegeven. Deze grief faalt bij gebrek aan belang. Het hof beoordeelt de zaak opnieuw aan de hand van de onder 2.5 omschreven norm en zal daarbij onder meer betrekken hetgeen Colima c.s. in de toelichting bij grief 5 hebben vermeld.
2.10
Grief 6 klaagt - naar het hof begrijpt - dat de rechtbank ten onrechte de subsidiaire vordering van Colima c.s. heeft afgewezen. Het hof komt hier later op terug.
2.11
De grieven 7, 8 en 13 (nader uitgewerkt in de toelichting bij grief 5) komen samengevat op tegen het oordeel van de rechtbank dat PwC c.s. niet meer en/of andere controlemaatregelen hadden dienen te treffen bij de controle van de jaarrekeningen van de Fondsen (en met name van Sentry) in de jaren 2000 tot en met 2005 en dat het betoog van Colima c.s. dat PwC c.s. niet hebben gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant betaamt moet worden verworpen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
2.12
Vooropgesteld wordt dat de verwijten die Colima c.s. aan PwC c.s. maken betrekking hebben op de controle ten aanzien van de post “SSC-investeringen” (welke post per jaareinde steeds vrijwel volledig bestond uit - beweerde, want naar later bij ontdekking van de fraude bleek niet of in veel geringere aantallen - door BMIS aangehouden U.S. Treasury Bills) en niet op de post “Non-SSC investeringen” (welke investeringen een relatief klein deel van de activa van de Fondsen betroffen). Verder wordt vooropgesteld dat de verwijten met name betrekking hebben op de door PwC c.s. bij Sentry uitgevoerde controlewerkzaamheden. Het vermogen van de twee andere fondsen (Lambda en Sigma) was vrijwel volledig aangewend ten behoeve van een deelneming in Sentry.
2.13
De hier relevante richtlijnen voor accountantscontrole betreffen de International Standards on Auditing (hierna: ISA) en de door het (destijds geheten) Koninklijk NIVRA uitgevaardigde Richtlijnen voor Accountantscontrole (hierna: RAC), die een vrijwel letterlijke vertaling zijn van de ISA. Het hof gaat (net als partijen) bij de beoordeling in beginsel uit van de in RAC, versie 2005, neergelegde richtlijnen nu dit - wat de hier aan de orde zijnde periode betreft - de versie is die de meest strikte regels voor de controle bevat.
Hoofdzakelijk gegevensgerichte controle (aan de hand van met name de depotopgaven)
2.14
Sentry was een beleggingsfonds. De activa van Sentry bestonden in de hier relevante jaren per 31 december (zijnde steeds de balans-/controledatum) vrijwel uitsluitend uit U.S. Treasury Bills. PwC c.s. hebben voldoende inzichtelijk gemaakt waarom zij hebben gekozen voor een in hoofdzaak gegevensgerichte controle wat betreft het bestaan en de waarde van de beleggingen. Het hof is van oordeel dat gelet op de aard van het bedrijf van Sentry, een relatief eenvoudig beleggingsfonds, waarbij het actief met name werd gevormd door girale effecten, op de keuze voor een hoofdzakelijk gegevensgerichte controle op zichzelf genomen niets valt af te dingen in die zin dat een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant die keuze kon en mocht maken.
2.15
De door PwC c.s. uitgevoerde gegevensgerichte controle heeft wat betreft het bestaan van de beleggingen, voor zover relevant, ingehouden een controle per jaareinde voor elke U.S. Treasury Bill, of het aankoopbedrag overeenkwam met de brokerstatements en depotopgaven van BMIS en CGC/CGN. PwC c.s. hebben zich ten aanzien van het bestaan van de beleggingen in U.S. Treasury Bills dus in overwegende mate verlaten op de depotopgaven van BMIS en CGC/CGN. Het hof is van oordeel dat PwC c.s. hebben mogen uitgaan van de juistheid van deze depotopgaven. Daarbij laat het hof, net als de Accountantskamer, zwaar wegen dat CGC/CGN onder toezicht stond van De Nederlandse Bank (DNB) en dat BMIS onder toezicht stond van de Amerikaanse Securities and Exchange Commission (SEC). Dat de SEC in 2003 een rapport heeft gepubliceerd, waarin zij haar bezorgdheid heeft geuit over haar (on)mogelijkheden om toezicht op hedge fund advisors uit te oefenen, hetgeen PwC c.s. blijkens het Position Paper on hedge funds (hierna: Position Paper) wisten, neemt, anders dan Colima c.s. hebben verdedigd, niet weg dat PwC c.s. hebben mogen uitgaan van een naar de destijds geldende maatstaven adequaat functionerend toezicht door de SEC. Daar komt bij dat onvoldoende is gesteld omtrent, of gebleken van, omstandigheden op grond waarvan PwC c.s. bij Sentry hadden moeten twijfelen aan de juist- of echtheid van de depotopgaven. Op basis van het beschikbare materiaal moet ervanuit gegaan worden dat deze op zichzelf genomen, wat vorm en inhoud betreft, geen enkele aanleiding tot argwaan gaven.
2.16
Colima c.s. hebben een aantal omstandigheden genoemd die afzonderlijk en in samenhang beschouwd, naar zij stellen, voor PwC c.s. aanleiding hadden moeten vormen voor een meer professioneel kritische houding en (dus) meer uitgebreide (systeemgerichte) controlewerkzaamheden. Het hof zal deze omstandigheden hieronder bespreken. Het hof tekent daarbij aan dat niet is gebleken van enige betrokkenheid van de (leiding van de) Fondsen bij de door [X] gepleegde fraude en evenmin van wetenschap daarvan. Colima c.s. stellen dit ook niet.
