Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.3.3.2
6.3.3.2 Status benodigde wettelijke grondslag
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS398471:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 32.
Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 39 (MvT). Zie ook Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 32; Polak & Den Ouden 2004, p. 64.
In artikel 3:1 van de Algemene Douanewet is slechts bepaald dat onverminderd de communautaire bepalingen ter zake bij of krachtens algemene maatregel van bestuur verboden of beperkingen ten aanzien van goederen kunnen worden vastgesteld, die bij het binnenbrengen in, onderscheidenlijk verlaten van de gebieden, bedoeld in artikel 1:2, van toepassing zijn.
Zie ABRvS 12 maart 2008, JB 2008, 106, m.nt. E. Hardy.
ABRvS 19 april 2006, AB 2006, 296, m.nt. W. den Ouden en M.J. Jacobs (Pleno Herb I), r.o. 2.9.
Stb. 2007, 387. De cofinanciering is gebaseerd op de Kaderwet EZ-subsidies. Naar dit voorbeeld waren Den Ouden, Jacobs & Verheij op zoek. Zie Den Ouden, Jacobs & Verheij 2011, p. 33.
Zie Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 39 (MvT). Zie hieromtrent ook Polak & Den Ouden 2004, p. 64.
Zie ABRvS 10 februari 2010, AB 2010, 214, m.nt. W. den Ouden, JB 2010/80, m.nt. AJB (Pleno Herb II). Zie ook ABRvS 10 februari 2010, LJN BL3324. De rechtbank Zwolle was tot het oordeel gekomen dat een regeling op rijksniveau was vereist. Zie Rb Zwolle 20 maart 2009, LJN BH6980.
Zie CBb 22 december 2009, AB 2010, 74, m.nt. R. Ortlep.
Dit zou ermee te maken kunnen hebben dat de principiële vraag in hoeverre de herstructureringssteun is aan te merken als een Awb-subsidie niet beantwoord hoefde te worden.
Zie bijvoorbeeld ABRvS 9 april 2008, AB 2008, 166, m.nt. R. Ortlep (gemeente Middelburg).
Bij een regeling bij 'wettelijk voorschrift' als bedoeld in artikel 4:23, eerste lid, van de Awb gaat het om een algemeen verbindend voorschrift.1 Voor subsidies die door bestuursorganen van het Rijk worden verstrekt, betekent dit dat de bevoegdheid tot subsidiëring uiteindelijk dient te zijn gebaseerd op een wet in formele zin.2 De wettelijke grondslag zelf hoeft niet te zijn neergelegd in een wet in formele zin; dit is ook mogelijk in een ministeriële regeling. De bevoegdheid om wettelijke voorschriften over subsidies vast te stellen — zoals in een ministeriële regeling — moet in dat geval zijn gebaseerd op een wet in formele zin.
In een dergelijke wet in formele zin moet dan wel iets zijn geregeld over het stellen van regels over de bevoegdheid tot het verstrekken van subsidies. In dat kader is het mijns inziens problematisch dat de bevoegdheid tot het verstrekken van Europese uitvoerrestituties van de minister van EL&I nationaalrechtelijk is te vinden in artikel 3:3 van het Algemeen Douanebesluit. Deze bevoegdheid is niet te herleiden tot de Algemene Douanewet.3
Het voorgaande betekent dat de bevoegdheid tot subsidieverstrekking niet kan worden gebaseerd op een beleidsregel4 of een bestuursovereenkomst.5
De bevoegdheid om EFRO-subsidies te verstrekken, is thans te herleiden tot het Besluit EFRO, een zelfstandige amvb.6 Ingevolge artikel 4:23, tweede lid, van de Awb is het mogelijk om een bevoegdheid tot subsidieverstrekking tijdelijk op te nemen in een zelfstandige amvb. Dit wettelijk voorschrift komt vier jaar na inwerkingtreding te vervallen, tenzij voor dat tijdstip een voorstel van wet bij de Staten-Generaal is ingediend waarin de subsidie is geregeld. Dit betekent dat voor 24 oktober 2011 een daartoe strekkend wetsvoorstel bij de Tweede Kamer had moeten zijn ingediend. Hoewel men naar verluidt bezig is met de voorbereidingen van de Uitvoeringswet Structuurfondsen, is het wetsvoorstel nog niet ingediend bij de Tweede Kamer.