Verschillende rollen van BMIS
2.17
De omstandigheid dat BMIS de functie van broker, custodian en investment manager combineerde was en is ook thans, naar PwC c.s. onweersproken hebben gesteld, niet in strijd met enige regelgeving of richtlijn en vormde, mede om die reden, op zichzelf geen aanleiding voor meer (systeemgerichte) controlewerkzaamheden. PwC c.s. hebben voldoende toegelicht dat bij ondernemingen zoals BMIS een functiescheiding bestaat tussen de front office (handel) en de back office (administratie), hetgeen - dit is niet in geschil - ook bij BMIS het geval was. Dat betekent dat, anders dan Colima c.s. aan hun stellingen ten grondslag leggen, PwC c.s. als redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant, mede gelet op het hiervoor besproken overheidstoezicht, er vanuit mochten gaan dat de diverse functies die BMIS vervulde voldoende gescheiden waren.
Kennis van Sentry, BMIS, CBN, CGC, CFS en Fairfield Greenwich.
2.18
Colima c.s. hebben zich voorts op het standpunt gesteld dat PwC c.s. zich in het licht van RAC 402 en (subsidiair) RAC 310 en haar eigen guidance onvoldoende hebben verdiept in de rollen, plichten en verantwoordelijkheden van de serviceorganisaties van Sentry (BMIS, CBN, CGC en CFS) en van Fairfield Greenwich en dat PwC c.s. zich voorts gelet op haar eigen guidance, RAC 240, RAC 310 en RAC 400 onvoldoende heeft verdiept in de bedrijfsactiviteiten, administratieve organisatie en interne beheersing van Sentry. Volgens Colima c.s. is het verweer van PwC c.s. dat BMIS en CBN/CGC niet onder de definitie van serviceorganisatie vallen gezien de ‘in beginsel strakke’ twee-conclusieregel te laat gevoerd.
Volgens Colima c.s. was er in de controledossiers verder geen enkele documentatie of informatie aanwezig met betrekking tot CGC en CBN en ontbraken in de controledossiers belangrijke contracten, zoals de contracten tussen Sentry en CGC en CBN en tussen CBN als custodian en BMIS als sub-custodian.
2.19
Het hof overweegt als volgt. Ten aanzien van het beroep op de twee-conclusieregel geldt dat PwC c.s. zich niet op het standpunt hebben gesteld dat BMIS en CBN/CGC niet als serviceorganisaties moeten worden aangemerkt, maar dat de activiteiten van deze organisaties niet onder de reikwijdte van RAC 402 vallen. Dat laatste is een aspect dat al deel uitmaakte van het tussen partijen gevoerde debat. Van strijd met de twee-conclusieregel is daarom geen sprake en de vraag of PwC c.s. gerechtelijk erkend heeft dat het wel ging om serviceorganisaties mist belang.
2.20
PwC c.s. hebben voldoende toegelicht dat RAC 402 geen betrekking heeft op de activiteiten van BMIS en CBN/CGC ten aanzien van het executeren van effectentransacties en de bewaarneming/custody. Colima c.s. hebben hun afwijkende standpunt, gelet op de inhoud van de RAC 402, onvoldoende onderbouwd. PwC c.s. hebben verder voldoende onderbouwd dat en hoe zij hebben vastgesteld dat Sentry en CFS konden beschikken over alle details van de individuele aan- en verkooptransacties van de effecten en dat daarmee is voldaan aan de vereisten van RAC 402.
2.21
Wat betreft RAC 310 en de PwC guidance overweegt het hof dat deze algemene richtlijnen bevatten die als uitgangspunt bruikbaar moeten zijn voor iedere controleopdracht en dat voor een relatief eenvoudig beleggingsfonds als Sentry niet alle attentiepunten en vragen uitgebreide be- of verantwoording behoeven. Voor zover Colima c.s. dat hebben willen betwisten hebben zij hun stellingen onvoldoende concreet toegelicht. Anders dan Colima c.s. betogen hoeft een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant bij een fonds als Sentry niet steeds alle voor veel complexere organisaties opgestelde attentiepunten na te lopen als daarvoor geen concrete aanleiding bestaat. Een zorgvuldige taakuitoefening brengt ook mee dat de accountant geen nodeloos uitgebreide werkzaamheden verricht.
2.22
PwC c.s. hebben uiteengezet dat aangaande de kennis van de bedrijfstak waarin Sentry opereerde (hedge funds) het eerder genoemde Position Paper was opgesteld waarin algemene risico’s en actiepunten met betrekking tot hedge funds waren neergelegd. Zij hebben ook uiteengezet op welke wijze bij de controlewerkzaamheden ten aanzien van Sentry is omgegaan met de “key risks and audit issues” zoals genoemd in dit Position Paper. Van onzorgvuldigheden is het hof in dit kader niet gebleken. PwC c.s. hebben toegelicht dat zij zich hebben verdiept in de beleggingsstrategie van Sentry, te weten de “split strike conversion investment policy” en dat zij hebben vastgesteld dat BMIS deze strategie uitvoerde en daarbij binnen haar mandaat (eligibility criteria) bleef. PwC c.s. hebben voorts voldoende inzichtelijk gemaakt dat zij beschikten over de relevante contracten, waaronder de Brokerage and Custody Agreement tussen Sentry en CBN/CGC en de Administration Agreement tussen Sentry en CFS. Juist is dat PwC c.s. niet konden beschikken over de (sub-custodian) overeenkomst tussen CBN/CGC en BMIS. Dit betrof echter niet een overeenkomst waarbij Sentry partij was. Bovendien was CBN/CGC op basis van de met Sentry gesloten Brokerage and Custody Agreement gerechtigd om een overeenkomst met een sub-custodian te sluiten, was zonder meer duidelijk dat BMIS deze rol vervulde en waren de verantwoordelijkheden van (onder meer) BMIS als sub-custodian uiteengezet in de Private Placement Memoranda. Onder die omstandigheden is het hof van oordeel dat het ontbreken van deze overeenkomst in de controledossiers van PwC c.s. (en het niet opvragen daarvan) geen aanwijzing van onzorgvuldig handelen of nalaten van PwC c.s. oplevert.
2.23
Dat niet alle controledossiers telkens alle relevante contracten bevatten en dat, zoals Colima c.s. hebben gesteld, op de dossiervorming van PwC c.s. het nodige valt aan te merken, is niet voldoende voor de conclusie dat PwC c.s. in strijd hebben gehandeld met de in r.o. 2.5 omschreven norm. Los daarvan hebben Colima c.s., hoewel dat wel op hun weg had gelegen, niet inzichtelijk gemaakt in welk opzicht de niet op alle punten juiste dossiervorming van invloed is geweest op de controle van de beleggingen/bezittingen van Sentry per jaareinde, waar het hier om draait. Voor zover zij daarmee hebben betoogd dat PwC c.s. onvoldoende informatie over en inzicht in de door hen verrichte werkzaamheden hebben verschaft, wordt ook dat niet gevolgd. Gelet op het voorgaande bestaat voldoende zicht op de omvang en inhoud van de werkzaamheden van PwC c.s. zodat de omstandigheid dat het dossier op onderdelen niet compleet is in zoverre zelfstandig belang mist.
2.24
PwC c.s. hebben tweejaarlijks een bezoek gebracht aan BMIS. Blijkens het verslag van het laatste bezoek op 14 december 2004 kwamen daarbij tal van onderwerpen met betrekking tot de administratie en de interne controles binnen BMIS aan de orde en hebben PwC c.s. zich voldoende verdiept in de activiteiten en de organisatie van BMIS. Wat betreft CFS hebben PwC c.s. uiteengezet dat CFS ieder jaar een onafhankelijke reconciliatie van de effectenportefeuille uitvoerde en dat PwC c.s. deze in het kader van de gegevensgerichte werkzaamheden zelf ook uitvoerden. Vanaf november 2005 bevestigde het SAS 70 rapport van Ernst & Young dat de werkprocessen en de interne controlemaatregelen van CFS voldeden. Ook CFS stond bovendien onder toezicht van DNB.
2.25
In het licht van al het voorgaande kan op basis van de stellingen van Colima c.s. niet worden aangenomen dat PwC c.s. onvoldoende kennis hadden van de activiteiten, verantwoordelijkheden of interne organisatie van Sentry, BMIS, CBN, CGC, CFS en Fairfield Greenwich om haar taak als controlerend accountant van de Fondsen overeenkomstig de in r.o. 2.5 uiteengezette norm en de hier volgens Colima c.s. relevante richtlijnen, waaronder RAC 240, 310, 400, 402, te kunnen uitvoeren. Uit het dossier blijkt verder genoegzaam dat een ervaren en op dit terrein voldoende ingevoerde accountant de verantwoordelijkheid voor de controle droeg.
Additionele controles en/of navraag bij BMIS, Depository Trust Company (DTC), National Association of Securities Dealers(NASD) en/of de Bank of New York (BNY)
2.26
Het hof is, gelijk de Accountantskamer, van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen voor onregelmatigheden waren die van PwC c.s. vergden dat (indien al mogelijk) additionele controles werden uitgevoerd of navraag werd gedaan bij (de accountant van) BMIS, DTC, NASD en/of BNY omtrent het daadwerkelijk bestaan van de in de opgaven genoemde beleggingen. Er is en was ook geen regel of richtlijn die PwC c.s. daartoe verplichtte.
Reputatie BMIS/ [X] /onvoldoende onderkenning van frauderisico’s
2.27
Het hof heeft voorts niet kunnen vaststellen dat de reputatie van BMIS/ [X] in de hier relevante jaren zodanig was dat meer (systeemgerichte)controle door PwC c.s. aangewezen was. Het hof wijst in dit kader op de omstandigheid dat ook specifiek gedane onderzoeken bij BMIS door (onder meer) de SEC en KPMG geen onregelmatigheden aan het licht hebben gebracht die aanleiding vormden voor nader onderzoek. Dat KPMG 25 frauderisicofactoren bij BMIS/ [X] heeft geïndiceerd, leidt nog niet tot de conclusie dat er sprake was van (kenbare) aanwijzingen van fraude of onregelmatigheden die noopten tot nader onderzoek door PwC c.s. in het kader van hun controlewerkzaamheden. PwC c.s. hebben voldoende uiteengezet welke “key risks and audit issues” zij hebben onderkend en hoe zij deze hebben geadresseerd.
2.28
De slotsom is dat niet is gebleken dat PwC c.s. meer uitgebreide of andere (systeemgerichte) controlewerkzaamheden hadden moeten uitvoeren en/of haar controlewerkzaamheden niet hebben uitgevoerd overeenkomstig de in r.o. 2.5 omschreven norm. De grieven 7, 8 en 13 zijn tevergeefs voorgesteld.