Voor subsidies die door bestuursorganen van decentrale overheden en andere openbare lichamen — zoals productschappen — worden verstrekt, kan de wettelijke grondslag voor subsidieverstrekking ook worden neergelegd in hun autonome verordeningen.7 Volgens de ABRvS is voldoende dat het gaat om een regeling van een orgaan dat aan de Grondwet of een wet in formele zin regelgevende bevoegdheid ontleent.8 De bevoegdheid tot subsidiëring voor decentrale overheden en andere openbare lichamen behoeft derhalve niet te zijn gebaseerd op een afzonderlijke wet in formele zin.
Let wel, een wet in formele zin met daarin louter een algemene bevoegdheid tot subsidiëren (zoals de subsidiekaderwetten) lijkt onvoldoende te zijn om zelfstandig aan de eis van de wettelijke grondslag te voldoen. Het CBb heeft zich in een uitspraak van 22 december 2009 op het standpunt gesteld dat de wettelijke grondslag voldoende specifiek moet zijn.9
In deze uitspraak gaat het om de verdeling van 10% herstructureringssteun tussen bietentelers en loonwerkers in het kader van de uitvoering van de Verordening nr. 320/2006 van de Raad tot instelling van een tijdelijke regeling voor de herstructurering van de suikerindustrie in de Europese Gemeenschap. Het CBb beziet allereerst of de bevoegdheid van de minister van LNV tot het verstrekken van de herstructureringssteun wellicht kan worden gevonden in de voormelde verordening. Dit is niet het geval omdat artikel 3, zesde lid, van de Verordening nr. 320/2006 de lidstaten alleen verplicht om de steun toe te kennen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, met inachtneming van de verliezen die voortvloeien uit het herstructureringsproces. Daarmee is volgens het CBb nog niet gegeven dat de minister van LNV in Nederland kan optreden als het ter zake bevoegde bestuursorgaan. Zulk een bevoegdheid vloeit evenmin voort uit artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Commissieverordening nr. 968/2006, waarin aan de lidstaten wordt opgelegd de bij het herstructureringsplan betrokken partijen in kennis te stellen van het besluit van de lidstaat over het percentage van de herstructureringssteun dat aan de telers van suikerbieten respectievelijk de loonwerkbedrijven moeten worden uitgekeerd en de objectieve criteria voor de verdeling van dat deel van de steun tussen die twee groepen en binnen elke groep. Het CBb gaat vervolgens op zoek naar een nationaalrechtelijke grondslag voor de bevoegdheid tot het nemen van een besluit tot verdeling van de herstructureringssteun. Het CBb komt tot de conclusie dat artikel 15 van de Landbouwwet een zodanige grondslag niet biedt. Ook deze bepaling gaat er, aldus het CBb, vanuit dat de uitvoering van verordeningen op het gebied van het gemeenschappelijk landbouwbeleid wordt geoperationaliseerd door nadere regels te stellen inzake het verstrekken van subsidie of een andere geldelijke bijdrage waarbij dan ook het bevoegde bestuursorgaan wordt aangewezen. Nu een dergelijke regeling ontbreekt, concludeert het CBb dat de minister van LNV niet bevoegd is om een beslissing te nemen inzake de toekenning, dan wel de nadere verdeling van de herstructureringssteun. Vandaar dat het CBb de beslissing op bezwaar vernietigt en de primaire besluiten herroept. Volgens het CBb dient eerst een regeling te worden vastgesteld.
Het CBb baseert voormelde uitspraak niet op het vereiste van de wettelijke grondslag, zoals dat is neergelegd in artikel 4:23, eerste lid, van de Awb.10 Aangenomen kan worden dat de uitspraak een breder bereik heeft, dan de toekenning van Europese herstructureringssteun. Op basis van deze uitspraak van het CBb zou naast een algemene bevoegdheid in een wet in formele zin of een provinciale verordening, in een ministeriële regeling of een verordening van GS moeten worden neergelegd voor welke activiteiten het bestuursorgaan een Europese subsidie kan verstrekken.11 Het is de vraag of de Afdeling zich bij deze jurisprudentielijn van het CBb zal aansluiten.