2.29
Het hof is voorts van oordeel dat gezien het vorenstaande, in onderlinge samenhang beschouwd, evenmin is gebleken dat voor PwC c.s. voldoende aanleiding bestond om een voorbehoud bij de goedkeurende verklaringen voor de jaarrekeningen van de Fondsen te maken (indien al mogelijk, PwC c.s. betwisten dit). Grief 6 faalt eveneens.
2.30
Grief 9 tot en met 12 hebben kort gezegd betrekking op de verhouding tussen de procedure bij en de beslissing van de Accountantskamer en de onderhavige civiele zaak. Deze grieven behoeven geen verdere bespreking. Grief 14, inhoudende dat de rechtbank de vorderingen van Colima c.s. ten onrechte heeft afgewezen, behoeft geen aparte bespreking, omdat deze geen zelfstandige klacht inhoudt.
2.31
Het bewijsaanbod van Colima c.s. wordt als onvoldoende concreet en ter zake dienend gepasseerd. In dat verband is van belang dat Colima c.s. niet concreet hebben omschreven welke feiten en omstandigheden zij te bewijzen aanbieden. Daarbij is tevens van belang dat zij ook nadat zij de beschikking hebben gekregen over belangrijk nieuw materiaal in de vorm van de ten gevolge van het arrest in het art. 843a Rv incident ter beschikking gekomen controledossiers, haar bewijsaanbod niet nader heeft geconcretiseerd, maar heeft volstaan met het noemen van een tweetal eventueel te horen getuigen zonder nader aan te duiden waarover die getuigen zouden moeten worden gehoord.
2.32
Het verzoek van Colima c.s. aan het hof om een deskundige te benoemen, wordt afgewezen. Het hof acht zich voldoende voorgelicht. Ook het verzoek van Colima c.s. de door prof. Pheijffer opgestelde (en in de procedure die de liquidator van de Fondsen (Krys) tegen PwC c.s. is gestart, ingebrachte) opinies in het geding te laten brengen, zal worden afgewezen. Daarbij is van belang dat het daarbij niet gaat om primaire bewijsstukken die zich in het domein van PwC c.s. bevinden, maar dat het (ook volgens Colima c.s.) gaat om in opdracht van Krys opgestelde expert opinions, zonder dat concreet is toegelicht waarom de daarin vervatte informatie van belang zou zijn voor enige in dit geschil te nemen beslissing. Onder die omstandigheden ziet het hof geen aanleiding om in dit stadium van de procedure te bepalen dat PwC c.s. bedoelde opinies alsnog in het geding dient te brengen.
2.33
De conclusie is dat grief 1 weliswaar terecht is voorgesteld, maar dat ook met inachtneming van het aldus aan te leggen toetsingskader, de stellingen van Colima c.s. niet tot toewijzing van hun vorderingen kunnen leiden en de grieven derhalve falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Colima c.s. zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. PwC c.s. zullen in het 843a Rv incident als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten daarvan.
3. Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep van 3 september 2014, voor zover daarbij in de hoofdzaak de vorderingen van Colima c.s. zijn afgewezen en Colima c.s., uitvoerbaar bij voorraad, zijn veroordeeld in de proceskosten en de nakosten;
veroordeelt Colima c.s. in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van PwC c.s. begroot op € 704,- aan verschotten en € 2.682,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
veroordeelt PwC c.s. in de kosten van het geding in het incident, tot op heden aan de zijde van Colima c.s. begroot op € 894,- voor salaris en op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, W.A.H. Melissen en A.W.H. Vink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2018.
Uitspraak 05‑01‑2016
Inhoudsindicatie
Toewijzing vordering ex artikel 843 Rv, inzage controledossiers accountant. Zie ECLI:NL:GHAMS:2018:3522.
Partij(en)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I, AOF
zaaknummer : 200.162.226/01
zaak-/rolnummer rechtbank : C/13/526263 / HA ZA 12-1149
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 5 januari 2016
inzake
1. COLIMA INTERANTIONAL LIMITED,
gevestigd te Tortola, Britse Maagdeneilanden,
2. STICHTING FAIRFIELD COMPENSATION FOUNDATION,
gevestigd te Amsterdam,
appellanten,
advocaat: mr. P.J. Soede, te Utrecht,
tegen
1. PRICEWATERHOUSECOOPERS N.V.,gevestigd te Amsterdam,
2. PRICEWATERHOUSECOOPERS ACCOUNTANTS N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerden,
advocaat: mr. D.F. Lunsingh Scheurleer te Amsterdam.
1. Het geding in hoger beroep
Appellanten worden hierna Colima en de Stichting genoemd en gezamenlijk Colima c.s. Geïntimeerden worden hierna PwC en PwC Accountants genoemd en gezamenlijk PwC c.s.
Colima c.s. zijn bij dagvaarding van 2 december 2014 in hoger beroep gekomen van vonnissen van de rechtbank Amsterdam van 23 oktober 2013, 12 maart 2014 en 3 september 2014, onder bovenvermeld zaak-/rolnummer gewezen tussen Colima c.s. als eiseressen in de hoofdzaak en in het incident en PwC c.s. als gedaagden.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- memorie van antwoord, met producties.
Partijen hebben de zaak ter zitting van 19 oktober 2015 doen bepleiten, Colima c.s. door mr. L.J. Böhmer, advocaat te Utrecht, en PwC c.s. door mr. Lunsingh Scheurleer voornoemd, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.
Ten slotte is arrest gevraagd.
Colima c.s. hebben geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en - uitvoerbaar bij voorraad - alsnog hun vorderingen in het incident en in de hoofdzaak zal toewijzen, met veroordeling van PwC c.s. in de kosten van het geding in beide instanties met nakosten en rente.
Uit de memorie van grieven volgt dat het appel zich slechts richt tegen het bestreden eindvonnis van 3 september 2014 en niet tegen de (tussen)vonnissen van 23 oktober 2013 en 12 maart 2014, waarbij de rechtbank zich onbevoegd heeft verklaard kennis te nemen van de door Colima c.s. jegens PricewaterhouseCoopers LLP Chartered Accountants Canada, ingestelde vordering en een comparitie van partijen is gelast.
Beide partijen hebben in hoger beroep bewijs van hun stellingen aangeboden.
2. Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis van 3 september 2014 onder 2.1 tot en met 2.18 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met hun tweede grief in de hoofdzaak komen Colima c.s. op onderdelen op tegen de juistheid en volledigheid van de door de rechtbank vastgestelde feiten. Het hof zal hierna met inachtneming van hetgeen partijen dienaangaande hebben gesteld de feiten vaststellen. Deze feiten zijn in zoverre in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
2.1.
Eind 2008 kwam een wereldwijde grootschalige financiële fraude (in de vorm van een piramidespel, een zogenaamd ponzi scheme) van de New Yorkse effectenhandelaar [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en zijn effectenhuis [naam 1] (hierna: [naam 1] ) aan het licht.
2.2.
[naam 1] trok geld aan rechtstreeks van cliënten en via beleggingsfondsen, zogenaamde feeder funds. Deze fondsen trokken geld aan van derden en lieten dat vervolgens (vrijwel) volledig beheren door [naam 1] . De vele miljarden aangetrokken Amerikaanse dollars werden door [naam 1] niet belegd maar gebruikt om aan uittredende beleggers een zogenaamde redemption uit te keren, dat wil zeggen hun inleg en de tot dan toe fictief daarmee verkregen opbrengsten. Op enig moment gingen de uitkeringen het aangetrokken geld te boven en bleek dat [naam 1] en [naam 1] daarover niet meer beschikten. De fondsen bleven leeg achter.
2.3.
Fairfield Lambda Limited (hierna: Lambda), Fairfield Sigma Limited (hierna: Sigma) en Fairfield Sentry Limited (hierna: Sentry), hierna gezamenlijk: de Fondsen, alle in 1990 opgericht naar het recht van de Britse Maagdeneilanden en ook aldaar gevestigd, waren drie van de hiervoor onder 2.2 bedoelde fondsen. Lambda en Sigma hebben hun vermogen (vrijwel) volledig aangewend ten behoeve van een deelneming in Sentry, waarin ook anderen inlegden. Sentry liet haar vermogen (vrijwel) volledig beheren door [naam 1] .
2.4.
Fairfield Greenwich (Bermuda) Limited was vanaf 2003 de investment manager (beheerder) van de Fondsen.
2.5.
Een aantal tot de Citco-groep behorende vennootschappen verleende diensten aan de Fondsen. Citco Global Custody N.V. en Citco Bank Nederland B.V. (Dublin Branch) traden op als custodian (bewaarder) en depositary (bewaarbedrijf) en Citco Fund Services (Europe) B.V. als administrator (administrateur).
2.6.
[naam 1] was de voornaamste broker/dealer van Sentry. Fairfield Greenwich (Bermuda) Limited heeft aan [naam 1] mandaat verleend om op te treden als sub-investment manager. Citco Global Custody N.V. heeft [naam 1] benoemd tot sub-custodian.
2.7.
Fairfield Greenwich Group heeft PwC c.s. vanaf 1998 opdracht verleend de jaarrekeningen van de Fondsen te controleren in overeenstemming met de International Standards on Auditing (ISA). PwC c.s. heeft bij de jaarrekeningen over de boekjaren 2000, 2001, 2002, 2003, 2004 en 2005 goedkeurende verklaringen zonder beperkingen verstrekt. Op de balansen over deze boekjaren bestonden de activa per einde boekjaar steeds vrijwel uitsluitend uit US Treasury Bills. De goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen van Sentry over de boekjaren 2003, 2004 en 2005 zijn verstrekt door [naam 2] (hierna: [naam 2] ), partner bij PwC c.s.
2.8.
[naam 1] is in staat van faillissement verklaard, althans bevindt zich in een situatie die vergelijkbaar is met een faillissement naar Nederlands recht. Ook de Fondsen bevinden zich in een situatie die vergelijkbaar is met een faillissement naar Nederlands recht.
2.9.
Bij beslissing van 6 januari 2012 heeft de Accountantskamer een, door onder anderen Colima c.s., tegen [naam 2] – naar aanleiding van diens goedkeurende verklaringen bij de jaarrekeningen over de boekjaren 2003, 2004 en 2005 – ingediende klacht ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep ingesteld.
2.10.
De Stichting stelt zich blijkens haar statuten ten doel het verhalen van schade die is geleden door beleggers op hun belegging in de Fondsen. Beleggers in de Fondsen (hierna: de Beleggers) kunnen een participatie-overeenkomst met de Stichting sluiten. Zij die dat hebben gedaan (hierna: de Deelnemers), hebben hun vordering op PwC c.s. ter incasso overgedragen aan de Stichting en hebben de Stichting opgedragen om in eigen naam (rechts)maatregelen tegen PwC c.s. te treffen. Colima is een van de Beleggers.
3. Beoordeling
3.1.
Colima c.s. hebben in eerste aanleg in het incident ex. artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) - kort gezegd - gevorderd om, uitvoerbaar bij voorraad:
I. PwC te veroordelen een afschrift te verstrekken van de complete controledossiers, inclusief de interne stukken, met betrekking tot de jaarrekeningen van Sentry, Sigma en Lambda over de jaren 2000 en 2001, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
II. PwC Accountants te veroordelen afschrift te verstrekken van de complete controledossiers, inclusief de interne stukken, met betrekking tot de jaarrekeningen van Sentry, Sigma en Lambda over de jaren 2002, 2003, 2004 en 2005, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
III. PwC c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Colima c.s. hebben in eerste aanleg in de hoofdzaak - kort gezegd - gevorderd om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren dat PwC c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens de Beleggers door hun taak als accountants onzorgvuldig uit te voeren;
II. PwC c.s. hoofdelijk, althans ieder voor een (gelijk) deel, te veroordelen tot vergoeding van de door Colima geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van deelname in Sentry, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
III. PwC c.s. hoofdelijk, althans ieder voor een (gelijk) deel, te veroordelen tot betaling aan de Stichting ter incasso het bedrag van de door Beleggers en of Deelnemers geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van deelname in de Fondsen, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. PwC c.s. hoofdelijk te veroordelen in de in de proceskosten, en de nakosten te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.3.
Colima c.s. leggen, samengevat, aan hun vordering ten grondslag dat PwC c.s. jegens de Beleggers en de Deelnemers onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij hun taak als controlerend accountant van de Fondsen niet voldoende zorgvuldig hebben uitgevoerd. Colima c.s. verwijten PwC c.s. meer concreet dat zij in het licht van de voor PwC c.s. kenbare feiten en omstandigheden, in strijd met de destijds van toepassing zijnde voorschriften uit de ISA:
- hebben verzuimd de controles uit te voeren vanuit een professioneel kritische houding,
- onvoldoende inzicht hebben verkregen in de bedrijfsactiviteiten van de Fondsen, hun
huishouding, administratieve organisatie en interne beheersing en het inherent risico en het intern beheersingsrisico niet correct hebben ingeschat,
- bij de planning en de uitvoering van hun controlewerkzaamheden en rapportage onvoldoende rekening hebben gehouden met kenbare frauderisicofactoren ten aanzien van de Fondsen, hun omgeving en hun service-organisaties,
- ten onrechte hebben nagelaten om naast gegevensgerichte controles ook (meer) systeemgerichte controles te verrichten,
- de controle van de van materieel belang zijnde posten in de jaarrekeningen van de Fondsen (de activa op de balans en de financiële resultaten in de winst- en verliesrekening van de Fondsen) onzorgvuldig hebben verricht.
PwC c.s. hebben als gevolg hiervan ten onrechte goedkeurende verklaringen verstrekt bij jaarrekeningen van de Fondsen die, als gevolg van de fraude, niet in overeenstemming waren met het werkelijke vermogen en resultaat van de Fondsen. Indien PwC c.s. hun taak naar behoren hadden uitgevoerd zouden geen, althans geen ongeclausuleerde, goedkeurende verklaringen zijn afgegeven, zouden de Beleggers niet in de Fondsen hebben geïnvesteerd en dus geen schade hebben geleden, aldus Colima c.s.
In het incident vorderen Colima c.s. afschrift van en of inzage in de volledige controledossiers teneinde hun stellingen in de hoofdzaak nader te kunnen onderbouwen. PwC c.s. hebben zowel in de hoofdzaak als in het incident gemotiveerd verweer gevoerd.
3.4.
De rechtbank heeft bij eindvonnis van 3 september 2014 alle vorderingen van Colima c.s., zowel in het incident als in de hoofdzaak afgewezen en Colima c.s. veroordeeld in de kosten van het geding in het incident en in de hoofdzaak.De rechtbank heeft daartoe - kort gezegd - overwogen dat Colima c.s. onvoldoende hebben toegelicht waarom de rechtbank, in afwijking van de accountantskamer tot het oordeel zou moeten komen dat PwC c.s. meer en aanvullende controlemaatregelen hadden moeten treffen. Aldus hebben zij onvoldoende argumenten verschaft om te kunnen voldoen aan de zware motiveringsplicht die geldt om te komen tot afwijking van het oordeel van de tuchtrechter; niet kan worden aangenomen dat PwC c.s. niet hebben gehandeld zoals een redelijk handelend en redelijk bekwaam accountant betaamt.In het incident heeft de rechtbank - kort gezegd - overwogen dat Colima c.s. onvoldoende hebben gesteld dat inzage in de volledige controledossiers wèl argumenten zou opleveren om af te wijken van het onherroepelijke oordeel van de accountantskamer, zodat zij geen rechtens te respecteren belang hebben bij hun vordering tot overlegging van de volledige controledossiers. Dat uit die dossiers mogelijk zou blijken dat PwC c.s. bij de controles meer of andere fouten hebben gemaakt, is zo vaag en speculatief dat dat evenmin een rechtens te respecteren belang bij afgifte van de dossiers oplevert.
3.5.
Tegen deze beslissingen in het incident en in de hoofdzaak en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komen Colima c.s. met hun grieven op.
3.6.
Het hof ziet aanleiding eerst de grieven tegen het oordeel in het incident ex artikel 843a Rv te bespreken. Uitgangspunt is daarbij dat een vordering tot afgifte van of inzage in bescheiden slechts toewijsbaar is indien aan de drie in het eerste lid van artikel 843a Rv genoemde voorwaarden is voldaan. Dat wil zeggen dat (i) de wederpartij van degene die bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, een rechtmatig belang heeft bij afschrift of inzage daarvan, (ii) de vordering betrekking heeft op ‘bepaalde’ bescheiden en (iii) de bescheiden een rechtsbetrekking betreffen waarbij degene die afschrift of inzage vordert partij is. Daarnaast mag zich geen van de in de leden 3 en 4 van artikel 843a Rv vervatte uitzonderingen voordoen, te weten dat (iv) hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, niet gehouden is aan de vordering te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn en (v) degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan de vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn en (vi) degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan de vordering te voldoen, indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.
3.7
Met hun grieven in het incident komen Colima c.s. op tegen de afwijzing van hun vorderingen en het daaraan ten grondslag liggende oordeel van de rechtbank dat zij geen voldoende zwaarwegend rechtmatig belang hebben bij afgifte van of inzage in de controledossiers. Ter gelegenheid van het pleidooi hebben Colima c.s. hun incidentele vorderingen beperkt, in die zin dat zij thans alleen nog afgifte of inzage vorderen in de volledige controledossiers, inclusief de interne stukken, met betrekking tot de jaarrekeningen van Sentry voor de boekjaren 2003, 2004 en 2005.
3.8
Colima c.s. hebben in eerste aanleg aan hun vorderingen ten grondslag gelegd dat de jaarrekeningen van Sentry voor de boekjaren 2003, 2004 en 2005 geen getrouw beeld gaven van het vermogen van Sentry, nu achteraf is gebleken dat de in die jaarrekeningen opgenomen activa niet (meer) bestonden. Colima c.s. stellen in de hoofdzaak dat PwC c.s. jegens hen, althans de Deelnemers onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij hun taak als controlerend accountant van de Fondsen niet voldoende zorgvuldig hebben uitgevoerd. Volgens Colima c.s. miskent de rechtbank met haar oordeel dat Colima c.s., om hun stellingen in de hoofdzaak nader te kunnen onderbouwen een rechtmatig (bewijs)belang hebben bij afschrift van of inzage in de door PwC c.s. voor haar werkzaamheden op grond van de toepasselijke regelgeving verplicht aangelegde controledossiers, nu zij slechts op basis daarvan nader zullen kunnen onderbouwen op welke van de door hen concreet gestelde punten de controle werkzaamheden van PwC c.s. niet voldeden aan de daaraan te stellen eisen.
3.9
Het hof is met Colima c.s. van oordeel dat zij een voldoende zwaarwegend en rechtmatig belang hebben bij afschrift of inzage van de controle dossiers. Daarbij is allereerst van belang dat in het licht van de in 2008 gebleken fraude achteraf moet worden vastgesteld dat de jaarrekeningen van de Fondsen geen getrouw beeld gaven van het vermogen van de Fondsen. Tussen partijen is niet in geschil dat PwC c.s. op basis van de toepasselijke regelgeving, waaronder de Richtlijnen voor de Accountantscontrole (RAC) 2002 gehouden waren ter zake van de verrichte controlewerkzaamheden een zogeheten controledossier aan te leggen en te bewaren dat in voldoende mate compleet en gedetailleerd is, zodat een goed beeld kan worden gevormd van de uitvoering van de controlewerkzaamheden. Het controledossier is mede bedoeld om achteraf verantwoording af te kunnen leggen van de door de accountant verrichte werkzaamheden. In dat dossier dienden PwC c.s. informatie vast te leggen over de planning van de controle, de aard, het tijdstip van uitvoering en de omvang van de uitgevoerde controlewerkzaamheden, de resultaten daarvan en de conclusies naar aanleiding van de verkregen controle-informatie. Verder is van belang dat de door PwC c.s. uitgevoerde controle van de jaarrekening van Sentry mede strekte ter bescherming van de belangen van derden die op de jaarrekeningen moeten kunnen vertrouwen, waaronder ook de Beleggers. Dit betekent dat een eventueel tekortschieten van PwC c.s. in de uitvoering van de opgedragen controlewerkzaamheden onder omstandigheden ook jegens de Beleggers een onrechtmatige daad kan opleveren. Bij die laatste rechtsbetrekking zijn Colima en de Stichting, als Belegger respectievelijk lasthebber van Beleggers, partij en als zodanig hebben zij ook een rechtmatig (bewijs)belang bij afschrift van of inzage in de controledossier teneinde hun concrete stellingen in de hoofdzaak aangaande het tekortschieten van PwC c.s. nader te kunnen onderbouwen.Nu PwC c.s. op basis van de toepasselijke regelgeving gehouden waren ter zake van de verrichte controlewerkzaamheden een zogeheten controledossier aan te leggen en te bewaren, is ook voldoende bepaalbaar op welke bescheiden de vordering ziet. Dat geldt echter niet indien en voor zover Colima c.s. met de toevoeging ‘inclusief de interne stukken’ het oog hebben op meer of andere stukken dan de interne stukken die op basis van de toepasselijke regelgeving al onderdeel uitmaken van de door PwC c.s. aan te leggen/aangelegde controledossiers. De vordering is in zoverre als onvoldoende bepaald niet toewijsbaar. De conclusie is dan dat (i) Colima c.s. een voldoende zwaarwegend rechtmatig belang hebben bij afschrift van of inzage in de controledossiers aangaande de controle van de jaarrekeningen van Sentry voor de boekjaren 2003, 2004 en 2005, (ii) de vordering in zoverre betrekking heeft op voldoende bepaalbare bescheiden en (iii) die bescheiden een rechtsbetrekking betreffen waarbij Colima c.s. partij zijn.
3.10
Vervolgens is dan aan de orde of zich een van de in artikel 843a Rv genoemde uitzonderingen voordoet. Op PwC c.s. als accountant rust ter zake van de controledossiers geen geheimhoudingsplicht als bedoeld in het derde lid van artikel 843a Rv en omtrent een zwaarwichtige reden die meebrengt PwC c.s. niet gehouden kunnen worden afgifte of inzage te verstrekken is evenmin gebleken. Weliswaar voeren PwC c.s. - terecht - aan dat de controledossiers vertrouwelijke gegevens van hun cliënten bevatten en dat zij tegenover die cliënten tot geheimhouding verplicht zijn, maar het hof is van oordeel dat dit belang - mede gelet op de hiervoor genoemde beperking van de omvang van de te verstrekken stukken en de hierna te noemen aan Colima c.s. op te leggen geheimhoudingsplicht - in het onderhavige geval minder zwaar moet wegen dan het maatschappelijk belang dat in rechte de waarheid aan het licht komt. PwC c.s. stellen vervolgens dat zij in het kader van de procedure bij de accountantskamer al een aanzienlijk deel van de stukken uit de controledossiers met betrekking tot de jaarrekeningen van Sentry voor de boekjaren 2004 en 2005 aan Colima c.s. ter beschikking hebben gesteld, zodat redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Het hof volgt ook dit verweer niet. De reeds overgelegde stukken hebben geen betrekking op de controle van de jaarrekening van Sentry voor het boekjaar 2003. Verder geldt dat, zoals hiervoor al is overwogen, de door PwC c.s. aan te leggen en te bewaren controledossiers in voldoende mate compleet en gedetailleerd dienen te zijn om te verzekeren dat een goed beeld kan worden gevormd van de uitvoering van de controlewerkzaamheden. Dit brengt mee dat om een juist en volledig beeld van de uitvoering van de controlewerkzaamheden te kunnen krijgen, in beginsel kennisneming van het geheel van de in het controledossier vastgelegde gegevens nodig zal zijn. Tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat een behoorlijke rechtsbedeling meebrengt dat Colima c.s. ter nadere onderbouwing van hun stellingen afschrift van, of inzage in de complete controledossiers dienen te krijgen en dat niet kan worden volstaan met een - door PwC c.s. gemaakte - selectie.
3.11.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de grieven tegen het oordeel van de rechtbank in het incident slagen. Het hof zal het vonnis van 3 september 2014 in zoverre vernietigen en de incidentele vordering ex artikel 843a Rv als na te noemen alsnog toewijzen.
3.12.
Het hof zal daarbij op de voet van artikel 843a lid 2 Rv bepalen dat PwC c.s. aan Colima c.s. inzage in of afschrift van de controledossiers met betrekking tot de jaarrekeningen van Sentry voor de boekjaren 2003, 2004 en 2005 kunnen verstrekken door Colima c.s. toegang te verschaffen tot een daarvoor door PwC c.s. in te richten elektronische dataroom, althans door deze aan Colima c.s. op een elektronische gegevensdrager ter beschikking te stellen, dan wel op een andere tussen partijen overeen te komen geschikte wijze. De kosten daarvan komen ingevolge het bepaalde in artikel 843a lid 1 Rv voor rekening van Colima c.s. Teneinde PwC c.s. in staat te stellen de benodigde gegevens te verzamelen zal het hof bepalen dat PwC c.s. op een termijn van vier weken na dit arrest afschrift van of inzage in de controledossier dienen te verstrekken. Nu PwC c.s. hebben toegezegd aan een eventuele veroordeling te zullen voldoen is oplegging van een dwangsom niet nodig.
3.13.
Het hof ziet in de omstandigheid dat de controledossiers vertrouwelijke gegevens bevatten van cliënten van PwC c.s. aanleiding om, overeenkomstig het daartoe strekkende verzoek van PwC c.s., op de voet van artikel 29 Rv te bepalen dat het Colima c.s. verboden is om aan derden mededelingen te doen omtrent de inhoud van de aan haar te verstrekken controledossiers met betrekking tot de jaarrekeningen van Sentry voor de boekjaren 2003, 2004 en 2005.
3.14.
Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen op een termijn van drie maanden na dit arrest voor een akte aan de zijde van Colima c.s., waarbij zij zich desgewenst zullen kunnen uitlaten over de inhoud van de door PwC c.s. verstrekte controledossiers en de relevantie daarvan voor de door Colima c.s. in de hoofdzaak geformuleerde grieven. PwC c.s. zullen daar op een termijn van vier weken bij akte op kunnen reageren.
3.15.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
4. Beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis van 3 september 2014, voor zover daarbij de incidentele vordering ex artikel 843a Rv is afgewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt PwC c.s. om binnen vier weken na heden aan Colima c.s. inzage of afschrift te verstrekken van de controledossiers met betrekking tot de jaarrekeningen van Sentry voor de boekjaren 2003, 2004 en 2005, door Colima c.s. toegang te verschaffen tot een daarvoor door PwC c.s. in te richten elektronische dataroom, althans door deze aan Colima c.s. op een elektronische gegevensdrager ter beschikking te stellen, dan wel op een andere tussen partijen overeen te komen geschikte wijze;
bepaalt dat de kosten van het verstrekken van inzage of afschrift voor rekening komen van Colima c.s.;
bepaalt dat het Colima c.s. verboden is om aan derden mededelingen te doen omtrent de inhoud van de door PwC c.s. te verstrekken controledossiers met betrekking tot de jaarrekeningen van Sentry voor de boekjaren 2003, 2004 en 2005;
verwijst de zaak naar de rol van 5 april 2016 voor een akte aan de zijde van Colima c.s. voor het onder 3.14. omschreven doel, vervolgens antwoordakte aan de zijde van PwC c.s.;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten, A.M.P Geelhoed en A.W.H. Vink en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2016.